Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1987:AB8324

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-03-1987
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
80615
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1987:AB8324
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1987, 851
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 maart 1987
Strafkamer
nr. 80.615
JM


Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 januari 1986 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940, wonende te [woonplaats].

1 De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 1 mei 1984 – de verdachte ter zake van "wederspannigheid, enig lichamelijk letsel ten gevolge hebbende meermalen gepleegd" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis.

2 Cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. G.J.H. Houtzagers, advocaat te 's-Gravenhage, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:
1. Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd, waarvan niet naleving nietigheid met zich meebrengt op grond van het navolgende.
Het Hof heeft, meer in het bijzonder, ten onrechte bewezen verklaard dat de Opper Wachtmeester der Rijkspolitie, [verbalisant 1] en de Wachtmeester der Rijkspolitie, [verbalisant 2] op 18 augustus 1983 in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren toen zij requirant tot cassatie aanhielden ter voorgeleiding aan een hulp officier van justitie, omdat, anders dan het Hof overweegt, er geen sprake was van "ontdekking op heterdaad als verdacht van het gepleegd hebben van een verkeersovertreding, te weten geen voorrang verlenen".

TOELICHTING

1.1.

Op 18 augustus 1983 reed Opper Wachtmeester [verbalisant 1] op het naast de Europaweg te Pijnacker gelegen fietspad. Bij benadering van de haaks op de Europaweg lopende Oranjelaan buigt het fietspad van de Europaweg af om uiteindelijk de Oranjelaan op een punt gelegen elf meter van het begin van de kruising tussen de voor motorvoertuigen bestemde wegen Europaweg en Oranjelaan te kruisen (vgl. de situatieschets, gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 6 januari 1986). Op de kruising tussen de Oranjelaan en het fietspad heeft requirant tot cassatie aan Wachtmeester [verbalisant 1], die op een rijwiel over het fietspad reed, geen voorrang verleend.
voornoemd heeft requirant tot cassatie niet aangehouden doch is naar het Politiebureau te Pijnacker gegaan. Na enige formaliteiten heeft Opper Wachtmeester [verbalisant 1] telefonisch contact gezocht met requirant tot cassatie en hem gevraagd zijn personalia op te geven. Requirant tot cassatie, die er volledig van overtuigd was dat Opper Wachtmeester [verbalisant 1] zijn personalia kende – hoe kon hij hem anders opbellen – heeft dit geweigerd, waarna [verbalisant 1] en de wachtermeester [verbalisant 2] zich naar de woning van requirant hebben begeven. Nadat requirant tot cassatie, opnieuw gevraagd zijn personalia op te geven, bij zijn weigering volharde hebben de verbalisanten hem beetgepakt om hem te kunnen aanhouden ter voorgeleiding aan de hulp officier van justitie, kennelijk op verdenking van overtreding van artikel 46 WVR. Daarbij is een schermutseling ontstaan waarbij – naar het Hof in cassatie onaantastbaar heeft vastgesteld – door requirant tot cassatie letsel aan beide verbalisanten is toegebracht.

1.2.

Bij de behandeling in eerste en tweede instantie is, blijkens de verscheidene processen-verbaal en de daarin geinserreerde pleitnotities van de raadslieden van requirant tot cassatie – het verweer gevoerd dat de beide verbalisanten niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren – zoals ingevolge artikel 180 WvSr vereist – nu er a. geen sprake was van een strafbaar feit, terwijl er b. op het moment van de aanhouding geen sprake meer was van een heterdaadsituatie, terwijl c. de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit door verbalisanten niet in acht zijn genomen. Het Hof heeft – tweede rechtsoverweging op blz. 4 – deze weren aangemerkt als bewijsverweren en heeft beslist dat deze weren "door de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen zijn verworpen".

1.3.

Door aldus te overwegen heeft het Hof een onjuiste uitleg gegeven aan het begrip "in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening" in artikel 180 WvSr. Voor de rechtmatige uitoefening van de bediening is – bij de aanhouding van een persoon – in ieder geval noodzakelijk dat ten aanzien van deze persoon een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit (artikel 27 WvSv), terwijl tevens noodzakelijk is dat – waar de verdenking geen feiten betreft, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten – er sprake moet zijn van ontdekking op heterdaad.

