Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1984:AC8252

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-01-1984
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
76.275
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aanslag op Turkse consul te Rotterdam in 1982. 1. Bedreiging tegen het leven gericht, art. 285 Sr. 2. Art. 284 Sr lex specialis art. 285 Sr? Ad 1. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld - en ook kunnen oordelen -, dat in de weergegeven f&o besloten ligt dat de bedreiging is geschied onder zodanige omstandigheden, (a) dat bij de inzittenden van de politieauto de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen; (b) dat de wil van de verdachte op het teweegbrengen van zulk een indruk gericht was, en (c) dat de inzittenden van die politieauto kennis hebben gedragen van die bedreiging, zodat mitsdien bewezen kon worden verklaard dat de verdachte de inzittenden van de vermelde auto “heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht”. Ad 2. De opvatting dat art. 284 Sr een bijzondere strafbepaling is t.o.v. art. 285 Sr. vindt geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1984, 479
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 januari 1984

Strafkamer

nr. 76.275

IH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 maart 1983 alsmede tegen de op de terechtzitting van dit Hof genomen beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, ten tijde van de bestreden uitspraak verblijvende in het Huis van Bewaring te 's-Gravenhage.

1. De bestreden einduitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 6 november 1982 - de inleidende dagvaarding voor wat betreft het aan verdachte onder IV tenlastegelegde nietig verklaard en de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder III primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van "medeplegen van poging tot moord", meermalen gepleegd en "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven", meermalen gepleegd, veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf.

2. Het cassatieberoep
Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gedeeltelijke nietigverklaring van de inleidende dagvaarding, en de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. A.M.M. Orie, advocaat te 's-Gravenhage, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:

Middel I

  1. Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 285 van het Wetboek van Strafrecht, 350, 358, 359 en 415 van het Wetboek van Strafvordering geschonden en wel op grond van het navolgende.

  2. Het Hof heeft het namens rekwirant voorgedragen verweer, dat het schieten in iemands richting slechts onder - in casu niet vervulde - omstandigheden een bedreiging oplevert, ten onrechte verworpen. Nu de verwerping geen nadrukkelijke is en bovendien ongemotiveerd, is het arrest in dit opzicht in ieder geval niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

  3. Toelichting.
    De inrichting van de telastelegging bestempelt het gevoerde verweer (pleitnota Hof nos. 18–22) tot een bewijsverweer. Toch impliceert weerlegging van het verweer de beantwoording van een kwalificatievraag: past op het feitelijke substraat van de telastelegging (na "hebbende hij") de kwalificatie bedreiging. In het licht van de verwijzingen haar literatuur en jurisprudentie had het Hof nadrukkelijk moeten motiveren welke feitelijke omstandigheden de bewezenverklaring dragen van het sterk kwalificatief gekleurde deel van de telastelegging, luidende: "bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht". Requirant verwijst naar uw arrest van 16.2.1982, NJ 1982, 411.

Middel II

  1. Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 55, 284, 285 van het Wetboek van Strafrecht, 350, 358, 359 en 415 van het Wetboek van Strafvordering geschonden en wel op grond van het navolgende.

  2. Het Hof heeft het sub 3 subsidiair telastegelegde feit gekwalificeerd als bedreiging en aldus ten onrechte verdachtes uitdrukkelijk voorgedragen verweer, (pleitnota Hof nr. 20) slechts de gepriviligieerde specialis van art. 284 Sr. toepassing had kunnen vinden, verworpen. In ieder geval heeft het Hof niet nadrukkelijk en gemotiveerd beslist op dit verweer, dat een beroep op een strafverminderingsgrond inhoudt. Het arrest is in dit opzicht dan ook niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4. Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

