Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1984:AG4824

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-06-1984
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
6551 rek.nr
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1984:AG4824
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Leveren werkzaamheden collectrice Staatsloterij op de uitoefening van een “kleinhandelsbedrijf” in de zin van art. 7A:1624 lid 2 BW (thans art. 7:290 BW)? Bij het beantwoorden van de vraag of in een concrete situatie sprake is van een ‘kleinhandelsbedrijf’ mag mede betekenis worden toegekend aan wat daaronder in het spraakgebruik wordt verstaan. Alleen in geval van twijfel of een bepaald bedrijf onder één van de in lid 2 genoemde categorieën valt, kan (het ontbreken van) plaatsgebondenheid uiteindelijk bepalend zijn. Werkingssfeer Huurwet niet beperkt tot verhuur van zelfstandige bedrijfsruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1985, 31 met annotatie van P.A. Stein
RvdW 1984, 115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 juni 1984
Eerste Kamer
Req.nr. 6551
AT


Hoge Raad der Nederlanden


Beschikking


in de zaak van:


Margaretha Theresia Maria BULLER-BRUINEMAN,
wonende te Zoetermeer ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: Mr. C.J.J.C. van Nispen,

PD - HR 1/6/1984,


t e g e n


DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie),
gevestigd te ‘s-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. E. Korthals Altes.

1. Het geding in feitelijke instanties

Op 5 juli 1982 heeft verzoekster tot cassatie – Buller – zich gewend tot de Kantonrechter te ’s-Gravenhage met het verzoek voor recht te verklaren, dat de door haar van verweerder in cassatie – hierna te noemen de P.T.T. – gehuurde loketruimte in het postkantoor aan de Leyweg 1094 te ’s-Gravenhage is bedrijfsruimte in de zin van de artt. 1624 e.v. BW subsidiair (indien rechtens vereist) de termijn van de tegen 1 juli 1982 aangezegde ontruiming te verlengen, met vaststelling van de huurprijs.

Nadat de P.T.T. tegen dat verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 4 februari 1983, het primaire verzoek ongegrond oordelend, het subsidiaire verzoek ingewilligd en de termijn van ontruiming betreffende voormelde loketruimte verlengd tot 1 juli 1983.

Tegen deze beschikking heeft Buller hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te ’s-Gravenhage.
Bij beschikking van 17 juni 1983 heeft de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter vernietigd en Buller niet-ontvankelijk verklaard zowel in haar primaire als in haar subsidiaire verzoek.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft Buller beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierequest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De P.T.T. heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 De Rechtbank heeft geoordeeld - kort samengevat - dat de werkzaamheden van een collectrice der Staatsloterij niet opleveren de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf in de zin van art. 1624 lid 2 BW. Tegen dit oordeel richt zich middel II onder a.

De Rechtbank, die zich bij haar oordeel heeft laten leiden door de aard van die werkzaamheden en door wat in het spraakgebruik onder klein- of detailhandel wordt verstaan, heeft aldus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Slechts in geval van twijfel over de vraag of een bepaalde activiteit als uitoefening van een kleinhandelsbedrijf kan worden beschouwd, is er reden om na te gaan of de overwegingen die de wetgever ertoe hebben gebracht voor huur en verhuur van bedrijfsruimte de speciale regels van de artt. 1624 e.v. in het leven te roepen - met name de plaatsgebondenheid van het bedrijf door de lokale goodwill die karakteristiek is voor de in het tweede lid van art. 1624 genoemde bedrijven - in het gegeven geval op overeenkomstige wijze voor toepassing van de artt. 1624 e.v. pleiten, als zij dat naar het oordeel van de wetgever doen in de gevallen waarin over het karakter van het bedrijf als kleinhandelsbedrijf geen twijfel bestaat. In het onderhavige geval behoefde de Rechtbank zich daarom niet te verdiepen in de plaatsgebondenheid van het bedrijf als bedoeld in het onderdeel.