1.4.

Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de situatie ter plaatse er toe leidt dat een motorvoertuig dat komend van de Europaweg en linksaf slaat op de Oranjelaan en daar gedurende enige tijd rijdt, voorrang behoort te verlenen aan hem van rechts naderende fietsers. Het Hof is daartoe kennelijk uitgegaan van de opvatting dat [verdachte] en [verbalisant 1] op dezelfde weg reden, zodat [verdachte] – nu hij linksaf sloeg – voorrang had moeten verlenen aan [verbalisant 1] die rechtdoor reed.
Het betreft hier de T-splitsing Europalaan-Oranjelaan te Pijnacker (zie situatieschets). Voordat de kruising op de Oranjelaan met de weg waarover fietsers wordt bereikt, is door degene die linksaf is geslagen reeds elf meter afgelegd op deze weg, in casu de Oranjelaan. De kruising met de weg waarover [verbalisant 1] reed kan dan ook niet worden aangemerkt als dezelfde weg. Het betrof hier een kruising van gelijksoortige wegen, zodat [verbalisant 1] overeenkomstig artikel 42 lid 2 sub c van het RVV, de heer [verdachte] voorrang had moéten verlenen.
Het Hof heeft aldus een onjuiste betekenis toegekend aan het begrip weg in artikel 46 WVW, althans is dit oordeel van het Hof niet naar de eisen van de Wet met redenen omkleed.
Nu van redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit geen sprake kon zijn, heeft het Hof aan het begrip "rechtmatige uitoefening van zijn bediening" een onjuiste betekenis toegekend.

Vgl. conclusie A.G. Remmelink bij Hoge Raad 21 februari 1978, NJ 1978, 688, blz. 2257 l.k. waar hij overweegt:
"Het is nl. niet uitgesloten, dat in een geval als het onderhavige twee (……) rijbanen als een weg gelden, wanneer zij, zoals de Ktr. feitelijk en duidelijk heeft vastgesteld vlak naast elkaar liggen en zich visueel aan de weggebruikers als een weg voordoen".

In casu kan bezwaarlijk worden gesproken van wegen die zich visueel aan de weggebruikers als een weg voordoen.
Nu van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit geen sprake kon zijn heeft het Hof aan het begrip "rechtmatige uitoefening van zijn bediening" een onjuiste betekenis toegekend.

1.5.

Er was op het moment van de aanhouding van requirant tot cassatie geen sprake meer van ontdekking op heterdaad op grond van het bepaalde in artikel 128 lid 2 WvSv. De vraag of er sprake is van een situatie waarin kan worden gesproken van "kort na het feit der ontdekking" moet worden beantwoord aan de hand van de aard van het in het geding zijnde strafbare feit en de omstandigheden van het geval.

Melai c.s., aantekeningen 8 op artikel 128 WvSv.

Nu het hier om een eenvoudige verkeersovertreding ging en degene die de overtreding zou hebben begaan bekend was kon het Hof niet zonder schending van artikel 128 lid 2 WvSv oordelen dat er op het moment van de aanhouding nog sprake was van een heterdaad situatie, zodat de verbalisanten niet in de rechtmatige uitoefening hunner bediening waren. Door als in het bestreden arrest te overwegen heeft het Hof dan ook een onjuiste wetsuitleg aan het begrip "rechtmatigheid van zijn bediening" gegeven.

1.6.

Voorzover Uw Raad van mening zou zijn dat requirant tot cassatie in cassatie niet kan opkomen tegen het oordeel van het Hof dat aan het bestanddeel "rechtmatige uitoefening van zijn bediening" is voldaan stelt requirant tot cassatie zich subsidiair op het standpunt dat het Hof zijn oordeel niet naar de eisen van de wet met redenen heeft omkleed. Het Hof heeft immers dienaangaande zijn oordeel uitsluitend gebaseerd en kunnen baseren op de verklaring van Opper Wachtmeester [verbalisant 1] in het proces-verbaal nr. M536/83 waar deze verklaart:
"op 18 augustus 1983 omstreeks 08.50 uur reed ik, [verbalisant 1], in uniform gekleed op een fiets op de Europalaan in de gemeente Pijnacker. Daar werd een verkeersovertreding gepleegd, namelijk een bestuurder van een Mercedes personenauto kenteken [kenteken], verleende mij daar op de splitsing met de Oranjelaan, geen voorrang".

