Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1985:AG4960

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-1985
Datum publicatie
29-07-2019
Zaaknummer
6582 rek.nr
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1985:AG4960
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval te wijten aan schending norm door werkgever die ertoe strekt werknemer tegen gevaar van letsel te beschermen. Art. 1614x lid 1 BW Ned. Antillen (vgl. art. 1638x (oud) BW). Letselschade. Persoonlijke predispositie. Toerekening. Begroting van schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1986, 136 met annotatie van C.J.H. Brunner
RvdW 1985, 41
VR 1985, 108 met annotatie van Redactie
PS-Updates.nl 2019-0974
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 februari 1985

Eerste Kamer

Req. nr. 6582

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: Mr. R.J.B. Boonekamp,

PD - HR 8/2/1985,

t e g e n

CHICAGO BRIDGE & IRON COMPANY INC.,

gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika en mede kantoorhoudende op Aruba,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: Jhr. Mr. O. de Savornin Lohman.

1. Het geding in feitelijke instanties

Op 4 juni 1981 heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen [verzoeker] - zich gewend tot de Rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Aruba, en gevorderd verweerster in cassatie - verder te noemen Chicago Bridge - te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen geldbedragen van f 78.451,20 en f 10.000,--.

Nadat Chicago Bridge had nagelaten tegen die vordering verweer te voeren, heeft het Gerecht in Eerste Aanleg bij vonnis van 2 juni 1982 de vordering toegewezen.

Tegen dit vonnis heeft Chicago Bridge hoger beroep ingesteld bij het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen.

Na bij tussenvonnis van 15 februari 1983 [verzoeker] te hebben toegelaten tot bewijslevering, heeft het Hof bij eindvonnis van 21 juni 1983 het in appel bestreden vonnis vernietigd en de vordering van [verzoeker] tot een bedrag van f 2.500,-- toegewezen en voor het overige alsnog afgewezen.

Beide vonnissen van het Hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindvonnis van het Hof van 21 juni 1983 heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierequest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Chicago Bridge heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1 Bij zijn in cassatie niet bestreden tussenvonnis heeft het Hof - voor zover in cassatie van belang - vastgesteld dat [verzoeker] op 10 februari 1968 als werknemer van Chicago Bridge op het raffinaderij-terrein van Lago op Aruba het slachtoffer is geworden van een bedrijfsongeval, waarbij hij is getroffen door een vallend stuk ijzer. Het Hof heeft bij dat tussenvonnis geoordeeld dat het ongeval is te wijten aan schuld van Chicago Bridge, daarin bestaande dat zij is tekort geschoten in de naleving van ingevolge art. 1614x, eerste lid, BWNA (gelijkluidend aan art. 1638x, eerste lid, BW) op haar als werkgeefster van [verzoeker] rustende verplichtingen.

[verzoeker] heeft zijn deswege op 4 juni 1981 tegen Chicago Bridge ingestelde vordering tot schadevergoeding doen steunen op de stelling dat hij als gevolg van het ongeval letsel heeft opgelopen aan zijn linkerknie, waardoor hij steeds zodanige pijn en last aan die knie heeft ondervonden en nog zal ondervinden dat hij sedert het ongeval niet meer in staat is geweest, en ook in de toekomst niet meer in staat zal zijn, door het verrichten van zijn arbeid als vakman in het levensonderhoud van hemzelf en zijn gezin te voorzien. Chicago Bridge heeft deze stelling weersproken en [verzoeker] is bij 's Hofs tussenvonnis tot bewijslevering dienaangaande toegelaten.

3.2 Het in cassatie bestreden eindvonnis moet aldus worden verstaan dat het Hof, ervan uitgaande dat [verzoeker] als gevolg van het ongeval letsel heeft opgelopen aan zijn linkerknie, waardoor hij pijn heeft geleden gedurende een periode tot omstreeks eind april 1968 (rechtsoverweging 4.7), en in het midden latende of [verzoeker]'s klachten diens arbeidsgeschiktheid nadelig hebben beïnvloed en nog zullen beïnvloeden, op grond van - onder meer - de brief van 16 april 1981 van de arts [betrokkene 1] als vaststaand heeft aangenomen dat de klachten aan [verzoeker]'s knie, voor zover daterend van na de genoemde periode, overwegend van psychische oorsprong zijn, immers hun grondslag niet meer vinden in het knieletsel zelf, maar in de omstandigheid dat de behandelende geneesheren van dat letsel ''onvoldoende notitie'' hebben genomen (rechtsoverweging 4.5), hetgeen bij [verzoeker] een psychisch trauma heeft veroorzaakt waar hij nooit bovenuit is gekomen (rechtsoverweging 4.4 onder 3); met ''onvoldoende notitie'' nemen heeft het Hof, naar de Hoge Raad begrijpt, het oog op een tekortschieten van de betrokken geneesheren met betrekking tot het onderzoeken en/of behandelen van het letsel.

