Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1987:AC3287

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-1987
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
7177
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1987:AC3287
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huurrecht woonruimte. “Gezamenlijk verzoek” ex art. 7A:1623h lid 7 BW. Nadat verhuurder ermee akkoord is gegaan dat de partner van huurder als medehuurster zou gelden, verzoekt de partner de kantonrechter te bepalen dat huurder de huurovereenkomst niet langer zal voortzetten en hem tot ontruiming van de woning te veroordelen. Niet uitgesloten is dat de eisen van de goede trouw in de gegeven omstandigheden eraan in de weg staan dat de huurder zich jegens diens huisgenote beroept op het door haar zonder zijn medewerking verkregen hebben van de erkenning als medehuurster. Nu art. 7A:1623h van dwingend recht is, is terughoudendheid echter op zijn plaats. Regeling in art. 7A:1623h BW is niet in strijd met art. 8 EVRM/17 IVBP/art. 6 en 14 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1988, 254 met annotatie van P.A. Stein
RvdW 1987, 208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 november 1987

Eerste Kamer

Rek. nr. 7177

AK

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: Mr. J.M. Barendrecht,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: Mr. W.F. Groos.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij verzoekschrift van 24 februari 1986 heeft verzoekster tot cassatie — [verzoekster] — zich gewend tot de Kantonrechter te Rotterdam met het verzoek bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

1. te bepalen dat verweerder in cassatie — [verweerder] — met ingang van 15 maart 1986, althans met ingang van een door de Kantonrechter te bepalen tijdstip, de huurovereenkomst met [A], gevestigd te [vestigingsplaats], betreffende de woning aan de [a-straat 1] te [plaats], niet langer zal voortzetten;

2. [verweerder] te veroordelen om genoemde woning uiterlijk op het in de beschikking te bepalen tijdstip te ontruimen en te verlaten en onder overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van verzoekster, [verzoekster], te stellen;

3. [verweerder] te verbieden om na de ontruiming van het gehuurde daarin terug te keren of zich daarin te bevinden zonder toestemming van [verzoekster], met machtiging aan haar om met behulp van de sterke arm bedoeld terugkeren of zich bevinden te beletten of ongedaan te maken.

Nadat [verweerder] tegen dat verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 20 maart 1986 [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.

Tegen deze beschikking heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam.

Bij beschikking van 23 oktober 1986 heeft de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Leijten strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1 [verzoekster] en [verweerder] zijn in december 1968 — zij waren toen respectievelijk 18 en 50 jaar oud — met elkaar gaan samenleven als waren zij gehuwd. Zij hebben thans twee, nog minderjarige, kinderen. [verweerder] was bij de aanvang van de samenleving, en is ook thans nog, gehuwd; zijn echtelijke woning staat in [plaats]. Met ingang van 1 januari 1971 heeft [verweerder] de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] gehuurd van [A] te Rotterdam, hierna te noemen de verhuurster. Sindsdien woont [verzoekster] in die woning, aanvankelijk met één kind, later met twee kinderen. In ieder geval sedert 1977 woont ook [verweerder] in die woning. Partijen voeren een duurzame gemeenschappelijke huishouding.

Nadat de verstandhouding tussen partijen slecht was geworden heeft [verzoekster] zich op 4 februari 1986 tot de verhuurster gewend met het verzoek haar te erkennen als medehuurster van de woning. Zij voerde aan dat zij met de huurder [verweerder] een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert en wees op de leeftijd van haar partner. De verhuurster ging ermede accoord dat [verzoekster] als medehuurster zou gelden.

3.1.2 [verzoekster] heeft de Kantonrechter verzocht te bepalen dat [verweerder] de huurovereenkomst niet langer zal voortzetten en hem te veroordelen de woning te ontruimen. De Kantonrechter heeft [verzoekster] in haar verzoek niet ontvankelijk verklaard op de grond dat zij niet op rechtmatige wijze medehuurster is geworden en derhalve de bevoegdheid mist een verzoek als bedoeld in art. 1623h lid 7 BW te doen.

In het door haar ingestelde hoger beroep heeft [verzoekster] onder meer aangevoerd dat de verhuurster nadat [verzoekster] haar alle feiten had medegedeeld bij haar accoordverklaring is gebleven en op het desbetreffend verzoek van [verweerder] geweigerd heeft die accoordverklaring te herroepen. De Rechtbank heeft de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd. Zij oordeelde in de eerste plaats dat [verzoekster]' verzoek aan de verhuurster ter verkrijging van de positie van medehuurster niet, zoals vereist door het eerste lid van art. 1623h, door [verweerder] als (hoofd)huurder is ondersteund en dat [verweerder] zich immer tegen ''de door [verzoekster] gevolgde gang van zaken'' heeft verzet, zodat [verzoekster] de positie van medehuurster niet heeft verkregen op grond van art. 1623h en derhalve ook niet gerechtigd is een verzoek als bedoeld in lid 7 van dit artikel te doen. Voorts overwoog zij dat indien [verzoekster] door de erkenning door de verhuurster contractueel medehuurster is geworden het bepaalde in art. 1623h lid 7 toch niet bij analogie kan worden toegepast nu daarvoor vereist zou zijn dat beide huurders met elkaars instemming contractueel huurder zijn geworden, hetgeen hier niet het geval is, en tenslotte dat art. 1623g lid 5 evenmin analoog kan worden toegepast.

