Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1990:ZC8372

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-1990
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
2409
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1989:8
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 552a leden 1 en 5 Wetboek van Strafvordering. De wet kent geen mogelijkheid om na teruggave van de inbeslaggenomen goederen in rechte te doen vaststellen dat de inbeslagneming dan wel het gebruik van het inbeslaggenomene onrechtmatig was.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 552a
Wetboek van Strafvordering 552a
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1990, 369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 januari 1990

Strafkamer

2409 Besch.

AG

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 15 juli 1988 op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ingediend door:

[klaagster] , gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft [klaagster] niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door [klaagster], verder te noemen [klaagster]. Namens haar heeft Mr. E.J. Dommering, advocaat te 's-Gravenhage, het volgende middel van cassatie voorgesteld:

De Rechtbank heeft op de gronden aangegeven in de beschikking, waarvan de inhoud als hier overgenomen en ingelast is te beschouwen, in strijd met het recht en/of met verzuim van vormen, niet inachtneming waarvan met nietigheid wordt bedreigd, [klaagster] niet ontvankelijk verklaard om één of meer van de navolgende redenen:

1. De Rechtbank oordeelt dat de bedoeling van artikel 552a Sv. is belanghebbenden de mogelijkheid te bieden zich tot de rechter te wenden om het beslag op te heffen. Nu de Officier van Justitie daags voor de zitting het inbeslaggenomen goed heeft teruggegeven, is voor de beklagrechter, aldus de Rechtbank, geen taak meer weggelegd.

De Rechtbank miskent in deze beslissing dat de procedure van artikel 552a Sv. niet alleen de functie heeft de teruggave van in beslag genomen goederen te gelasten, maar ook om een oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van het beslag. Daaraan doet niet af dat teruggave al had plaatsgehad op het moment dat de raadkamer over het beklag moest oordelen.

Vgl. F. Vellinga-Schootstra, ‘’Inbeslagneming en huiszoeking’’, blz. 44–46; A.L. Melai c.s. ‘’Het Wetboek van Strafvordering’’, aantekening 9 en 10 bij artikel 94 Sv., aantekening 5 en 6 bij artikel 552a Sv.; Conclusie Advocaat-Generaal Leijten bij H.R. 24-06-83, N.J. ’84, 38.

De beslissing over de rechtmatigheid van het beslag had in casu betrekking op de vraag of de in beslag genomen filmband rechtens wel mocht dienen de waarheid aan het licht te brengen, gelet op de bijzondere positie van de televisieverslaggever in de sportverslaggeving. Daarbij waren vragen van de strafrechtelijke bewijspositie van informatiedragers in het algemeen en informatiedragers die de schrijvende en de omroeppers in zijn beroepsuitoefening gebruikt c.q. vervaardigt aan de orde. Voorts spelen daarbij vragen die de rechtmatigheid van het beleid c.q. de belangenafweging van de Rechter–Commissaris raken. Over deze vragen bestaat thans nog grote rechtsonzekerheid, reden dat deze beklagprocedure als proefproces was aanhangig gemaakt.

2. De gewone rechter huldigt sedert H.R. 11-12-36, N.J. ‘37, 72, m.o. EEM het standpunt dat de beklagprocedure ex artikel 552a Sv. een met voldoende rechtswaarborgen omklede rechtsgang is die de gewone rechter tot terugtreden noopt.

Onr. Daad (Daamen) VII, 23 en 24; G.J.M. Corstens, ‘’De President in kort geding in strafzaken’’, in Ad Personam, blz. 9.

