Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1987:AC4156

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-05-1987
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
12910
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1987:AC4156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Gezag van gewijsde. Rechtsbetrekking in geschil. Komt aan een eerdere beslissing waarbij enkel het bestaan van een feit wordt aangenomen gezag van gewijsde toe?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1988, 164 met annotatie van W.H. Heemskerk
RvdW 1987, 116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 mei 1987

Eerste Kamer

Nr. 12.910

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1] en

2. [eiseres 2] , echtelieden,

beiden wonende te [woonplaats] ,

EISERS tot cassatie,

advocaat: Mr. M.P. Plantenga,

t e g e n

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: Mr. J.W. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor zover in cassatie van belang zij het volgende vermeld.

Verweerder in cassatie — verder te noemen [verweerder] — heeft bij exploot van 12 mei 1981 eisers tot cassatie — verder te noemen [eisers] — gedagvaard voor de Rechtbank te Middelburg en — na vermindering van eis — gevorderd als hierna onder 3.1.3 omschreven.

Nadat [eisers] tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 18 mei 1983 — onder aanhouding van iedere verdere beslissing — een deskundigenbericht gelast omtrent de schade.

Tegen dit vonnis heeft [eisers] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 4 april 1985 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Ten Kate strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1.1 Gelet op rechtsoverweging 1 van 's Hofs arrest en op het daarin genoemde vonnis van de Rechtbank, moet in cassatie — in het bijzonder met betrekking tot het tussen partijen gevoerde overleg over de overname van de pacht door [verweerder] — van het volgende worden uitgegaan.

3.1.2 [verweerder] heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat dit overleg ertoe heeft geleid dat tussen partijen een pachtovereenkomst tot stand was gekomen, althans een voorovereenkomst tot het sluiten van een pachtovereenkomst, en hij heeft deswege een vordering ingesteld bij de Pachtkamer van het Kantongerecht te Zierikzee, strekkende primair tot vastlegging van die pachtovereenkomst en subsidiair tot veroordeling van [eisers] om met [verweerder] een pachtovereenkomst aan te gaan.

De Pachtkamer heeft deze vorderingen ontzegd bij vonnis van 18 april 1980, welk vonnis in hoger beroep door de Pachtkamer van het Gerechtshof te Arnhem is bekrachtigd bij arrest van 13 april 1981.

Door genoemd arrest is tussen partijen onherroepelijk komen vast te staan dat noch een pachtovereenkomst noch een voorovereenkomst tot het sluiten van een pachtovereenkomst tussen hen is gesloten.

3.1.3 Bij akte van 26 oktober 1979 heeft [eisers] de desbetreffende hoeve verpacht aan [betrokkene 1] voor de duur van 24 jaar, ingaande op 1 november 1979. [eisers] heeft [verweerder] daarin tevoren niet gekend.

In de onderhavige procedure stelt [verweerder] dat partijen, gelet op de tussen hen bestaande relatie en de tussen hen gevoerde onderhandelingen die over het sluiten van de pachtovereenkomst waren gevoerd, reeds zodanig aan elkaar waren verbonden dat het [eisers] niet vrij stond zonder meer aan [betrokkene 1] te verpachten. [verweerder] stelt voorts ten gevolge van de handelwijze van [eisers] schade te hebben geleden tot een bedrag van ƒ 694.958,--, welk bedrag hij in deze procedure van [eisers] vordert.

3.2 De Rechtbank heeft, ‘’voor wat betreft de vraag of het [eisers] al dan niet vrij stond om zonder meer met [betrokkene 1] de betreffende pachtovereenkomst te sluiten’’, onder meer overwogen ‘’met de Pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem’’ van oordeel te zijn dat ‘’het duidelijk is geworden dat [eisers] het tot stand komen van een overeenkomst afhankelijk wilde stellen van de bewoning van het tot de hoeve behorende woonhuis door de pachter zelf’’ (vonnis Rechtbank, rechtsoverweging 2 onder d).

