Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1981:AW9784

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-07-1981
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
20 680
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; verrekening loonbelasting en premies volksverzekeringen met aanslag in de inkomstenbelasting; uitleg begrip ‘inhouding’ van loonbelasting; nettoloonovereenkomst; werknemer te goeder trouw?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1981/306 met annotatie van Van Brunschot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 juli 1981

Nr. 20.680

DG.

De Hoge Raad der Nederlanden,

Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z ] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 30 januari 1981 betreffende de hem voor het jaar 1977 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting;

Gezien de stukken;

Overwegende dat belanghebbende, aan wie voor het jaar 1977 een aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 20.849,-- met verrekening van een bedrag van f 820,-- aan loonbelasting, na vergeefs bezwaar bij de Inspecteur van diens uitspraak in beroep is gekomen bij het Hof;

Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt:

“Belanghebbende is in het onderhavige jaar achtereenvolgens bij diverse werkgevers als voeger in dienstbetrekking geweest, onder meer bij Firma [A] te [Q] , [B] B.V. te [Q] , [C] B.V. te [R] en [D] C.V. te [S] ; het betreft hier koppelbazen en de daarop betrekking hebbende op de bij het vertoogschrift overgelegde bijlagen vermelde gegevens worden niet betwist.

Voorts heeft hij gedurende dit jaar een uitkering van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid ontvangen over de periode 17 tot 24 januari, alsmede een nabetaling over 1976.

Belanghebbende heeft in zijn aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting voor het onderhavige jaar als loon vermeld f 25.532,89

Aftrekbare kosten:
volgens het reiskostenforfait f 200,--

andere aftrekbare kosten f 800,--

f 1.000,--

f 24.532,89

inkomsten uit eigen woning (negatief) f 4.792,02

Onzuiver inkomen f 19.740,87

Aftrek wegens premies volksverzekeringen f 2.674, 75

belastbaar inkomen f 17.066,12.

De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag het belastbare inkomen berekend als volgt:

1) aangegeven belastbaar inkomen f 17.066,12

2) niet aangeven loon [E] (niet in geschil) f 1.825,12

3) daarop ingehouden premies A.O.W./A.W.W. (niet in geschil) f 206, 91 (af)

4) niet ingehouden premies A.O.W./A.W.W. op loon [A] f 325,--

[B] f 487,50

[C] f 606,07

[D] f 910,16

5) wel in aangegeven belastbaar inkomen begrepen maar bij aanslagregeling abusievelijk buiten beschouwing gelaten in 1977 terugontvangen premies A.O.W/A.W.W. f 164,-- (af) f 20.849,06.

Met de aanslag is verrekend de ingehouden loonbelasting door [E] van f 226,27, door [F] en [G] van f 450,43 en de ingehouden loonbelasting op de ziektewetuitkering van f 142, 52.

De Inspecteur heeft aangenomen dat genoemde koppelbazen geen premies volksverzekeringen ten bedrage van respectievelijk f 325,--, f 487,50, f 606,07 en f 910,16 ( of f 2.328,73) en geen loonbelasting ten bedrage van respectievelijk f 366,08, f 549,12, f 756,51 en f 1.193,83 (of f 2.865,54) hebben ingehouden op het loon van belanghebbende;”;

Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven:

dat van belanghebbende:

“dat belanghebbende, in afwijking van zijn beroepschrift, als grieven aanvoert, dat het belastbare inkomen moet worden vastgesteld op f 17.384,33 en dat loonbelasting f 3.684,76 moet worden verrekend;

dat belanghebbende ter zitting – gedeeltelijk in afwijking van zijn beroepschrift – zakelijk het volgende heeft gesteld:

Uit de bij het beroepschrift en de ter zitting overgelegde loonverklaringen en loonstrookjes blijkt dat belanghebbendes werkgevers [A] , [B] , [C] en [D] aan hun inhoudingsverplichtingen tegenover de fiscus hebben voldaan.

Belanghebbende wist niet en kon ook niet weten dat voormelde werkgevers malafide waren. Het netto-loon was niet uitzonderlijk hoog. De overgelegde loonspecificaties maken de inhoudingen van de betrokken werkgevers aannemelijk.