"dat hij (ad I) te Rotterdam op 21 juli 1982 ter uitvoering van zijn voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen de consul-generaal van Turkije te Rotterdam (genaamd [slachtoffer]) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en handelend ter uitvoering van een tevoren opgevat plan en genomen besluit op 29 juli 1982 een auto, welke in dat plan als vluchtauto zou dienen, heeft geplaatst op de Westersingel, in welke auto te gebruiken vuurwapens aanwezig waren en zich op 21 juli 1982 heeft begeven naar de Westersingel, alwaar hij, verdachte, zijn mededaders trof en alwaar hij, verdachte, zichzelf voorzag en zijn mededaders zich voorzagen van vuurwapens en aldus bewapend hebben afgewacht de komst van een auto, waarin gezeten zou zijn voornoemde consul-generaal, en alwaar een van zijn mededaders bij de komst van die auto ter plaatse vervolgens meerdere malen met een van die vuurwapens heeft geschoten van nabij op die personenauto, waarin die consul-generaal was gezeten, zijnde de verdere uitvoering van dat voornemen en dat misdrijf niet voltooid uitsluitend tengevolge van de van zijn, verdachtes wil en de wil van een of meer mededaders onafhankelijke omstandigheden dat de kogels uit dat vuurwapen werden tegengehouden door de bepantsering en carrosserie van die auto en hun doel misten en dat die meerbedoelde auto zich met hoge snelheid verwijderde;
(ad II) te Rotterdam op 21 juli 1982 ter uitvoering van zijn voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen de bestuurder van een auto, waarmede de consul-generaal van Turkije te Rotterdam (genaamd [slachtoffer]) placht te worden of werd vervoerd, opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en handelend ter uitvoering van een tevoren opgevat plan en genomen besluit (behelzende een aanslag op die consul-generaal en daarbij - als uitvloeisel van dat plan - het doden van de bestuurder van de auto, waarmede die consul-generaal zou worden vervoerd) op 20 juli 1982 een auto, welke in dat plan als vluchtauto zou dienen, heeft geplaatst op de Westersingel, in welke auto te gebruiken vuurwapens aanwezig waren, en zich op 21 juli 1982 heeft begeven naar de Westersingel, alwaar hij, verdachte, zijn mededaders trof en alwaar hij, verdachte, zichzelf voorzag en zijn mededaders zich voorzagen van vuurwapens en aldus bewapend hebben afgewacht de komst van een auto, waarin gezeten zou zijn voornoemde consul, en alwaar een van zijn mededaders bij de komst van die auto ter plaatse vervolgens meerdere malen met een van die vuurwapens heeft geschoten van nabij op en in de richting van die bestuurder van die auto waarin voornoemde consul-generaal was gezeten, zijnde de verdere uitvoering van dat voornemen en dat misdrijf niet voltooid uitsluitend tengevolge van de van zijn, verdachtes, wil en de wil van een of meer mededaders onafhankelijke omstandigheden dat de kogels uit dat vuurwapen werden tegengehouden door de bepantsering en carrosserie van die auto en hun doel misten en dat die meerbedoelde auto zich met hoge snelheid verwijderde;
(ad III) op 21 juli 1982 in Rotterdam inzittenden van een zwarte personenauto (merk Volkswagen (V.A.G.) type Golf) heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar daartoe staande nabij de noordwestelijke hoek van de Westersingel en de Mathenesserlaan met een machinepistool van het kaliber 9 mm (van het merk MAT) meerdere schoten afgevuurd in de richting van de brug tussen de Witte de Withstraat en de Mathenesserlaan, waarop zich meergenoemde auto bevond".

4.2. De inhoud van de bewijsmiddelen – die door het Hof "elk ook in zijn onderdelen slechts gebezigd (zijn) tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft" – is vervat in de navolgende overweging van het Hof:

"Overwegende, dat het hof als bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1, 11 en III subsidiair tenlastegelegde bezigt:

- de opgave van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep voor zover zakelijk luidende:

Ik ben naar Nederland gekomen in verband met het plegen van een aanslag op de consul-generaal van Turkije te Rotterdam. Op 20 juli 1982 heb ik ter uitvoering van dat plan een auto, merk Volkswagen, type K 70, opgehaald in Scheveningen. Deze auto heb ik die dag geplaatst te Rotterdam op de Westersingel, in de omgeving van het Turkse consulaat. Dit deed ik op aanwijzing van de man, die de volgende dag de leiding zou hebben bij de aanslag op die consul. Het was de bedoeling, dat die Volkswagen zou dienen als vluchtauto na het plegen van die aanslag.