Zou men deze rechtspraak nu zo uitleggen dat dit alleen voor de gewone rechter in kort geding geldt, dan ontstaat de eigenaardige situatie dat er twee elkaar opvolgende bodemrechters zijn. Zolang het voorwerp niet is teruggegeven, is de beklagrechter bevoegd. Deze oordeelt naar huidige opvatting ook over de vraag of het voorwerp rechtmatig in beslag is genomen. Wordt het voorwerp teruggegeven, dan zou ineens de gewone rechter als bodemrechter over de rechtmatigheid moeten oordelen. Het tempo van de strafvordering c.q. het beleid van het Openbaar Ministerie is dan bepalend voor de vraag welke bodemrechter over de inbeslagname oordeelt. Bovendien is dan denkbaar, dat een klager na een beklagprocedure dezelfde rechtsvragen bij de gewone rechter aan de orde stelt.

Eén en ander past evenmin in de lijn die de Eerste kamer van de Hoge Raad heeft uitgezet voor de verhouding tussen de gewone rechter en de (bijzondere) administratieve rechtsgang. Alle vragen met betrekking tot de rechtmatigheid van de bestreden overheidsbeslissing worden verwezen naar de bijzondere administratieve rechtsgang, ook als deze uitsluitend nog tot doel kan hebben de rechtmatigheid van de bestreden beslissing vast te stellen. Verzuimt de burger de administratieve rechtsgang te benutten, dan kan hij daarna bij de gewone rechter vragen van rechtmatigheid niet meer aan de orde stellen.

Vgl. H.R. 16-5-86, N.J. ’86, 723; A.B. ’86, 573; B.R. ’86, 775; Gemeentestem 6842.3; A.A. ‘86, blz. 642; H.R. 26-2-88, RvdW ’88, 46.

Aldus ook Melai, aantekening 10 bij artikel 94 Sv. ten aanzien van de beklagprocedure:

’Bij deze stand van zaken past geen controle op de strafrechtelijke inbeslagneming door de burgerlijke rechter, maar daarentegen een bijzondere bij de aard van de uit te oefenen controle passende rechtsgang.’’

In deze ontwikkeling past dat degeen die een rechtmatigheidsoordeel over de inbeslagneming wil verkrijgen (bij voorbeeld om zijn toekomstige gedrag daarop te kunnen afstemmen) of die schadevergoeding bij de gewone rechter (die voor schadevragen bevoegd blijft) wil vragen, eerst de beklagprocedure zal moeten doorlopen.

N.B.

In verband met de vlak voor de zitting door het O.M. aangekondigde teruggave van de band werd het verzoek in het klaagschrift ter zitting uitdrukkelijk uitgebreid tot een verzoek een beslissing over de rechtmatigheid van het strafrechtelijke beslag te geven (zie pleitnota Mr. E.J. Dommering, nr. 4).

3. Indien de raadkamer in zijn slotoverweging wil aangeven dat een rechterlijk oordeel over de rechtmatigheid van het beslag niet meer mogelijk is wanneer de inbeslagneming is opgeheven, wordt daarmee miskend dat in de rechtsstaat iedere overheidsbeslissing — met inachtneming van bestuurlijke beleidsvrijheid — op rechtmatigheid moet kunnen worden beoordeeld. Een tegengestelde opvatting zou bovendien in strijd zijn met artikel 6 EVRM.

4. Voor zover de onder 1 en 2 verdedigde opvatting door de Hoge Raad niet wordt gevolgd, wordt ook de beperktere stelling verdedigd dat de beklagrechter de bevoegde (bodem)rechter blijft wanneer het beklag wordt ingediend op een moment dat het inbeslaggenomen voorwerp nog niet is teruggegeven.

Een tegengestelde opvatting zou er immers toe leiden dat het O.M. wiens beleid (al of niet gedekt door een bevel van de Rechter–Commissaris) ter discussie staat, het zelf in de hand zou hebben te bepalen of de beklagrechter daarover een beslissing neemt, door op het moment dat de behandeling in raadkamer is aangekondigd, het beslag op te heffen. Zo is het in deze zaak gegaan, en zo is het eerder in (snelrecht)zaken gegaan, waarbij tv-filmbanden als bewijs bij de berechting van voetbalvandalisme werden gebezigd. Mede daardoor is er nog steeds geen duidelijke jurisprudentie over de geoorloofdheid van de inbeslagname van beeld- en informatiedrager van de pers.

