Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1982:AW9462

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-09-1982
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
21.134
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Baatbelasting; art. 237a Gemeentewet; Verordening baatbelasting; onroerend goed moet in zijn geheel door de voorzieningen zijn gebaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1982/271
V-N 1982/2024, 24 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 september 1982

nr. 21.134

DG.

Hoge Raad der Nederlanden,

Gezien het beroepschrift in cassatie van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 juli 1981 betreffende de aan [X] te [Z] voor het jaar 1979 opgelegde aanslag in de baatbelasting [c-straat] van de gemeente [Z];

Gezien de stukken;

Overwegende dat aan belanghebbende voor het jaar 1979 een aanslag in de baatbelasting [c-straat] is opgelegd, welke aanslag, na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders is gehandhaafd, waarna belanghebbende van die uitspraak in beroep is gekomen bij het Hof;

Overwegende dat in de gemeente [Z] geldt een Verordening baatbelasting [c-straat] waarvan de te dezen van belang zijnde bepalingen luiden als volgt:

‘’Artikel 1.

Aard der belasting.

Ter zake van in de [c-straat] gelegen gebouwde eigendommen, welke zijn gebaat bij het van gemeentewege aanbrengen van een sierbestrating en de daarmee verband houdende werkzaamheden, alsmede bij het van gemeentewege aanbrengen van sierverlichting en bloembakken, wordt onder de naam van ‘’baatbelasting [c-straat]'' een belasting geheven, zulks ter verkrijging van een billijke bijdrage in de daarmee gepaard gaande kosten.

Artikel 3.

Belastingplicht.

1. De belasting wordt geheven van degene, die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens zakelijk recht van een in artikel 1 bedoeld gebouwd eigendom, welke is gelegen binnen het op de bij deze verordening behorende kaart aangegeven gebied.

2. Enzovoort.

Artikel 4.

Heffingsgrondslag.

De grondslag voor de belasting als bedoeld in artikel 1 is de oppervlakte van het gebouwde eigendom met uitzondering van de voor bewoning bestemde gedeelten van dat eigendom.

Artikel 5.

Meetvoorschrift voor de oppervlakte.

1. De oppervlakte van een gebouwd eigendom wordt gesteld op de som van het aantal volle vierkante meters van de oppervlakte van elke bouwlaag, met dien verstande dat niet in aanmerking wordt genomen:

a. de oppervlakte van ruimten, die voor bewoning bestemd zijn;

b. enzovoort.'';

Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt:

‘’In de loop van 1978 is de Gemeente ertoe overgegaan om het winkelcentrum van het gedeelte van de [c-straat] gelegen tussen de [a-straat] en de [b-straat] tot voetgangersgebied in te richten. Daartoe is van gemeentewege in dat deel van de gemeente een sierbestrating aangelegd met sierverlichting en bloembakken. De zuivere inrichtingskosten van deze wijziging, zijnde ± 30% van de totale kosten worden door middel van bovengenoemde baatbelasting geheven van de zakelijk gerechtigden tot de in genoemd gebied gelegen bedrijfspanden of bedrijfsgedeelten van andere panden. Belanghebbende heeft een deel van de door hem bewoonde woning [c-straat 1] verbouwd en als assurantiekantoor ingericht. De aanslag heeft op dit gedeelte betrekking.'';

Overwegende dat het Hof het geschil aldus heeft omschreven:

‘’dat partijen verdeeld houdt het antwoord op de vraag of het bedrijfsgedeelte van belanghebbendes woning door de aangebrachte voorzieningen gebaat is en of de aanslag mitsdien terecht is opgelegd;'';

Overwegende dat het Hof omtrent de standpunten van partijen heeft vermeld:

‘’dat partijen elk haar standpunt doen steunen op hetgeen daartoe is aangevoerd in de van haar afkomstige stukken; dat belanghebbende daaraan ter zitting de in zijn pleitnota vermelde argumenten heeft toegevoegd;'';

Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:

‘’dat feitelijk vaststaat dat de Gemeente, het gedeelte van de [c-straat] waarin belanghebbende woont en waar hij zijn assurantiekantoor heeft, in de loop van 1978 tot voetgangersgebied heeft ingericht en met het oog daarop een sierbestrating heeft aangelegd en deze heeft voorzien van een sierverlichting en van bloembakken;

dat in geschil is of het bedrijfsgedeelte van belanghebbendes woning door het aanbrengen van genoemde voorzieningen gebaat is;

dat in het algemeen het inrichten van een winkelcentrum tot voetgangersgebied er toe zal leiden dat er rustiger gewinkeld zal kunnen worden, dat het bezoeken van winkels daardoor attractiever wordt en de eigenaren van deze winkels daardoor gebaat zijn;

dat de exploitant van een assurantiekantoor daarentegen er in het algemeen geen belang bij heeft dat zijn cliënten hem slechts te voet kunnen bereiken;

dat belanghebbende onder meer stelt en door Burgemeester en Wethouders niet wordt weersproken dat de door de Gemeente in het leven geroepen situatie met betrekking tot zijn assurantiekantoor de volgende nadelen heeft doen ontstaan:

de stoep naast het pand is veel steiler geworden en daardoor moeilijker begaanbaar; in tegenstelling tot voorheen blijven er na een regenbui langdurig plassen staan, hetgeen het gebruik van laarzen noodzakelijk maakt; parkeren voor het betreffende pand is verboden hetgeen een probleem oplevert voor personen, die slecht ter been zijn en dientengevolge dienen te worden opgehaald;

dat in het licht van de hiervoor genoemde feitelijke omstandigheden naar 's Hofs oordeel niet kan worden staande gehouden dat het bedrijfsgedeelte van belanghebbendes woning door de aangebrachte voorzieningen is gebaat in de zin van meergenoemde Verordening;

dat het beroep mitsdien gegrond is;'';