Ik wist, dat zich toen in die auto vuurwapens bevonden en dat alle wapens geladen waren. Ook wist ik, dat bij die aanslag gebruik gemaakt zou worden van in ieder geval één vuurwapen.

Op 21 juli 1982 ging ik naar die Volkswagen, die nog steeds stond op de Westersingel te Rotterdam, op de plaats waar ik de auto geparkeerd had. Ik ontmoette bij die Volkswagen drie mannen.

In die auto lag ter uitvoering van de aanslag voor elk van ons een wapen klaar. Eén van die drie mannen had de leiding. Deze leider zei tegen me, dat ik uit die Volkswagen de pistool­mitrailleur van het merk MAT moest pakken. Dit heb ik gedaan. Een ander pakte in opdracht van die leider het pistool merk COLT, dat in die Volkswagen lag. Die ander, die de Colt gepakt had, mijn medestrijder, en ik zijn daarop weggelopen in de richting van het Centraal Station te Rotterdam. Wij hadden beiden het wapen, dat wij zojuist uit die Volkswagen gepakt hadden, bij ons. Wij zijn gaan staan aan de singelzijde van de Westersingel, links gezien de richting, waarin de auto van de consul-generaal later aldaar zou rijden. Mijn medestrijder zou schieten en ik had opdracht om te schieten als dat nodig was om mijn medestrijder te beschermen. Daar hebben we toen samen bijna een uur gewacht op de consul-generaal. Ik wist, dat die consul-generaal gereden zou worden in een groene Peugeot. Toen mijn medestrijder tegen me zei, dat de Peugeot met de consul-generaal eraan kwam, knielde ik op de grond om de MAT uit de tas, die ik bij mij had, te halen. Ik zag dat mijn medestrijder op de groene Peugeot schoot toen deze hem tot op 1 meter genaderd was. Hij schoot meerdere malen met zijn Colt.

Die Peugeot is vervolgens doorgereden. Ik ben toen naar onze vluchtauto gerend. Later heb ik staande naast onze auto, nabij noordwestelijke hoek van de Westersingel en de Mathenesserlaan te Rotterdam, met mijn machinepistool van het merk MAT een vuurstoot in de richting van de brug gegeven. Vervolgens ben ik rechts-achter in onze auto gaan zitten. Ik had eerder op die brug een personenauto gezien.

- een proces-verbaal van verhoor van getuigen, opgemaakt door mr. W. van Veen, Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam, op 29 september 1982, voor zover dat - zakelijk weergegeven – inhoudt als de op die dag aan de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring van een hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Rotterdam:

Ik heb onder nummer 3223 op 21 juli 1982 proces-verbaal opgemaakt ter zake van een aanslag op de Turkse consul-generaal te Rotterdam.

Ik was als commandant van een ploeg van vijf man op 21 juli 1982 belast met het transport en de beveiliging van het transport van de Turkse consul te Rotterdam.

Toen de gepantserde Peugeot, waarin de Turkse consul rechts achterin zat, op 21 juli 1982 op de Westersingel te Rotterdam - gezien de rijrichting van die Peugeot - van links was beschoten, zag ik aan de rechterzijde van de Westersingel op de rijbaan ongeveer bij het begin van het hek van de kerk, die is gelegen op de hoek van de Westersingel en de Mathenesserlaan, een man met een vuistvuurwapen in de hand. Op dat moment bevond de Peugeot zich ter hoogte van die man. Ik zag toen, dat die man met de arm, waarmee hij het vuistvuurwapen vasthield, pompende bewegingen maakte alsof hij schoot. Hij deed dat, terwijl de Peugeot voortreed, korte tijd rennend achter de Peugeot, en daarbij richtend op de Peugeot. Dat speelde zich af aan de zijde van de Peugeot, waar de consul achterin was gezeten. De man kon de Peugeot niet bijhouden en zwaaide, naar ik zag, af.

