Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1983:AG4556

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-03-1983
Datum publicatie
28-02-2020
Zaaknummer
6302
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1983:1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1983, 568
RvdW 1983, 62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 maart 1983

Eerste Kamer

Req.nr. 6302

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: Mr. L. van Heijningen,

PD – HR 18/3/1983,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: Mr. J.C. van Oven.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een verzoekschrift van 25 augustus 1982 heeft verweerder in cassatie, [verweerder], zich gewend tot de Rechtbank te Zwolle met het verzoek verzoeker tot cassatie, [verzoeker], te verklaren in staat van faillissement.

Na behandeling in raadkamer heeft de Rechtbank bij beschikking van 29 september 1982 het verzoek afgewezen.

Tegen die beschikking heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 29 december 1982 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verzoeker] in staat van faillissement verklaard.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-request is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De zaak is voor [verweerder] bepleit door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Franx strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De aan het middel ten grondslag liggende stelling dat een schuldenaar niet kan verkeren in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen indien hij naast zijn op grond van een rechterlijke uitspraak vaststaande schuld aan de aanvrager van zijn faillissement, welke schuld hij onbetaald laat, slechts een belastingschuld heeft die voorshands niet opeisbaar is – en wel ingevolge een hem door de Ontvanger verleend uitstelsel krachtens artikel 17 van de Invorderingswet Directe Belastingen – vindt geen steun in het recht.

Bij zijn oordeel dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat [verzoeker] verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, heeft het Hof bovendien mede laten wegen dat [verzoeker] thans slechts zeer geringe inkomsten heeft uit handel in tweedehands auto’s, gedreven met incidenteel van derden geleende gelden, en is het Hof derhalve uitgegaan van het bestaan van nog meer schulden.

Ten slotte valt niet in te zien hoe het Hof door zijn oordeel als voormeld artikel 17 van voornoemde Wet zou hebben geschonden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

verleent [verzoeker] vergunning in cassatie kosteloos te procederen.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Drion als voorzitter en de raadsheren Snijders, Haardt, Royer en Van den Blink, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 18 maart 1983.