Overwegende dat het Hof op die gronden de uitspraak van Burgemeester en Wethouders alsmede de aanslag heeft vernietigd;

Overwegende dat Burgemeester en Wethouders in cassatie aanvoeren:

‘’De wetshistorie leert naar de mening van Burgemeester en Wethouders, dat met het ‘’gebaat zijn'' van een onroerend goed geen concrete waardevermeerdering van het object wordt bedoeld. Het gebaat zijn betekent het genieten van een bijzonder voordeel door of het in een voordeliger positie gekomen zijn van een onroerend goed als gevolg van het tot stand brengen van voorzieningen in een bepaald gebied.

Door de uitgevoerde werken zijn de in het onderhavige gebied gelegen gebouwde eigendommen zonder twijfel in een voordeliger positie gekomen. Het Hof benadrukt dit ten aanzien van als winkel in gebruik zijnde gebouwde eigendommen.

Ten onrechte heeft het Hof naar de mening van Burgemeester en Wethouders het specifieke gebruik als assurantiekantoor van het onderhavige object laten prevaleren, terwijl het begrip ‘’gebaat zijn'' zich uitsluitend op het onroerend goed richt los van de vraag of dat in alle gebruiksvormen tot een gunstiger exploitatie leidt.

Immers de gebruikswaarde van het onderhavige onroerend goed is toegenomen door de ligging thans in een modern winkelgebied, dat voorheen een min of meer kwijnend bestaan leidde.

De door het Hof overgenomen argumenten van de belanghebbende zijn naar het inzicht van Burgemeester en Wethouders niet relevant dan wel van bijkomstige betekenis, omdat zij enerzijds de onderhoudstoestand ter plekke van het gebouwde eigendom van belanghebbende betreffen en anderzijds verkeersmaatregelen laten meespelen.

Deze laatste laat het Hof voor belanghebbende zwaarder wegen dan voor de overige in het gebied gelegen gebouwde eigendommen, terwijl deze maatregelen voor het gehele gebied gelijk zijn.

Door de onderhavige uitspraak van het Hof is naar de mening van Burgemeester en Wethouders een precedent geschapen ten aanzien van de overige in het gebied gelegen gebouwde eigendommen, alsmede ten aanzien van de rechtsgelijkheid en de op dit terrein vrij constante jurisprudentie.

Het vorenstaande geeft Burgemeester en Wethouders aanleiding te stellen, dat wettelijke en andere rechtsregels zijn geschonden en beroep in cassatie kan worden ingesteld.'';

Overwegende dienaangaande en ambtshalve:

dat in artikel 273a van de gemeentewet is bepaald dat ter zake van onroerend goed dat is gebaat door voorzieningen die zijn tot stand gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur een belasting kan worden geheven;

dat deze bepaling en het daarop steunende artikel 1 van de Verordening blijkens hun tekst aldus moeten worden verstaan dat het onroerend goed – in de Verordening: het gebouwde eigendom – in zijn geheel door de voorzieningen moet zijn gebaat;

dat daaraan niet afdoet dat in artikel 4 van de Verordening als heffingsgrondslag voor de belasting is aangewezen de oppervlakte van het gebouwde eigendom met uitzondering van de voor bewoning bestemde gedeelten van dat eigendom;

dat het Hof derhalve ten onrechte zijn onderzoek heeft beperkt tot de vraag of het bedrijfsgedeelte van belanghebbendes woning door de in 's Hofs uitspraak omschreven voorzieningen is gebaat;

dat voorts het Hof heeft geoordeeld enerzijds dat de exploitant van een assurantiekantoor - anders dan eigenaren van winkels - er in het algemeen geen belang bij heeft dat zijn cliënten hem slechts te voet kunnen bereiken en anderzijds dat de door de gemeente in het leven geroepen situatie met betrekking tot belanghebbendes assurantiekantoor de in 's Hofs uitspraak omschreven nadelen heeft doen ontstaan en op grond van die oordelen heeft beslist dat het bedrijfsgedeelte van belanghebbendes woning door het aanbrengen van de voorzieningen niet is gebaat;

dat deze beslissing blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting;

dat immers voor een juiste toepassing van de Verordening niet beslissend is of de voorzieningen per saldo voordeel of nadeel voor het assurantiekantoor hebben doen ontstaan, maar of belanghebbendes gebouwd eigendom als zodanig - onafhankelijk van het gebruik dat belanghebbende daarvan maakt - door de voorzieningen is gebaat;

dat de grieven van Burgemeester en Wethouders in zoverre gegrond zijn;

Overwegende dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen;

Vernietigt de uitspraak van het Hof;

Verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.

Gedaan bij de Heren Van Dijk, Vice-President, Van Vucht, Stoffer, Bloembergen en Baardman, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de vijftiende september 1900 twee en tachtig, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Mees.