Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1986:AD3741

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-1986
Datum publicatie
12-12-2019
Zaaknummer
12 700
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1986:AD3741
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rechtspersonenrecht. Bevoegdheid van milieuvereniging om als procespartij op te treden. Bundeling van belangen; efficiënte rechtsbescherming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1987/743 met annotatie van W.H. Heemskerk
RvdW 1986, 135
BR 1986, p. 765
M en R 1986, 66 met annotatie van P.W.A. Gerritzen-Rode
AB 1987, 173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 juni 1986

Eerste Kamer

Nr. 12.700

AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. CONTACT MILIEUBESCHERMING NOORD-HOLLAND,

gevestigd te Zaandam,

2. VERENIGING MILIEUDEFENSIE,

gevestigd te Amsterdam,

3. DE OEVERLANDEN BLIJVEN,

gevestigd te Amsterdam,

EISSERESSEN tot cassatie,

advocaat: Mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: Mr. R.M. Schutte.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseressen tot cassatie — verder te noemen de milieuverenigingen — hebben bij exploot van 20 januari 1984 verweerster in cassatie — verder te noemen de Gemeente — gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd

I.a. de Gemeente te veroordelen binnen één week na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis het storten van bagger afkomstig uit de Amsterdamse grachten in de Nieuwe Meer te staken;

b. subsidiair de Gemeente te veroordelen binnen een week na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis het storten van meergenoemd bagger in de Nieuwe Meer te staken, voor zover deze bagger aan PAK-verbindingen en cadmium, koper, lood, chroom, zink en olie de in punt 4. van de inleidende dagvaarding bedoelde B-waarde overschrijdt;

c. de Gemeente te veroordelen binnen één week na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis het storten van meergenoemd bagger in de Nieuwe Meer te staken, zolang geen duidelijke richtlijnen door de kwaliteitsbeheerder, het Hoogheemraadschap van Rijnland, zijn gegeven;

alles op straffe van een dwangsom van ƒ 10.000,-- voor elke keer dat de Gemeente het in deze zaak te geven verbod overtreedt.

Nadat de Gemeente tegen die vordering verweer had gevoerd en de milieuverenigingen hun eis hadden gewijzigd, heeft de President bij vonnis van 1 maart 1984 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben de milieuverenigingen hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 8 november 1984 heeft het Hof het vonnis van de President vernietigd en de milieuverenigingen niet-ontvankelijk verklaard.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben de milieuverenigingen beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft geconcludeerd tot referte.

De zaak is voor de milieuverenigingen bepleit door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De milieuverenigingen hebben in kort geding gevorderd dat de Gemeente zal worden veroordeeld — kort samengevat — het storten van bagger afkomstig uit de Amsterdamse grachten in de Nieuwe Meer te staken zolang de vereiste vergunningen niet zijn afgegeven, althans dit storten ten dele of tijdelijk te staken. Deze vorderingen hebben de milieuverenigingen onder meer hierop gegrond dat de Gemeente voor dit storten geen vergunning heeft krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en dat de Gemeente door te handelen als zij doet schade toebrengt aan de belangen die de milieuverenigingen blijkens hun doelomschrijvingen, die in de dagvaarding zijn weergegeven, beogen te behartigen.

Nadat de President de vorderingen van de milieuverenigingen op andere gronden had afgewezen, heeft het Hof, beslissend op het door hen ingestelde hoger beroep, ambtshalve de milieuverenigingen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard. Dit oordeel heeft het Hof hierop gegrond — kort samengevat — dat de milieuverenigingen niet enig concreet eigen belang hebben gesteld dat zou zijn aangetast, en een zodanig belang ook anderszins niet aannemelijk is geworden, terwijl de omstandigheid dat de milieuverenigingen zich door middel van hun statutaire doelstellingen de behartiging van de aldaar omschreven (algemene) belangen aantrekken, nog niet meebrengt dat deze belangen daardoor hun eigen belang geworden zijn en de gestelde aantasting van die belangen door de Gemeente jegens hun onrechtmatig zou zijn, zodat hun te dier zake rechtsingang zou toekomen.

