Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1989:ZC8253

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-10-1989
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
85.738
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1989:1
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verduistering van geldbedragen, art. 321 Sr. Voldoende duidelijke feitelijke betekenis van de woorden “wederrechtelijk zich heeft toegeëigend”? Art. 261 Sv. Hof heeft dagvaarding in navolging van Rb nietig verklaard, o.m. omdat op geen enkele wijze duidelijk is gemaakt, waarin het strafbare gedrag zou hebben bestaan. HR: Tll. voldoet aan vereisten van art. 261 Sv. Met name de daarin voorkomende woorden "wederrechtelijk zich heeft toegeëigend" hebben voldoende duidelijke feitelijke betekenis, te weten het zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over eens anders goed beschikken. Volgt vernietiging en terugwijzing naar Rb.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 321
Wetboek van Strafvordering 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1990, 256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 oktober 1989

Strafkamer

nr. 85.738 G

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 20 oktober 1988 in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 17 maart 1988, waarbij de inleidende dagvaarding nietig is verklaard. 

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens hem heeft Mr. J.D. Meerburg, advocaat te Groningen, het volgende middel van cassatie voorgesteld:

Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, met name van artikel 321 Sr en de artikelen 261, 348 en 349 Sv.

Toelichting:

Requirant leest in de tenlastelegging, dat hem wordt verweten dat hij geld, toebehorende aan de stichting, heeft laten overboeken naar bankrekeningnummer [001] en dat hij dit geld, na het op deze wijze onder zich te hebben gebracht, zich heeft toegeëigend.

Rechtbank en Hof gaan er blijkbaar van uit, dat nog een lezing van de tenlastelegging mogelijk is.

In deze lezing zou requirant het geld al onder zich hebben gehad op het moment, dat hij dat liet overboeken (de zinsnede "liet overboeken" zou daarbij een zekere beschikkingsmacht aangeven) en dat hij zich het geld door het te laten overboeken, heeft toegeëigend.

Naar de mening van Rechtbank en Hof is derhalve niet duidelijk op welke wijze (op liever, op welk moment) requirant zich het geld toegeëigend heeft.

Naar de mening van requirant hebben Rechtbank en Hof een en ander ten onrechte overwogen. Ter toelichting kan het volgende dienen.

1. Bij het delict verduistering is het op zich niet noodzakelijk om in de tenlastelegging tot uitdrukking te brengen, op welke wijze men zich het goed toegeëigend heeft.

Die wijze zou in de door Rechtbank en Hof mogelijk geachte lezing van de tenlastelegging wel zijn omschreven. De toeëigening zou plaatsgevonden hebben door het geld over te laten boeken.

Rechtbank en Hof gaan daarbij echter voorbij aan het feit, dat het begrip toeëigening in geval van verduistering meer omvat , dan het enkel als heer en meester over het goed beschikken.

Ook is namelijk vereist, dat het goed uit de heerschappij van de rechthebbende overgaat op die van een ander. Aldus Noyon, Langemeijer en Remmelink, aantekening la op artikel 321 Sr.

Nu requirant met betrekking tot de rekening [001] enkel mede-tekenbevoegd was, is het geld door de overschrijving naar genoemd bankrekeningnummer niet aan de heerschappij van de rechthebbende onttrokken. Requirant heeft zich het geld door die overschrijving derhalve niet kunnen toeëigenen in de zin van artikel 321 Sr.

Requirant heeft zich het geld eerst kunnen toeëigenen, nadat het geld op bedoelde bankrekening was bijgeboekt.

2. Blijkens uw uitspraak d.d. 13 januari 1987, nr. 80213, NJ 87/864 (m.n. ThWvV) dient in geval van verduistering de tenlastelegging een voldoende feitelijke omschrijving te bevatten van de wijze, waarop verdachte het goed onder zich heeft gekregen en kan niet volstaan worden met het gebruik van de enkele woorden anders dan door misdrijf.

In de tenlastelegging, zoals requirant die leest, wordt de feitelijke wijze van verkrijging beschreven.

In de lezing van de tenlastelegging, zoals door Rechtbank en Hof mogelijk wordt geacht, ontbreekt een dergelijke beschrijving.

Cm de tenlastelegging in laatstgenoemde zin te kunnen lezen, moet derhalve uitgegaan worden van een onjuist toeëigeningsbegrip, terwijl tevens in die lezing de essentieel te achten feitelijke omschrijving van de wijze van verkrijging ontbreekt.

Anders gezegd, in de lezing, zoals door Rechtbank en Hof mogelijk geacht, wordt geen omschrijving gegeven van de wijze van feitelijke verkrijging - daar waar een dergelijke omschrijving vereist is - maar wordt wel aangegeven op welke wijze de toeëigening plaatsgevonden zou hebben - daar waar een dergelijke 'omschrijving nu juist niet nodig is.

De lezing, zoals door Rechtbank en Hof mogelijk wordt geacht, levert derhalve een onduidelijk en onvolledig beeld op, terwijl de tenlastelegging, zoals requirant die begrijpt, nu juist wel duidelijkheid en volledigheid biedt.

