Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1983:AG4662

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-1983
Datum publicatie
14-08-2019
Zaaknummer
6161 rek.nr
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1983:AG4662
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Fietsenstalling en art. 7A:1624 BW (thans art. 7:290 BW).

Fietsenstalling betreft in dit geval geen bedrijfsruimte in de zin van art. 7a:1624 BW nu niet is voldaan aan de in het artikel gestelde eis dat de ruimte “krachtens overeenkomst van huur en verhuur is bestemd voor” de uitoefening van een kleinhandels-of ambachtsbedrijf. Samenhang met andere bedrijfsruimte kan ertoe leiden dat de art. 7a:1624 BW ev (thans 7:290 e.v.) wel van toepassing zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1984, 253 met annotatie van P.A. Stein
RvdW 1983, 169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 oktober 1983

Eerste Kamer

Req.nr. 6161

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. [verzoeker 1] ,

2. [verzoeker 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: Mr. J. Groen,

t e g e n

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: Mr. P.A. Wackie Eijsten,

PD - Kt 30/3/1981.

1. Het geding in feitelijke instanties.

Op 23 februari 1981 heeft [verweerder] zich gewend tot de Kantonrechter te Amsterdam met het verzoek de opzegging van de huur van de in het verzoekschrift bedoelde bedrijfsruimte aan de [a-straat 1] te [woonplaats] door [verzoekers] tegen 1 april 1981 nietig te verklaren, waarbij [verweerder] zich op het standpunt heeft gesteld dat het hier gaat om bedrijfsruimte in de zin van art. 1624 BW. [verweerder] heeft vervolgens bij verzoekschrift van 29 mei 1981, voor het geval het niet om zodanige bedrijfsruimte zou gaan, de Kantonrechter verzocht de termijn, waarin de verplichting van verzoeker om na opzegging van de huur het onroerend goed [a-straat 1] te [woonplaats] te ontruimen, geschorst is, te verlengen tot één jaar, dat wil zeggen tot 1 april 1982.

Nadat [verzoekers] tegen die verzoeken verweer hadden gevoerd, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 13 juli 1981 het verzochte afgewezen, en verstaan dat de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de bedrijfsruimte (met bedrijfswoning) aan de [a-straat 1] te [woonplaats] van rechtswege is verlengd, ingaande 1 april 1981, met 5 jaren.

Tegen deze beschikking heeft [verzoekers] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam.

Bij beschikking van 19 mei 1982 heeft de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie.

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierequest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel.

Uit de bestreden beschikking blijkt dat [verzoekers] aan [verweerder] een ruimte met bijbehorende woning hebben verhuurd, waarvan [verzoekers] hebben gesteld dat zij uitsluitend wordt gebruikt als fietsenstalling en ook uitsluitend als zodanig is verhuurd, zoals in het oorspronkelijke huurcontract ook juist was vermeld, terwijl volgens hen in het huidige contract wel het woord "handel" is opgenomen, doch uitsluitend als een gevolg van een vergissing. De Rechtbank heeft deze stelling gepasseerd op de gronden: dat [verweerder] aan de overzijde van de straat een rijwiel- en bromfietshandel met reparatie-inrichting uitoefent, en in verband daarmee de onderhavige ruimte heeft gehuurd; dat het verschaffen van stallingsgelegenheid, indien daartoe de mogelijkheid bestaat, een zeker in de stad gewaardeerd onderdeel is van het dienstenpakket dat een rijwiel/bromfietshandelaar-reparateur zijn klanten kan aanbieden; dat een onder die omstandigheden geëxploiteerde rijwiel- en bromfietsenstalling geacht moet worden deel uit te maken van het door [verweerder] gevoerde kleinhandels- en ambachtsbedrijf, zodat de daarvoor bestemde ruimte voor de uitoefening van dit bedrijf van [verweerder] is bestemd, ongeacht of in deze ruimte zelf ook goederen worden geleverd en/of reparaties verricht en ongeacht het feit dat [verweerder] die ruimten niet van [verzoekers] , doch van anderen heeft gehuurd.

Tegen deze beslissing keert het middel zich terecht. Uit de feiten waarvan de Rechtbank blijkens het voorgaande is uitgegaan, vloeit niet voort dat is voldaan aan de in art. 1624 BW gestelde eis dat de onderhavige ruimte "krachtens overeenkomst van huur en verhuur is bestemd voor" de uitoefening van een kleinhandels- of ambachtsbedrijf. Daartoe is in een geval als het onderhavige nodig dat de huurovereenkomst insluit dat de verhuurder ermee ingestemd heeft dat de verhuurde ruimte wordt bestemd om te zamen met de andere door de huurder gebezigde ruimten als bedrijfsruimte te worden gebruikt. Een zodanige instemming kan eventueel worden afgeleid uit het feit dat de aard van de verhuurde ruimte meebrengt dat zij niet dan als een onderdeel van de gehele door de huurder geëxploiteerde bedrijfsruimte kan worden gezien. De Rechtbank heeft echter noch vastgesteld dat er een zodanige instemming van [verzoekers] was, noch dat het hier gaat om een ruimte van voormelde aard. De genoemde stelling van [verzoekers] is derhalve ten onrechte gepasseerd, zodat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.

4. Beslissing.

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gewezen door de vice-president Ras als voorzitter en de raadsheren Snijders, Haardt, Royer en Martens, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 14 oktober 1983.