De afwijzing van [verzoeker]'s vordering voor wat betreft diens van na voormelde periode daterende klachten berust op 's Hofs oordeel dat de evenbedoelde omstandigheid een zodanige is dat indien en voor zover [verzoeker] niet reeds als genezen zou kunnen worden beschouwd, ''het uitblijven van die genezing niet als gevolg van het onderwerpelijke ongeval kan worden aangemerkt'' (rechtsoverweging 4.5).

3.3 Tegen dit oordeel komt het eerste middel terecht op.

Het gaat hier om - beweerde - arbeidsongeschiktheid van een werknemer die lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van een ongeval dat te wijten is aan schending door zijn werkgever van een rechtsnorm welke - mede - ertoe strekt de werknemer tegen het gevaar van letsel te beschermen.

Indien in een zodanig geval het in de normale lijn der verwachtingen liggende herstel van de arbeidsgeschiktheid uitblijft of vertraging ondervindt als gevolg van een tekortschieten door de betrokken artsen met betrekking tot het onderzoeken en/of het behandelen van het letsel, zal het uitblijven van of de vertraging in het herstel in het algemeen als een gevolg van het ongeval aan de werkgever moeten worden toegerekend, ook wanneer, zoals het Hof te dezen kennelijk heeft aangenomen, dat medische tekortschieten slechts door en in samenhang met de - door diens persoonlijke predispositie bepaalde - psychische reactie daarop van de werknemer tot verstoring van het herstelproces heeft kunnen leiden.

Het vorenstaande zou slechts anders zijn onder bijzondere omstandigheden, bijv. indien de werknemer zou hebben nagelaten van zijn kant alles in het werk te stellen wat redelijkerwijs - mede in aanmerking genomen zijn persoonlijkheidsstructuur - van hem kan worden verlangd om tot het herstelproces bij te dragen. Dat zodanige omstandigheden zich te dezen zouden hebben voorgedaan, heeft het Hof echter niet vastgesteld.

Dit alles laat overigens onverlet dat de persoonlijke predispositie van de werknemer en de daaruit in het algemeen voortvloeiende risico's voor het ontstaan van klachten als de onderhavige wel een factor kunnen vormen waarmee rekening valt te houden bij de begroting van de schade.

3.4 Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat 's Hofs bestreden eindvonnis niet in stand kan blijven en het eerste middel voor het overige, evenmin als het tweede middel, behandeling behoeft.

Na verwijzing zal, met inachtneming van het vorenoverwogene, de zaak opnieuw moeten worden onderzocht, en met name worden nagegaan of de door [verzoeker] volgens zijn stellingen ondervonden en nog te ondervinden pijn en last aan zijn linkerknie: (1) daadwerkelijk tot zijn - gehele of gedeeltelijke - arbeidsongeschiktheid hebben geleid en nog zullen leiden, en zo ja, hoeveel de door [verzoeker] deswege geleden en nog te lijden schade bedraagt, en (2) toekenning van smartegeld vanaf eind april 1968 rechtvaardigen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt 's Hofs eindvonnis van 21 juni 1983;

verwijst de zaak naar het Hof ter verdere behandeling en ter beslissing;

veroordeelt Chicago Bridge in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op f 2.175,--, waarvan te betalen

1. aan de Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden de ingevolge art. 863 Rv. in debet gestelde griffierechten ten bedrage van f 75,--,

2. aan de advocaat Mr. R.J.B. Boonekamp te 's-Gravenhage: f 2.000,-- voor salaris en f 100,-- aan verschotten;

verleent [verzoeker] verlof in cassatie kosteloos te procederen.

Deze beschikking is gewezen door Mrs. Royer als voorzitter, Van den Blink, Hermans, Bloembergen en Boekman als raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 8 februari 1985.