Belanghebbende had geen reden om te twijfelen dat loonbelasting en premies volksverzekeringen ingehouden werden.

De Inspecteur heeft te bewijzen dat belanghebbende wist, althans behoorde en kon weten dat hij bij malafide werkgevers in dienst trad. Belanghebbende was bij indiensttreding bij de betrokken werkgevers te goeder trouw.

Het belastbare inkomen moet worden vastgesteld op f 17.066,12 (aangegeven bedrag) plus f 1.618,21 (loon [E] minus ingehouden premies A.O.W./A.W.W.) minus f 1.300,-- (saldo premies sociale verzekeringen) is f 17.384,33;”;

dat van de Inspecteur:

“dat de Inspecteur heeft geconcludeerd dat de uitspraak, waarvan beroep, moet worden vernietigd en de aanslag moet worden vastgesteld op nihil;

dat de Inspecteur ter zitting zakelijk heeft aangevoerd:

Het belastbare inkomen bedraagt f 20.849,06 plus voormeld bedrag van f 164,-- minus het door belanghebbende genoemde saldo premies sociale verzekeringen ten bedrage van f 1.300,-- is f 19.713,66.

Ten aanzien van het door belanghebbende gestelde dat hij te goeder trouw handelde moet worden opgemerkt dat hij ook nog in de jaren 1978 en 1979 voor koppelbazen heeft gewerkt. Voor het overige wordt volhard bij het standpunt zoals in het vertoogschrift vermeld;”;

Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:

“dat het Hof op grond van de betrouwbaar geachte verklaringen van de Inspecteur aanneemt, dat door de voormelde werkgevers [A] , [B] , [C] en [D] ten name van belanghebbende

- geen loonbelastingkaarten over 1977 zijn ingeleverd,
- in 1977 geen premies volksverzekeringen en loonbelasting zijn afgedragen, en
- geen behoorlijke loonadministratie werd gevoerd;

dat onder deze omstandigheden een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt, dat belanghebbende aannemelijk dient te maken dat en tot welke bedragen de werkgevers in 1977 op zijn loon loonbelasting en premies volksverzekeringen hebben ingehouden;

dat hij zich daartoe beroept op de tot de gedingstukken behorende werkgeversverklaringen en loonzakjes;

dat de inhouden van deze stukken onbetrouwbaar is, omdat de werkgevers geen behoorlijke loonadministratie hadden, waarop die inhoud zou kunnen steunen;

dat belanghebbende ook niet op andere wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zijn voormelde werkgevers op zijn loon loonbelasting en premies volksverzekeringen hebben ingehouden;

dat derhalve niet is komen vast te staan dat inzake het bij [A] , [B] , [C] en [D] genoten loon enig bedrag aan premies volksverzekeringen of loonbelasting is ingehouden, zodat belanghebbendes grieven ongegrond zijn;

dat het belastbare inkomen dient te worden vastgesteld op het door de Inspecteur genoemde bedrag van f 19.713,66;

dat ingevolge artikel 64, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1977) geen aanslag wordt vastgesteld en verrekening van voorheffingen achterwege blijft, nu in het onderhavige jaar noch het belastbare inkomen, noch het gezamenlijke bedrag van de aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomsten meer dan f 39.900,-- hebben belopen, en het gezamenlijke zuivere bedrag van de niet aan inhouding van loonbelasting onderworpen bestanddelen van het onzuivere inkomen niet meer dan f 600,-- hebben belopen, terwijl niet zodanige feiten zijn gesteld dan wel komen vast te staan dat op grond van artikel 65 van genoemde wet een aanslag moet worden vastgesteld en loonbelasting moet worden verrekend;”;

Overwegende dat het Hof op deze gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft vernietigd, alsmede de aanslag met bepaling dat verrekening van voorheffingen achterwege blijft;

Overwegende dat belanghebbende in cassatie klaagt over schending van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de loonbelasting 1964, althans schending van het recht, en daartoe aanvoert:

“1. Krachtens de wet gebruikt de Minister de werkgever als inner van (loon-)belastingen. De Minister is verantwoordelijk voor zijn ambtenaren en andere handlangers, zoals in casu de werkgevers.