- een proces-verbaal van verhoor van getuigen, opgemaakt op 1 oktober 1982 door voornoemde Rechter-Commissaris, voor zover dat - zakelijk veergegeven - inhoudt als de op die dag aan de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring van een hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Rotterdam:

Ik heb onder nummer 1331 op 2l juli 1982 een proces-verbaal opgemaakt ter zake van een gewapende aanslag op de Turkse consul­generaal te Rotterdam.

Ik was als bestuurder van een dienstauto, merk Peugeot, belast met het transport van de Turkse consul van zijn woning naar het Turkse consulaat te Rotterdam. Op 21 juli 1982 reed ik aldus, met mijn passagier de Turkse consul-generaal, vanaf de Westblaak naar links de Westersingel op. Toen de Peugeot met een snelheid van ongeveer 20 à 30 km/u op de Westersingel reed, hoorde ik plotse1ing schuin links vóór mij een behoorlijke klap op de auto.

Nog voor ik mij realiseerde wat dat zou kunnen betekenen, hoorde ik nog ongeveer drie klappen en zag ik dat de ruit van het linkervoorportier, vlak naast mij, werd verbrijzeld. Onmiddellijk na de klappen gaf ik plankgas en merkte ik, dat de Peugeot aanzienlijk snelheid vermeerderde.

Nadat ik bij het hoofdbureau van politie was gearriveerd, keek ik naar de door mij bestuurde Peugeot en zag ik het volgende:

- de linkervoorband was lek;

- onder de voorruit zag ik een ovaalvormig langwerpig gat in de carrosserie;

- in de voorruit, gezien vanaf de bestuurderszitplaats, linksbeneden een gat met een moet in het pantserglas. De voorruit was stuk, maar het pantserglas niet;

- een klein rond gat in de ruit van het linkervoorportier. Het was precies ter hoogte van mijn hoofd gezien vanuit mijn positie als chauffeur. Het pantserglas was niet beschadigd, maar het gewone glas was versplinterd.

- een ambtsedig proces-verbaal nr. 54/1982, gesloten en getekend op 23 juli 1982, en opgemaakt door [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], respectievelijk brigadier-rechercheur en technisch opsporingsambtenaren B van gemeentepolitie te Rotterdam, voor zover dat - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:

Op 21 ju1i 982 stelde ik uit een personenauto, van het merk Volkswagen, type K 70, een geladen pistool van het merk Zulaica, kaliber 7,65 millimeter, een leeggevuurd pistool van het merk Colt, kaliber .45, voorzien van het serienummer [001], een geladen pistoolmitrailleur, merk HAT, kaliber 9 millimeter Parabellum, voorzien van het serienummer [002] alsmede een geladen pistoolmitrailleur "United defense supply corporation", kaliber 9 millimeter Parabellum, voorzien van de nummers [003] en [004], veilig.

- een ambtsedig proces-verbaal 54 A/1982, gesloten en getekend op 25 juli 1982, en opgemaakt door [verbalisant 1] voornoemd en [verbalisant 4], technisch opsporingsambtenaar B van gemeentepolitie te Rotterdam, voor zover dat - zakelijk weergegeven - inhoudt als hun relaas:

Op 23 juli 1982 ontvingen wij uit handen van [verbalisant 2], technisch opsporingsambtenaar B van gemeentepolitie, een in het dashboard van de politieauto, merk Peugeot, gekentekend [AA-00-BB], aangetroffen gedeformeerd mantelprojectiel van het kaliber .45, en een in het linkervoorwiel van genoemde politieauto aangetroffen gedeformeerd mantelprojectiel van het kaliber .45.