Met betrekking tot genoemde vraag komt de Rechtbank (in haar rechtsoverweging 3) tot de conclusie:

‘’dat, gelet op al deze omstandigheden, [eisers] de lopende onderhandelingen met [verweerder] niet zonder meer had mogen afbreken en een pachtovereenkomst met [betrokkene 1] had mogen sluiten. [eisers] had, gelet op de lopende onderhandelingen waarbij in wezen slechts de bewoningskwestie nog moest worden opgelost, gezien het bij [verweerder] gewekte vertrouwen dat hij zou kunnen gaan pachten en gelet op de wetenschap van [eisers] dat [verweerder] een groot belang had bij het tot stand komen van de pachtovereenkomst, tenminste aan [verweerder] een laatste aanbod moeten doen waarbij [verweerder] in de gelegenheid zou worden gesteld om de pachtovereenkomst waarover werd onderhandeld te sluiten op de voorwaarden van [eisers] , speciaal wat betreft de bewoning, alvorens met een derde die pachtovereenkomst aan te gaan. Door dit niet te doen en zonder meer de hoeve aan [betrokkene 1] te verpachten en aldus [verweerder] de mogelijkheid te ontnemen om op de voorwaarden van [eisers] de pachtovereenkomst aan te gaan, heeft [eisers] jegens [verweerder] niet de zorgvuldigheid in acht genomen welke gezien de bestaande prae-contractuele verhouding tussen partijen jegens [verweerder] betamelijk was, zodat [eisers] jegens [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld en dientengevolge ook gehouden is aan [verweerder] te vergoeden de schade die uit dat onrechtmatig handelen voor [verweerder] is voortgevloeid’’.

3.3 Het Hof verwerpt de tegen voormeld oordeel van de Rechtbank gerichte grieven.

Het Hof gaat ervan uit dat ‘’ [eisers] zijn verlangen kenbaar (had) gemaakt, dat hij een op de hoeve wonende en actief medewerkende pachter wenste’’ (rechtsoverweging 5). Het verwerpt op in zijn arrest (in het bijzonder in rechtsoverweging 6) omschreven gronden de (in 's Hofs rechtsoverweging 3 vermelde) stelling van [eisers] dat uit het door [verweerder] in zijn brief van 22 oktober 1979 gedane voorstel bleek ‘’dat het probleem van de bewoning van de hoeve onoplosbaar was, zodat [eisers] (…) geen laatste aanbod meer behoefde te doen’’.

In dit verband overweegt het Hof: ‘’Het oordeel van de Pachtkamer van het Gerechtshof te Arnhem in zijn arrest van 13 april 1981, dat uit de brief van 22 oktober slechts kan worden afgeleid dat het kernprobleem van de bewoning onoplosbaar was, neemt het Hof dan ook niet over’’ (rechtsoverweging 6).

3.4 Het middel richt zich tegen laatstgenoemde overweging, daartoe met een beroep op art. 1954 BW aanvoerende dat het Hof rechtens gebonden was aan de beslissing, vervat in het in kracht van gewijsde gegane arrest van de Pachtkamer van het Gerechtshof te Arnhem, ‘’dat uit de brief van 22 oktober 1979 slechts kan worden afgeleid dat het kernprobleem van de bewoning onoplosbaar was’’.

Het Hof heeft de geciteerde passage kennelijk aldus verstaan dat genoemde Pachtkamer door de brief bewezen acht dat [eisers] niet bereid was als pachter op de hoeve te gaan wonen.

Het middel faalt, vooreerst omdat de beslissing van de Pachtkamer, aldus verstaan, betreft een beslissing waarbij enkel het bestaan van een feit wordt aangenomen: aan een zodanige beslissing komt gezag van gewijsde niet toe.

Voorts moet 's Hofs arrest aldus worden begrepen dat het naar 's Hofs vaststelling in de procedure voor de Pachtkamer van het Gerechtshof te Arnhem ging om de — door de Pachtkamer ontkennend beantwoorde — vraag of tussen partijen een pachtovereenkomst dan wel een voorovereenkomst tot het sluiten van een pachtovereenkomst was tot stand gekomen, terwijl het in de onderhavige procedure gaat om de — door het Hof bevestigend beantwoorde — vraag of ‘’ [eisers] eerst nog duidelijk en onomwonden aan [verweerder] een laatste, met zijn verlangen betreffende de woning en bedrijfsvoering overeenkomend voorstel had dienen te doen, alvorens hij zich vrij kon achten met een ander als pachter in zee te gaan’’ ('s Hofs rechtsoverweging 7).

Uitgaande van deze vaststellingen moet worden geoordeeld dat de door de Pachtkamer van het Gerechtshof te Arnhem gegeven beslissing betrekking had op een andere rechtsvraag — anders gezegd: op een andere rechtsbetrekking in geschil — dan die welke ter beantwoording stond in de onderhavige procedure. Ook daarop stuit het beroep op art. 1954 af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [verweerder] tot aan deze uitspraak begroot op ƒ. 456,30 aan verschotten en ƒ. 2.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Ras als voorzitter en de raadsheren Martens, Bloembergen, Haak en Roelvink, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 15 mei 1987.