3.2 Het middel strekt er in zijn klacht onder a toe te betogen dat [verzoekster] op grond van de art. 8 EVRM en 17 IVBPR in verband met de art. 6 en 14 EVRM toegang tot de rechter behoort te hebben op soortgelijke wijze als voor de daar bedoelde gevallen is voorzien in de art. 1623g lid 5 en 1623h lid 7, ook al kan zij zich niet beroepen op een gezamenlijk verzoek van haarzelf en [verweerder], de huurder. Dit betoog faalt. De thans in art. 1623h neergelegde regeling voorziet ten aanzien van ongehuwd samenwonenden onder bepaalde voorwaarden — waaronder het vereiste van een gezamenlijk verzoek als bedoeld in het eerste lid— in de mogelijkheid voor ieder hunner zich tot de rechter te wenden ter verkrijging van bescherming van zijn recht op ‘’zijn huis’’, zowel tegen de verhuurder als tegen de met hem samenwonende(n). Deze regeling, die berust op een afweging van de belangen van elk der samenwonenden en van de verhuurder, kan niet gezegd worden in strijd te zijn met de voormelde verdragsbepalingen.

3.3 In verband met de behandeling van de onderdelen b en c van het middel moet het volgende vooropgesteld worden. In het onderhavige geval is de verhuurster ermede accoord gegaan — en is zij, naar [verzoekster] heeft gesteld en de Rechtbank in het midden heeft gelaten, ook nadat haar was medegedeeld dat [verweerder] daarmede niet instemt, ermede accoord blijven gaan — dat [verzoekster] medehuurster zal zijn. Gegeven een accoordverklaring als de onderhavige behoeft de ontvankelijkheid in een verzoek als dat van [verzoekster] tot toepassing van art. 1623h lid 7 niet onder alle omstandigheden af te stuiten op het feit dat niet een gezamenlijk verzoek ter verkrijging van de positie van medehuurder is overgelegd. Niet uitgesloten is immers dat de eisen van de goede trouw in de gegeven omstandigheden eraan in de weg staan dat de huurder wiens huisgenote zonder zijn medewerking een erkenning als medehuurster van de verhuurder heeft verkregen, zich jegens die huisgenote op het ontbreken van die medewerking kan beroepen. In een zodanig geval moet het ervoor worden gehouden dat — zo overigens aan de vereisten van art. 1623h lid 1 is voldaan, zoals de Rechtbank hier kennelijk heeft aangenomen — deze huisgenote medehuurster is en derhalve een persoon als bedoeld in het vierde en zevende lid van dat artikel. Opmerking verdient dat aan aanvaarding van een zodanige strijd met de goede trouw zware eisen moeten worden gesteld, nu art. 1623h een bepaling van dwingend recht is en ook terughoudendheid op zijn plaats is in verband met de opmerking van de Minister van Justitie in zijn brief van 3 mei 1979 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, geschreven in het kader van de parlementaire behandeling van de Wet van 21 juni 1979 S 330, waarbij art. 1623h zoals het thans luidt werd vastgesteld (Bijl. Hand. II 1978–1979, 14 249 nr. 14):

‘’Op zich zelf zouden het verzoek tot exclusieve voortzetting en de mogelijkheid van voorlopige voorzieningen ook los van het medehuurderschap gedacht kunnen worden. (…) Maar het toekennen van de bevoegdheid aan de samenlever kan meebrengen dat een kwaadwillende samenlever pogingen kan gaan doen de huurder uit zijn huis te werken. Het is de vraag of dit niet te ver gaat, in het bijzonder als wettelijk de mogelijkheid zou bestaan de samenlever tot medehuurder te maken, maar van deze mogelijkheid in casu geen gebruik is gemaakt.’’

Uit het bovenstaande volgt dat de onderdelen b en c van het middel doel treffen. De Rechtbank had immers [verzoekster] niet in haar verzoek niet ontvankelijk mogen verklaren, zonder in verband met haar herhaaldelijk en in uiteenlopende bewoordingen gedaan beroep op redelijkheid en billijkheid, mede te onderzoeken of, rekening houdend met alle door [verzoekster] ter ondersteuning van haar verzoek aangevoerde omstandigheden, de eisen van de goede trouw er aan in de weg stonden dat [verweerder] zich jegens [verzoekster] op het ontbreken van zijn medewerking aan voormeld verzoek kan beroepen. De beschikking van de Rechtbank kan derhalve niet in stand blijven. Na verwijzing zal een onderzoek als voormeld alsnog dienen plaats te vinden en, zo [verweerder] op het ontbreken van zijn medewerking geen beroep blijkt te kunnen doen, de zaak verder moeten worden onderzocht aan de hand van de in art. 1623h lid 7 vermelde maatstaven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de Rechtbank van 23 oktober 1986;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Martens, De Groot, Bloembergen en Roelvink, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op 13 november 1987.