Het bijkomende (niet geringe) nadeel is dat de belanghebbende op grond van het nog steeds gevolgde H.R. 11-12-36, N.J. ‘37, 72 (zie de jurisprudentie bij O.D. VII, nr. 23) een beklag moet indienen op het moment van inbeslagneming, maar tegen de tijd dat dat wordt behandeld met lege handen kan komen te staan. Dan dringt zich praktisch gezien toch weer de kort gedingrechter op om een maatregel te verkrijgen. Het zou zelfs tot de onnodig kostbare aanpak kunnen dwingen dat beklag-, kort geding- en/of bodemrechter tegelijkertijd moeten worden geadieerd.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4. Motivering van de niet-ontvankelijkverklaring

De Rechtbank heeft de niet-ontvankelijkverklaring gemotiveerd als volgt:

Aangezien het klaagschrift binnen de in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn is ingediend, is klaagster in zoverre ontvankelijk.

Nu evenwel, zoals tijdens de behandeling in raadkamer namens klaagster is bevestigd, de officier van justitie uitvoering heeft gegeven aan zijn voornemen tot teruggave van de inbeslaggenomen filmbeelden aan klaagster, is aan het beklag tegen de inbeslagneming de grond komen te ontvallen.

De bedoeling van de procedure van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering is belanghebbenden de mogelijkheid te bieden zich tot de rechter te wenden om een beslag op te heffen. Nu aan het in deze procedure bedoelde beslag reeds een einde is gekomen door teruggave aan degene onder wie in beslag is genomen, is voor een beslissing op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering geen plaats meer. Klaagster dient derhalve in haar beklag niet ontvankelijk te worden verklaard.

Hetgeen klaagster heeft gesteld omtrent de onrechtmatigheid van het beslag dient thans in het kader van deze procedure buiten beschouwing te blijven. De rechtmatigheid van een beslag dient wel te worden beoordeeld bij de beantwoording van de vraag of een beslag moet worden opgeheven, doch de procedure van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering geeft aan belanghebbenden geen mogelijkheid voor het vragen van een verklaring voor recht ter zake, nadat aan het beslag door teruggave een einde is gekomen.

5. Beoordeling van het middel

5.1. De Rechtbank heeft vastgesteld dat na de teruggave van het inbeslaggenomene aan [klaagster] het beklag van [klaagster] uitsluitend strekt tot het verkrijgen van een beslissing over de rechtmatigheid van het strafrechtelijk beslag c.q. over de rechtmatigheid van het gebruik dat van het inbeslaggenomene is gemaakt.

5.2. Belanghebbenden bij in het belang van de strafvordering inbeslaggenomen voorwerpen kunnen zich op de voet van het eerste lid van art. 552a Sv beklagen over onder meer de inbeslagneming, over het gebruik van inbeslaggenomen voorwerpen en over het uitblijven van een last tot teruggave.

5.3. Krachtens het bepaalde bij het vijfde lid van art. 552a Sv geeft het gerecht dat het beklag gegrond oordeelt de daarmede overeenkomende last. De in de woorden ‘’daarmede overeenkomende’’ besloten liggende verwijzing naar het eerste lid van art. 552a Sv leidt tot de slotsom dat de in het vijfde lid bedoelde last niet meer kan worden gegeven indien het inbeslaggenomen voorwerp is teruggegeven, terwijl voorts noch art. 552a Sv noch enige andere bepaling van het Wetboek van Strafvordering voorziet in de mogelijkheid na deze teruggave in rechte te doen vaststellen dat de inbeslagneming dan wel het gebruik van het inbeslaggenomene onrechtmatig was.

5.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat de Rechtbank terecht en op goede gronden [klaagster] niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar beklag.

6. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Bronkhorst als voorzitter, de vice-president Van den Blink, en de raadsheren Jeukens, Mout en Bleichrodt, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, in raadkamer van 9 januari 1990.