Tegen deze beslissing richt zich het middel.

3.2 Het middel treft doel. Uitgangspunt dient weliswaar te zijn dat de enkele doelomschrijving van een rechtspersoon deze nog niet bevoegd maakt om ter zake van aantasting van de belangen waarvan zij blijkens die omschrijving de behartiging op zich heeft genomen, bij de burgerlijke rechter een vordering in te stellen, maar uitzonderingen daarop zijn denkbaar. Een zodanige uitzondering doet zich hier voor.

In de eerste plaats lenen de belangen die bij een vordering als de onderhavige — in wezen strekkende tot het verkrijgen van een verbod tot verdere aantasting van het milieu — betrokken zijn zich tot een ‘’bundeling’’ als door het optreden in rechte van de milieuverenigingen is tot stand gebracht; bij gebreke van de mogelijkheid van een zodanige bundeling zou integendeel een efficiënte rechtsbescherming tegen een dreigende aantasting van deze belangen — die in de regel grote groepen burgers te zamen raken, terwijl de gevolgen van een eventuele aantasting ten aanzien van ieder van die burgers zich vaak moeilijk laten voorzien — niet onaanzienlijk kunnen worden bemoeilijkt.

Daarbij verdient nog de opmerking dat — anders dan het Hof kennelijk heeft aangenomen de hier gebundelde belangen behoren tot de soort die valt onder de bescherming die art. 1401 BW bedoelt te bieden; zulks geldt mede voor het in de onderhavige zaak meespelende belang om niet door zonder vergunning uitgevoerde gedragingen, als door de milieuverenigingen aan de Gemeente verweten, de hieronder nog aan de orde komende mogelijkheid te verliezen om in een vergunningsprocedure krachtens de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne met gebruikmaking van de daarbij gegeven waarborgen tijdig voor de voormelde belangen op te komen.

In de tweede plaats is van betekenis dat in de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, die van toepassing is op vergunningen aan te vragen krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, voor wat betreft de bevoegdheid tot bezwaar en beroep niet alleen is bepaald dat deze in beginsel toekomt aan ‘’een ieder’’ (zij het dat het beroep is beperkt tot degenen die reeds bezwaar hadden aangetekend of daartoe niet in staat waren), maar ook uitdrukkelijk is aangegeven (art. 79) dat ‘’ten aanzien van privaatrechtelijke organisaties de belangen met het oog waarop zij in het leven zijn geroepen, als hun belangen beschouwd’’ worden. Met deze — mede in het licht van de parlementaire geschiedenis van die wet voorbehoudloze — toelating van verenigingen als de onderhavige in de administratieve fase, waar het gaat om inspraak ter zake van de vergunning, is niet te verenigen dat niet door dezelfde verenigingen in kort geding zou kunnen worden opgekomen tegen gedragingen, waarvan zij menen dat deze ten onrechte zonder vergunning plaatsvinden en die in beginsel tot aantasting kunnen leiden van de belangen waarvoor de vereniging blijkens haar doelomschrijving opkomt. Dit brengt tevens mee dat het niet op zijn plaats zou zijn om in een geval als het onderhavige nadere eisen voor de ontvankelijkheid te stellen, zoals bijv. ter zake van representativiteit of feitelijke werkzaamheden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 november 1984;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

reserveert de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;

begroot deze kosten tot op deze uitspraak aan de zijde van de milieuverenigingen op ƒ. 524,-- aan verschotten en ƒ 2.000,--, voor salaris en aan de zijde van de Gemeente op ƒ. 456,30 aan verschotten en ƒ. 500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren Mrs. Snijders, als voorzitter, De Groot, Hermans, Bloembergen en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 27 juni 1986.