2. Uit het feit, dat de betrokken werkgevers geen behoorlijke loonadministratie hadden, volgt niet noodzakelijk dat de werknemers de loonspecificaties die de werkgevers hen verstrekt hebben, onbetrouwbaar moeten achten.

3. Er is noch een wettelijke noch een uit maatschappelijk fatsoen voortspruitende verplichting voor werknemers om de loonboekhouding van hun werkgever te controleren.

Integendeel, desgevraagd zal een werkgever in Nederland inzage in de loonadministratie aan de werknemer weigeren, ten einde kennisname van de lonen van andere werknemers te voorkomen. Want loon is een heilig geheim van het Nederlandse bedrijfsleven.

4. De te dezen overgelegde loonstrookjes, loonzakjes en jaaropgaven zijn noch in zich zelf noch met elkaar tegenstrijdig.

Deze gedingstukken behoeven bij de normale werknemer geen achterdocht te wekken althans verdacht te zijn.”;

Overwegende dienaangaande:

dat ingevolge de artikelen 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en 63 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 met de aanslag in de inkomstenbelasting wordt verrekend de geheven loonbelasting;

dat ingevolge artikel 27, lid 1, in verbinding met artikel 1 van de Wet op de loonbelasting 1964 loonbelasting van de werknemer wordt geheven door inhouding op het loon;

dat onder “inhouding” in dit verband moet worden verstaan het van een bepaald overeengekomen bruto-bedrag van het loon afzonderen van de later op aangifte af te dragen loonbelasting;

dat indien een netto-loon is overeengekomen in die zin dat de werkgever zich heeft verplicht de loonbelasting voor zijn rekening te nemen, de “inhouding” plaatsvindt doordat de werkgever uit eigen middelen een bedrag afzondert voor de later op aangifte af te dragen loonbelasting;

dat het geval dat de werkgevers niet voldoet aan zijn verplichting tot inhouding van loonbelasting en de werknemer te dien aanzien te goeder trouw is- dat wil zeggen: meende en ook bij inachtneming van de door hem, gelet op de omstandigheden, te betrachten zorgvuldigheid redelijkerwijze mocht menen dat de werkgever aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen – in zoverre moet worden gelijkgesteld met de gevallen waarin werkelijk loonbelasting is ingehouden, dat de – in feite niet ingehouden – loonbelasting mag worden verrekend met de aanslag in de inkomstenbelasting;

dat het immers redelijker is dat het risico dat de werkgever zijn verplichtingen veronachtzaamt ten laste van de fiscus komt dan dat het wordt gebracht ten laste van een werknemer die te goeder trouw is;

dat het hiervóór aangaande de inhouding van loonbelasting overwogene van overeenkomstige toepassing is op de inhouding van premies volksverzekeringen in verband met de aftrek daarvan als persoonlijke verplichting;

dat belanghebbende blijkens ’s Hofs uitspraak voor het Hof heeft gesteld dat hij niet wist en ook niet kon weten dat zijn werkgevers [A] , [B] , [C] en [D] malafide waren, dat het door hem bij deze werkgevers verdiende netto-loon niet uitzonderlijk hoog was en dat hij geen reden had om eraan te twijfelen dat loonbelasting en premies volksverzekeringen ingehouden werden;

dat belanghebbende aldus heeft gesteld dat zich hier voordoet het bovenbedoelde geval waarin de werknemer te goeder trouw is;

dat de Inspecteur voor het Hof deze stelling heeft betwist;

dat het Hof, nu naar zijn oordeel niet is komen vast te staan dat in feite inhouding van loonbelasting en premies door de betrokken werkgevers heeft plaatsgevonden, nog diende te onderzoeken of belanghebbende te goeder trouw was in bovenbedoelde zin;

dat het Hof, door zulks na te laten, zijn uitspraak niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed;

dat belanghebbendes grieven mitsdien in zoverre doel treffen en voor het overige geen behandeling meer behoeven;

Vernietigt de uitspraak van het Hof;

Verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.

Gedaan bij de Heren van Dijk, Vice-President, Van Vucht, Van der Vorm, Stoffer en Bloembergen, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de twee en twintigste juli 1900 een en tachtig, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Mees.