De verklaring van Opper-Wachtmeester [verbalisant 1] is te splitsen in twee gedeelten: een omschrijving van een aantal feiten – het rijden van de personenauto en de fiets en het feit dat geen voorrang wordt verleend – alsmede de juridische kwalificatie van het handelen van requirant tot cassatie. Door de verklaring van Opper-Wachtmeester [verbalisant 1] als bewijsmiddel voor het feit dat een strafbaar feit is gepleegd te bezigen heeft het Hof gehandeld in strijd met artikel 342 WvSv, althans zijn oordeel niet naar de eis van de wet met redenen omkleed, omdat zich hier de situatie voordoet waarin de rechter – in de woorden van Röling in zijn noot bij het arrest van Uw Raad van 26 februari 1957, NJ 1957, 450:
"blijkt op het kompas van de getuigen gevaren te hebben, en diens conclusie te hebben overgenomen" zodat van "onwettig bewijs (moet) worden gesproken". Anders gezegd: het Hof had zich een zelfstandig oordeel over deze kwestie moeten vormen en had niet uitsluitend af mogen gaan op de verklaring van de verbalisant terzake.

Vgl. Borst, De bewijsmiddelen in strafzaken, blz. 144 e.v.

1.7.

Voor wat betreft de verwerping van het verweer dat van heterdaad geen sprake was geld mutatis mutandis hetzelfde als hiervoor sub 1.6. gesteld. Daar komt nog bij dat over de vraag of er sprake was van "heterdaad" de bewijsmiddelen in het geheel niet is gesproken, zodat het Hof ten onrechte op blz. 4, tweede overweging, naar de bewijsmiddelen verwijst. Aldus heeft het Hof zijn beslissing niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed.

Althans

2. Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd, waarvan niet naleving nietigheid met zich meebrengt omdat het Hof de door requirant tot cassatie in de feitelijke instanties gevoerde verweren met betrekking tot het ontbreken van een strafbaar feit en van een heterdaad situatie heeft aangemerkt als een bewijsverweer waarop niet uitdrukkelijk moet worden beslist. Requirant tot cassatie heeft immers in de feitelijke instanties gesteld: ik heb geen voorrang verleend, maar hoefde dat niet, omdat er geen verplichting tot het verlenen van voorrang bestond. Dit verweer is niet in strijd met de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen – ook in de verklaring van Opper-Wachtmeester [verbalisant 1] wordt van het niet verlenen van voorrang gesproken – maar wel onverenigbaar met de bewezen verklaard. Het Hof had de verweren van requirant tot cassatie dan ook moeten aanmerken als zijnde "Meer en Vaart" verweren (Hoge Raad 1 februari 1972, NJ 1974, nr. 450) en had derhalve uitdrukkelijk op dit verweer moeten beslissen en dit weerleggen.

Vgl. ook HR 20 juni 1978, NJ 1979, 41.

Door te overwegen gelijk het Hof op blz. 4, tweede rechtsoverweging, heeft overwogen, heeft het Hof dus zijn beslissing niet naar de eisen der wet met redenen omkleed.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4 Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
dat hij op 18 augustus 1983 te Pijnacker toen de aldaar in uniform geklede dienstdoende opperwachtmeester der rijkspolitie, [verbalisant 1] en de wachtmeester der rijkspolitie [verbalisant 2], hem, verdachte, in geval van ontdekking op heterdaad als verdacht van het gepleegd hebben van een verkeersovertreding, te weten geen voorrang verlenen, hadden aangehouden en hadden vastgegrepen althans vast hadden teneinde hem, ter voorgeleiding aan een hulpofficier van justitie over te brengen naar het politiebureau te Pijnacker zich met geweld tegen bovenaangeduide opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, heeft verzet door opzettelijk gewelddadig te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren hem wilden geleiden; terwijl vorenvermeld misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, immers heeft hij, verdachte, alstoen en aldaar voornoemde [verbalisant 1] in zijn gezicht gestompt en die [verbalisant 1] en voornoemde [verbalisant 2] tegen hun lichamen geschopt, ten gevolge van welk geweld voornoemde [verbalisant 1] pijn en letsel en [verbalisant 2] letsel hebben bekomen.