Op 24 juli l982 ontvingen wij uit handen van politiepersoneel, een door garagepersoneel uit het linkervoorportier van de politieauto, merk Peugeot, gekentekend [AA-00-BB], verwijderde mantel alsmede een loden kern van een afgevuurd projectiel van het kaliber .45.

Verder waren reeds door mij, verbalisant [verbalisant 1], op 21 juli l982 voor onderzoek veiliggesteld:

- het in de tuin van pand 88 aan de Westersingel te Rotterdam aangetroffen gedeformeerde mantelprojectiel van het kaliber .45;

- acht op de Westersingel te Rotterdam aangetroffen afgevuurde patroonhulzen van het kaliber .45.

Voor het instellen van een vergelijkend krassporenonderzoek vuurden wij met de pistolen van de merken Zulaica en Colt, alsmede met beide pistoolmitrailleurs, een aantal projectielen af.

Gezien de verkregen aansluitingen tussen de krassporenbeelden, aanwezig op voornoemde projectielen van het kaliber .45, die werden aangetroffen in dashboard, in linkervoorwiel en in linker voorportier van de politieauto, merk Peugeot, gekentekend [AA-00-BB], alsmede gevonden in tuin pand 88 Westersingel en de krassporenbeelden, aanwezig op de proefprojectielen staat vast, dat dit eerstgenoemde projectielen afgevuurd zijn met het pistool van het merk Colt, voorzien van het serienummer [001].

Gezien de verkregen aansluitingen tussen de krassporenbeelden, aanwezig op voornoemde patroonhulzen, kaliber .45, aangetroffen op de Westersingel en de krassporenbeelden, aanwezig op de proefhulzen, staat vast dat de eerstgenoemde hulzen afgevuurd zijn met het pistool van het merk Colt, kaliber .45, voorzien van het serienummer [001].

- een geschrift, zijnde een ambtsedig proces-verbaal als bijlage G bij het moederproces-verbaal nr. 21/1982, gesloten en getekend op 21 juli 1982, en opgemaakt door [verbalisant 5] en [verbalisant 6], respectievelijk brigadier- en hoofdagent rechercheur van gemeentepolitie te Rotterdam, voor zover dat inhoudt als de op die dag aan verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Ik ben sedert augustus 1978 consul-generaal van Turkije te Rotterdam.

- een proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 31 augustus 1981, door mr. N.P. Muusse, Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam, voor zover dat inhoudt - zakelijk weergegeven - als de op die dag aan de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring van verdachte:

Ik heb op 21 juli 1982 te Rotterdam, na de aanslag op de Turkse consul, een salvo schoten gelast om te voorkomen dat mensen bij onze auto zouden komen. Dit salvo was bedoeld ter bescherming van de hele groep en van mijzelf.

- een proces-verbaal van verhoor van getuigen, opgemaakt op 29 september 1981 door mr. Van Veen voornoemd, voorzover dat inhoudt - zakelijk weergegeven -

1. als de op die dag afgelegde verklaring van een hoofdagent van gemeentepolitie te Rotterdam:

Toen ik mij op 21 juli 1982 tezamen met een collega bevond in een zwarte dienstauto, merk Volkswagen (V.A.G.), type Golf, op de Witte de Withbrug te Rotterdam, na de aanslag op de Turkse consul, zag ik, dat een man de loop van een lang vuurwapen recht vooruit in de richting van onze auto gericht hield. Ik zag, dat hij dat wapen op maaghoogte met beide handen vasthield en dat hij aldus met het lange vuurwapen in de richting van onze auto richtte. Ik zag onmiddellijk daarop rookpluimen aan de voorzijde van het wapen. Ik zag, dat de man, die op ons geschoten had, via het geopende rechte achterportier van de auto, waarmee hij vluchtte, instapte.