3.2 Onderdeel b van middel II voert tegen het oordeel van de Rechtbank over het primaire verzoek van Buller enkel aan, dat dit oordeel onjuist is omdat dit verzoek "redelijkerwijs niet anders kan worden opgevat dan als een verzoek om niet-ontvankelijk te worden verklaard - naar de Hoge Raad begrijpt: in het subsidiaire verzoek - op grond dat te dezen de artt. 1624 e.v. toepassing eisen". Deze klacht stuit daarop af dat de Rechtbank in het primaire verzoek van Buller een dergelijk verzoek om niet-ontvankelijk te worden verklaard nu eenmaal niet heeft gelezen, wat niet onbegrijpelijk is nu Buller haar verzoek had gesplitst in een primair en een subsidiair verzoek, elk met een eigen inhoud, en zij het subsidiaire verzoek deed onder het daarin afzonderlijk uitgedrukte voorbehoud dat de artt. 28d e.v. Huurwet waarop het steunde, toepasselijk zouden zijn, immers slechts "indien rechtens vereist".

3.3 Middel III bestrijdt in zijn eerste onderdeel, op zichzelf terecht, de opvatting van de Rechtbank dat de werkingssfeer van de Huurwet - voor zover hier van belang - ingevolge art. 1 lid 3 onder (c) is beperkt tot verhuur van zelfstandige bedrijfsruimte. Een dergelijke beperking van de werkingssfeer van de wet kan niet, zoals de Rechtbank meent, worden ontleend aan de wettelijke definitie van de term "gebouwd onroerend goed" in art. 1 lid 3 onder (c). De draagwijdte van deze definitie gaat immers niet verder dan dat zij aangeeft in welke betekenis de woorden "gebouwd onroerend goed" moeten worden verstaan zo vaak zij in de Huurwet worden gebezigd, en deze wet bevat geen bepaling waarin haar werkingssfeer wordt beperkt tot verhuur van gebouwd onroerend goed. Een niet geheel nauwkeurige formulering in de Memorie van Toelichting bij een wetswijziging van 1979 (art. 40 Huurprijzenwet woonruimte) kan daaraan niet afdoen. Juist ook uit de artt. 28a e.v. blijkt dat de bepalingen van de Huurwet mede van toepassing kunnen zijn op "gedeelten" van "gebouwd onroerend goed", zonder dat van die gedeelten wordt gezegd dat die zelfstandig moeten zijn. Art. III van het Besluit liberalisatie huurbeleid VI spreekt dienovereenkomstig van "gebouwde onroerende goederen, niet zijnde woningen, of gedeelten daarvan".

Hieruit volgt dat de stelling van het tweede onderdeel van middel III onjuist is, nu door Buller niet is aangevoerd dat de op 30 juni 1971 ingevolge de Huurwet geldende huurprijs f. 100,-- of minder zou bedragen en dat om die reden de onderhavige huur niet onder art. III van het Besluit liberalisatie huurbeleid VI zou vallen, en art. 28d Huurwet er dientengevolge niet op toepasselijk zou zijn.

Uit een en ander vloeit voort dat een eventuele onzelfstandigheid van het door Buller gehuurde niet in de weg staat aan toepassing van art. 28d. Hieruit volgt dat Buller , in verband met wat hierna omtrent het eerste middel zal worden overwogen, bij het eerste onderdeel van middel III geen belang heeft, en dat zulks ook geldt voor haar klacht in het derde onderdeel, welke zich richt tegen het oordeel van de Rechtbank dat het door Buller gehuurde niet als zelfstandige bedrijfsruimte kan worden aangemerkt.

3.4 Het eerste middel klaagt erover dat de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter, in zover daarbij de ontruimingstermijn met één jaar was verlengd, ambtshalve heeft vernietigd. Deze klacht is gegrond. Het stond de Rechtbank als appelrechter niet vrij, vorenbedoelde beschikking van de Kantonrechter "ambtshalve" te vernietigen zoals zij heeft gedaan, dus zonder dat naar het oordeel van de Rechtbank een van beide partijen deze vernietiging in appel had gevraagd.

De gegrondheid van het middel kan echter niet tot cassatie leiden, omdat Buller bij vernietiging uit dien hoofde geen belang heeft, nu de door de Kantonrechter gestelde termijn voor ontruiming is verlopen en geen verzoek tot verlenging aanhangig is of nog gedaan zou kunnen worden. Ook zou vernietiging in redelijkheid niet tot een andere veroordeling in de in beide feitelijke instanties gecompenseerde kosten van het geding kunnen leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gewezen door de vice-president Drion als voorzitter en de raadsheren Snijders, Royer, Martens en Van den Blink, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 1 juni 1984.