3. Zoals hiervoren reeds gesteld, bevat de tenlastelegging een duidelijk te achten beschrijving van de wijze, waarop requirant het geld feitelijk onder zich heeft gekregen: verdachte heeft dit geld over laten boeken naar een bankrekening, met betrekking tot welke bankrekening ook hij tekenbevoegd was.

Niet alleen geeft de tenlastelegging een duidelijke omschrijving, ook wordt door de opsteller aangegeven, dat dit de bedoelde wijze van verkrijging is geweest: welk geld verdachte aldus anders dan door misdrijf onder zich had.

Door middels gebruik van het woord aldus aan te geven, dat dit de bedoelde wijze van verkrijging is geweest, worden in principe alle andere mogelijke wijzen van verkrijging uitgesloten.

Dat zou slechts uitzondering lijden, indien de tenlastelegging nóg een duidelijke beschrijving van de wijze van feitelijke verkrijging zou bevatten en het gebruikte woord aldus ook op deze wijze van verkrijging betrekking zou kunnen hebben.

In de door Rechtbank en Hof mogelijk geachte lezing van de tenlastelegging is echter geen sprake van een dergelijke situatie.

De zinsnede "liet overboeken" zou kunnen wijzen op een zekere beschikkingsmacht, meer dan een constatering is dit echter niet.

Op welke wijze verdachte aldus doende het geld onder zich zou hebben gekregen, blijft daarbij volstrekt in het midden.

Hierdoor keent de betekenis van het gebruikte woord aldus volledig in de lucht te hangen en wordt de betreffende zinsnede onbegrijpelijk.

De lezing van de tenlastelegging, zoals Rechtbank en Hof die mogelijk acht, levert derhalve niet enkel een onduidelijk en onvolledig beeld op, ook ontstaat strijd met de bewoordingen van die tenlastelegging, nu door die lezing een begrijpelijk deel van de tenlastelegging onbegrijpelijk wordt.

Requirant is derhalve van mening, dat uit de tenlastelegging wel degelijk blijkt op welke wijze hij zich het betreffende geld heeft toegeëigend, dat deze tenlastelegging niet voor meer dan één uitleg vatbaar is, dat de tenlastelegging derhalve voldoende feitelijk is bepaald en dat Rechtbank en Hof ten onrechte de nietigheid van de dagvaarding hebben uitgesproken.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak hetzij naar de Rechtbank te Groningen om in eerste aanleg de hoofdzaak te berechten hetzij naar het Gerechtshof te Leeuwarden om de zaak in hoger beroep af te doen, zulks in het een en in het ander geval met inachtneming van de door de Hoge Raad te geven uitspraak.

4. Telastelegging

Aan de verdachte is telastegelegd dat verdachte in de gemeente Appingedam, althans in het arrondissement Groningen, in elk geval in Nederland, in of omstreeks de periode van 10 juni 1983 tot en met 23 december 1985, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen (tot een totaalbedrag van f 51 .800,- of daaromtrent), in elk geval enig geldbedrag,- toebehorende aan de Stichting [A], althans aan een ander of anderen dan verdachte, welk geld verdachte, als administratief medewerker in dienstbetrekking werkzaam zijnde bij genoemde Stichting, door middel van bank-giro-overschrijvingsformulieren, welke waren voorzien van een handtekening van de penningmeester van het bestuur van die Stichting, liet overboeken naar bankrekening nr. [001], met betrekking tot welke bankrekening (ook) verdachte tekenbevoegdheid bezat, en welk geld verdachte aldus (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

5. Beoordeling van het middel

5.1. Met betrekking tot de geldigheid van de telastelegging heeft de Rechtbank overwogen:

Aan de verdachte is, kort omschreven, ten laste gelegd dat hij geldbedragen, welke hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Uit deze tenlastelegging blijkt niet op welke wijze de verdachte zich de geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. De tenlastelegging is gelet op het bovenstaande onvoldoende feitelijk bepaald, en daarmee niet duidelijk.

Op grond van het hiervoor overwogene dient de dagvaarding nietig te worden verklaard.

5.2. Het Hof heeft deze gronden tot nietigverklaring van de dagvaarding in eerste aanleg aangevuld, daartoe overwegende:

Het hof vult de door de eerste rechter gebezigde gronden aan door achter de tweede zin toe te voegen:

Hierdoor is op geen enkele wijze duidelijk gemaakt, waarin het strafbaar gedrag zou hebben bestaan.

5.3. De telastelegging voldoet aan de vereisten van art. 261 Sv. Met name de daarin voorkomende woorden "wederrechtelijk zich heeft toegeëigend" hebben voldoende duidelijke feitelijke betekenis, te weten het zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over eens anders goed beschikken.

6. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat het middel doel treft, het bestreden arrest niet in stand kan blijven en beslist moet worden als volgt.

7. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar de Arrondissementsrechtbank te Groningen ten einde met inachtneming van deze uitspraak de zaak op de bestaande dagvaarding te berechten en af te doen. 

Dit arrest is gewezen door de raadsheer Jeukens als voorzitter, en de raadsheren Mout en Neleman, in bijzijn van de waarnemend-griffier De Rooij, en uitgesproken op 24 oktober 1989.