2. als de op die dag afgelegde verklaring van [betrokkene]:

Nadat ik op 21 juli 1982 had gezien, dat er op de Westersingel te Rotterdam op een auto was geschoten, zag ik dat een man liep naar de hoek van de Mathenesserlaan en de Westersingel. Hij bleef daar staan op de stoep met zijn gezicht gekeerd in de richting van de Witte de Withbrug. Ik zag, dat hij met beide handen lang vuurwapen vast had. Ik kon ook dat vuurwapen helemaal zien. Ik zag, dat de man met het vuurwapen voor zich van links naar rechts een maaiende beweging maakte.

De man hield het wapen recht voor zich uit.

Ik zag en hoorde, dat de man met het vuurwapen schoot.

Onmiddellijk daarop rende de man terug naar de auto met het lange vuurwapen onder de linkerarm.

Ik zag, dat hij op de rechterachterplaats ging zitten.

De auto reed uit stilstand toen snel weg".

5. Ter terechtzitting gevoerd verweer

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotitie. Deze pleitnotitie houdt met betrekking tot het onder 3 subsidiair telastegelegde het volgende in:

"Telastelegging sub 3 subsidiair

18. De bedreiging ( 285 Sr) zou feitelijk hebben bestaan in het schieten op of in de richting van de Golf, danwel in het zicht baar voor de inzittenden van de Golf afvuren van de schoten.

19. Noyon nam aan dat het schieten in iemands richting op zich geen bedreiging kan opleveren. De Hoge Raad denkt daar anders over. Langemeijer en Remmelink geven aan dat de concrete omstandigheden doorslaggevend zijn voor de vraag of het schieten het voornemen uitdrukt om nogmaals te schieten. De Hoge Raad stelde de navolgende eisen (d.d.79.004).

- bedreiging onder zodanige omstandigheden dat bij de bedreigde de indruk kan worden gewekt dat inbreuk op zijn persoonlijke vrijheid wordt gemaakt.

- Wil van de dader gericht op het teweeg brengen van die indruk

- Bedreigde heeft kennis gedragen van de bedreiging.

20. Het schieten in de lucht duidt aan dat ieders persoonlijke vrijheid, behoudens wanneer bemoeienis met de schutter wordt gezocht, gerespecteerd wordt. Indien al zal kunnen worden aan genomen - quod non - dat het handelen van Evingulu zich richt te tot inzittenden van de Golf (bedreiging van anderen is niet te laste gelegd) dan nog dwingt art. 55 tot toepassing van de geprivilegiëerde specialis. De telastelegging bevat evenwel niet alle elementen van het strafbare feit van art. 284

21. De wil van de dader was niet op het teweeg brengen van de indruk, dat omstanders in hun persoonlijkheid vrijheid beknot zouden worden doch een voorgenomen doodslag zware mishandeling, gericht. Indien het hem er al·om te doen was te bewerkstelligen dat omstanders zich afzijdig zouden houden, dan gold dat niet de onopgemerkte inzittenden van de Golf. Slechts van door hem opgemerkte voetgangers kon hij vermoeden dat ze zich zouden mengen in de aanslag.

22. Essentieel voor het delict bedreiging is dat de bedreigde het tegen hen gerichte handelen als zodanig hebben ervaren. Zij hebben het handelen van Evingulu evenwel - volstrekt ten on rechte - gepercipiëerd als een rechtstreekse aanslag op hun leven. Zij misten derhalve de bewustheid aan een bedreiging te zijn onderworpen.

Conclusie:

Vrijspraak, subsidiair ontslag van rechtsvervolging".

6. Beoordeling van het eerste middel

6.1. De hierboven onder 4.2 weergegeven bewijsmiddelen houden onder meer in:

- dat de verdachte op 21 juli 1982 te Rotterdam, na de aanslag op de Turkse consul, ter bescherming van zichzelf en de andere betrokkenen bij die aanslag een salvo schoten heeft gelost om te voorkomen dat mensen bij de gereedstaande vlucht auto zouden komen;