4.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. Een ambtsedig proces-verbaal nr M536/83 van 21 augustus 1983, met bijlage, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk opperwachtmeester en wachtmeester der rijkspolitie, beiden behorende tot de groep Pijnacker, onder meer inhoudende, als relaas van verbalisanten:

Op 18 augustus 1983, omstreeks 08.50 uur, reed ik, [verbalisant 1], in uniform gekleed op een fiets op de Europalaan in de gemeente Pijnacker. Daar werd een verkeersovertreding gepleegd, namelijk een bestuurder van een Mercedes personenauto kenteken [kenteken], verleende mij geen voorrang.
Het kenteken was afgegeven ten name van [betrokkene], wonende te Pijnacker, [a-straat 1].
Ik nam telefonisch contact op met dit adres. Een man meldde zich met: "[verdachte]". Ik vroeg hem of hij de bestuurder was geweest van bedoelde personenauto. Hij zei mij dat hij de bestuurder was geweest. Ik verzocht hem zijn personalia op te geven. Hij antwoordde: "Kom nou gauw even" en verbrak de verbinding.
Hierna ging ik samen met [verbalisant 2] naar perceel [a-straat 1] te Pijnacker. Nadat wij hadden aangebeld kwam een man naar buiten, die ik, [verbalisant 1], herkende als de man die de overtreding had gepleegd.
Ik vroeg hem weer naar zijn personalia. Hij gaf deze niet op.
Ik, [verbalisant 1], deelde hem mee dat indien hij nu niet zijn personalia op zou geven wij hem aan gingen houden en hem over zouden brengen naar het politiebureau. Weer weigerde de man. Hij antwoordde: "Mijn personalia geef ik niet en mee naar het bureau ga ik helemaal niet".
Vervolgens zei ik tegen de man: "U bent nu aangehouden, u gaat met ons mee naar bureau, komt u maar mee". Hierop trachtte hij weg te lopen. Ik, [verbalisant 1], pakte hem toen vast aan zijn schouder. Op dat moment voelde ik dat verdachte mij met kracht met zijn vuist op mijn gezicht sloeg. Hij raakte mij onder mijn linkeroog. Ik voelde een hevige stekende pijn en voelde de plaats waar hij mij had geraakt opzwellen. Verdachte rukte zich los en liep achteruit.
Hierna pakten wij samen de verdachte beet. Wij zagen en voelden dat de verdachte wild om zich heen sloeg en krachtig om zich heen schopte in onze richting.
Ik, [verbalisant 1], voelde dat verdachte mij met kracht tegen mijn rechteronderbeen schopte. Ik voelde op deze plaats een stekende pijn en voelde de plaats opzwellen.
Ik, [verbalisant 2], voelde dat verdachte mij tegen mijn benen schopte met aanzienlijke kracht. Ik zag later op mijn rechterbeen een lichte ontvelling.

2. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 mei 1986:
Ik heb mij op 18 augustus 1983 te Pijnacker met geweld verzet tegen de in uniform geklede dienstdoende opperwachtmeester der rijkspolitie [verbalisant 1] en de wachtmeester der rijkspolitie [verbalisant 2], die mij verdachtten van een verkeersovertreding en die mij hadden aangehouden en hadden vastgegrepen om mij ter voorgeleiding aan een hulpofficier van justitie over te brengen naar het politiebureau te Pijnacker.
Het is mogelijk dat ik tijdens dat verzet automatisch heb geslagen en gestompt.