- dat de verdachte daartoe - nadat de auto van de consul, waarop werd geschoten, was doorgereden - staande naast die vluchtauto nabij de noordwestelijke hoek van de Westersingel en de Mathenesserlaan met een machinepistool, merk MAT, kaliber 9 mm. Parabellum, in de richting van de brug heeft geschoten, waar hij tevoren een personenauto had gezien, en dat de verdachte daarna in die vluchtauto rechts achter is gaan zitten;

- dat een hoofdagent van gemeentepolitie te Rotterdam - die zich op 21 juli 1982 met een collega als inzittende bevond in een zwarte dienstauto, merk Volkswagen (V.A.G.), type Golf, op de Witte de Withbrug te Rotterdam -, zag dat een man na de aanslag op de Turkse consul de loop van een lang vuurwapen met beide handen op maaghoogte vasthoudend recht vooruit in de richting van die dienstauto gericht hield, en dat er rookpluimen aan de voorzijde van dat wapen tevoorschijn kwamen;

- dat [betrokkene] op 21 juli 1982 heeft gezien dat, nadat er op de Westersingel te Rotterdam op een auto was geschoten, een man naar de hoek van de Mathenesserlaan en de Westersingel liep, en dat die man daar staande met zijn gezicht in de richting van de Witte de Withbrug met beide handen een lang vuurwapen vasthoudend daarmede een maaiende beweging van links naar rechts maakte en met dat vuurwapen schoot, waarna die man naar een auto rende en rechts achter in die auto instapte.

6.2. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld - en ook kunnen oordelen -, dat in de onder 6.1 weergegeven feiten en omstandigheden besloten ligt, dat de bedreiging is geschied onder zodanige omstandigheden,

( a) dat bij de inzittenden van de in de bewezenverklaring onder III bedoelde politieauto de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen;

( b) dat de wil van de verdachte op het teweegbrengen van zulk een indruk gericht was, en

( c) dat de inzittenden van die politieauto kennis hebben gedragen van die bedreiging,

zodat mitsdien bewezen kon worden verklaard dat de verdachte de inzittenden van de in de bewezen verklaring onder III vermelde auto "heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht".

6.3. Nu het onder 5 weergegeven verweer, hetwelk het onder III subsidiair telastegelegde bestrijdt, zijn weerlegging vindt in de met redenen omklede bewezenverklaring - waarin besloten ligt het een hiervoren onder 6.2 is vermeld -, was het Hof niet gehouden - ook niet in het licht van de in dat verweer gedane verwijzing naar literatuur en jurisprudentie - de verwerping van dit verweer nog nader te motiveren.

6.4. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

7. Beoordeling van het tweede middel

7.1. Voor zover al het Hof het verweer, dat ten aanzien van het onder III subsidiair telastegelegde niet art. 285 Sr. maar art. 284 Sr., als "geprivilegieerde specialis", toepassing had kunnen vinden, had behoren op te vatten als een beroep op een strafverminderingsgrond in de zin van art. 358, derde lid, Sv. - blijkens de onder 5 weergegeven pleitnotitie heeft de raadsman van de verdachte aan dat verweer immers toegevoegd dat het telastegelegde niet alle elementen van art. 284 Sr. bevat - , dan behoeft de omstandigheid dat het Hof heeft nagelaten ingevolge art. 359, tweede lid, Sv. op dit verweer een met redenen omklede beslissing te geven niet tot cassatie te leiden.

7.2. Immers, de opvatting dat art. 284 Sr. een bijzondere strafbepaling is ten opzichte van art. 285 Sr. vindt geen steun in het recht.

7.3. Derhalve vordert het belang van de verdachte, dat hem uitdrukkelijk wordt uiteengezet waarom het hierbedoelde verweer niet wordt aanvaard, niet meer dat het bestreden arrest wegens bedoeld verzuim zou worden vernietigd.

7.4. Het middel is derhalve vruchteloos opgeworpen.

8. Slotsom

Nu geen van beide middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook een grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

9. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer Van der Ven als voorzitter en de raadsheren De Waard, Hermans, Jeukens en Haak, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 17 januari 1984.