3. De verklaring van de getuige [verbalisant 1] ter terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 1986 afgelegd, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
Tengevolge van de vuistslag (stomp) die [verdachte], verdachte, mij op mijn oog gaf heb ik een blauw oog gekregen. Ik heb daar nog een week mee rondgelopen.
5. Beoordeling van het eerste middel
5.1. In het middel wordt bestreden dat het Hof is kunnen komen tot de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat er sprake was van een geval van "ontdekking op heterdaad als verdacht van het gepleegd hebben van een verkeersovertreding, te weten geen voorrang verlenen".
5.2. In het middel zijn onder 1.2 de blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 6 januari 1986 gevoerde verweren juist samengevat.
5.3. Het Hof heeft deze weren als verweren betreffende het bewijs verworpen in de volgende overweging:
dat door de hiervoor omschreven en door het hof gebezigde bewijsmiddelen ( ) de namens verdachte met betrekking tot de gepleegde verkeersovertreding, de ontdekking op heterdaad en de rechtmatige uitoefening van de bediening van verbalisanten ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde bewijsverweren zijn verworpen.
5.4. In het middel is onder 1.3 met juistheid gesteld wat in een geval als het onderhavige is vereist om aan te nemen dat er sprake is van "in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening" in de zin van art. 180 Sr..
5.5. In het in het middel onder 1.4 betoogde wordt miskend dat "een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit" in de zin van art. 27 Sv. ook kan hebben bestaan indien bij nader onderzoek mocht blijken dat iemand het feit waarvan hij is verdacht niet heeft begaan of dat feit niet een volgens de wet strafbaar feit oplevert.
5.6. In het in het middel onder 1.5 gestelde wordt ten onrechte ervan uitgegaan (a) dat de verdachte aan de verbalisanten bekend was, aangezien dat in cassatie niet vaststaat omdat het Hof daaromtrent niets heeft vastgesteld en (b) dat er bij de aanhouding welke heeft plaatsgevonden binnen korte tijd na de waarneming van het feit en de daarbij gerezen verdenking, niet meer was een "geval van ontdekking op heterdaad" als bedoeld in art. 128 Sv..
5.7. Het – subsidiair – in het middel onder 1.6 verdedigde standpunt dat het in het ambtsedig proces-verbaal, vermeld hiervoor onder 4.2 sub 1, voorkomend relaas van verbalisant [verbalisant 1], voor zover dat inhoudt dat ter plaatse als vermeld een verkeersovertreding werd gepleegd omdat aan hem, [verbalisant 1], geen voorrang werd verleend door de bestuurder van een personenauto, door het Hof niet tot het bewijs had mogen worden gebezigd, omdat daardoor is gehandeld in strijd met art. 342 Sv., is niet gegrond. Immers, het Hof mocht, gelet op de kennis en ervaring van [verbalisant 1] als opperwachtmeester der Rijkspolitie, aannemen dat diens evenbedoelde verklaring niets inhoudt dat niet berust op eigen waarneming of ondervinding van die verbalisant.
5.8. Anders dan in het middel onder 1.7 wordt aangevoerd, heeft het Hof uit de inhoud van de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat er sprake was van "heterdaad", gelet ook op hetgeen hiervoor onder 5.6 is overwogen. Daaraan doet niet af dat omtrent dat begrip in de bewijsmiddelen niet uitdrukkelijk wordt gesproken.
5.9. Het middel treft derhalve geen doel.

6 Beoordeling van het tweede middel
6.1. Het Hof behoefde omtrent de in het middel weergegeven verweren geen nader gemotiveerde beslissing te geven, nu het eerstbedoelde verweer niet onverenigbaar is met de bewezenverklaring voor zover inhoudende "als verdacht van het gepleegd hebben van een verkeersovertreding, te weten geen voorrang verlenen" en laatstbedoeld verweer zijn weerlegging heeft gevonden in de bewijsmiddelen.
6.2. Het middel faalt derhalve.

7 Slotsom
Nu geen van beide middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

8 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer Bronkhorst als voorzitter en de raadsheren De Waard en Keijzer, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 3 maart 1987.