Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1981:AW9782

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-07-1981
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
20 547
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; verrekening loonbelasting en premies volksverzekeringen met aanslag in de inkomstenbelasting; uitleg begrip ‘inhouding’ van loonbelasting; nettoloonovereenkomst; werknemer te goeder trouw?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1981/305 met annotatie van Van Brunschot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 juli 1981.

Nr. 20.547

DG.

De Hoge Raad der Nederlanden,

Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 8 oktober 1980 betreffende de hem voor het jaar 1977 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting;

Gehoord belanghebbende bij monde van mr. P.J. Trijzelaar, advocaat bij de Hoge Raad;

Gezien de stukken;

Overwegende dat belanghebbende aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1977 is aangeslagen naar een belastbaar inkomen van f 22.921,-- op een bedrag aan – na verrekening van f 3.685,-- loonbelasting – terug te ontvangen belasting van f 823,--; dat hem vervolgens de onderwerpelijke aanslag tot navordering is opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f 23.825,-- op een na verrekening van 2.636,-- loonbelasting – bedrag aan te belasting van f 1.299,--; dat belanghebbende van de navorderingsaanslag in beroep is gekomen bij het Hof;

Overwegende dat het Hof omtrent de omvang van het geschil heeft vermeld:

“dat belanghebbende – in afwijking van het in zijn beroepschrift gestelde, ter zitting – nog als enige grief heeft aangevoerd, dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd;

dat de Inspecteur – in afwijking van het in zijn vertoogschrift gestelde – heeft geconcludeerd tot vermindering van de navorderingsaanslag tot een te betalen bedrag van f 823,--; “;

Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt:

“Belanghebbende, die geboren is in 1943, is in het onderhavige jaar als stucadoor in dienstbetrekking geweest bij de in zijn aangiftebiljet genoemde werkgevers gedurende de daar vermelde perioden.

Hiervan is [A] B.V. te [Q] een koppelbaas. Zij heeft geen op het door belanghebbende verdiende loon betrekking hebbende loonbelasting en premies volksverzekeringen aan de fiscus afgedragen.

Zij bezat geen loonadministratie en heeft geen verzamelloonstaten en loonbelastingkaarten bij de Inspecteur ingeleverd. Belanghebbende heeft in zijn aangiftebiljet als door deze koppelbaas op het loon ingehouden premies volksverzekeringen en loonbelasting respectievelijk f 904,02 en f 1.048,62 vermeld.

Bij de vaststelling van het onderwerpelijke belastbare inkomen heeft de Inspecteur met het eerstgenoemde bedrag geen rekening gehouden als persoonlijke verplichting, terwijl hij genoemd bedrag aan loonbelasting niet als voorheffing op de onderwerpelijke navorderingsaanslag in mindering gebracht, omdat hij heeft aangenomen dat die inhoudingen niet hebben plaatsgevonden.

Indien de grief van belanghebbende wordt verworpen, zijn partijen het erover eens dat de navorderingsaanslag behoort te worden verminderd tot een te betalen bedrag van f 823,--; wordt zij gegrond bevonden dan moet de bestreden navorderingsaanslag worden vernietigd; “;

Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven:

“dat belanghebbende – ten dele in afwijking van zijn beroepschrift – met betrekking tot zijn als enige overgebleven grief, zakelijk weergegeven, heeft gesteld:

Het geschil betreft, anders dan belanghebbende in zijn beroepschrift heeft vermeld, de vraag of voormelde bedragen van f 1.048,62 en f 904,02 aan loonbelasting en premies volksverzekeringen zijn, althans geacht moeten worden te zijn ingehouden op het in 1977 bij vorenbedoelde koppelbaas verdiende loon, alsmede de vraag op wie van partijen hier de bewijslast rust.

Belanghebbende is van mening dat genoemde bedragen zijn ingehouden; immers het is, anders dan de Inspecteur blijkbaar aanneemt, in de bouwwereld niet, zoals elders, te doen gebruikelijk een bruto-loon overeen te komen. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat steeds een netto-loon wordt overeengekomen. In dat geval mag de werknemer aannemen dat de werkgever aan zijn inhoudingsverplichtingen voldoet. Van de bedragen waar het om gaat, kan de werknemer kennisnemen door hetgeen op de hem door de werkgever verstrekte loonstroken of jaaropgaven als ingehouden loonbelasting en premies volksverzekeringen is vermeld. De werknemer is niet in staat en wordt ook niet in staat gesteld de juistheid van de door de werkgever verstrekte loonstroken of jaaropgaven te controleren; hij kan slechts lijdelijk afwachten of de hem overhandigde loonstroken of jaaropgaven juist zijn. In casu bestond er voor belanghebbende geen enkele aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de hem door vorenbedoelde koppelbaas verstrekte loonspecificaties en van de daarop als ingehouden loonbelasting en premies volksverzekeringen vermelde bedragen. Belanghebbende wist wel dat er zogenaamde “malafide” koppelbazen in de bouwwereld opereerden, maar ten aanzien van de in de onderhavige zaak bedoelde koppelbaas kon en mocht belanghebbende erop vertrouwen bij een bonafide werkgever in dienst te zijn getreden. Zij stond niet bekend als malafide en kwam niet voor op de in het vakbondsblad “Profiel” gepubliceerde, door een organisatie van werkgevers in de bouwnijverheid opgestelde – zij het onvolledige – zogenaamde “zwarte lijst” van malafide koppelbazen; zij verstrekte haar werknemers steeds vakantiebonnen en – afgaande op het uiterlijk – behoorlijke loonspecificaties; zij voldeed kennelijk aan haar verplichtingen jegens het Sociaal Fonds Bouwnijverheid, want toen belanghebbende ziek casu qou werkloos was, is hem door dat Fonds zonder enige beperking een uitkering krachtens de Ziektewet respectievelijk de Werkloosheidwet verstrekt; daar komt nog bij dat het loon dat belanghebbende ontving, niet bovenmatig was te noemen, zodat er ook om die reden hem geen aanleiding bestond vraagtekens bij zijn dienstverband met deze koppelbaas te zetten.

Er zijn dan ook onvoldoende gronden aanwezig om geen rekening te houden met hetgeen aan loonbelasting en premies volksverzekeringen is ingehouden.
De Inspecteur betwist nu wel dat bedoelde inhoudingen hebben plaatsgevonden, en hij staat nu wel op het standpunt dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat belanghebbende die inhoudingen bewijst, maar niet alleen is belanghebbende niet in staat dat bewijs te leveren maar bovendien is het onredelijk op hem de last van die bewijslevering te leggen. Het gaat toch niet aan om in een geval als het onderhavige, waarin de betrokken werknemer geen enkele reden heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de hem versterkte loonspecificatie, die werknemer, die geen toegang tot de administratie van zijn werkgever heeft, op te dragen te bewijzen dat de op die loonspecificaties vermelde inhoudingen aan loonbelasting en premies volksverzekeringen hebben plaatsgevonden, zulks nadat de enige bewijsmiddelen waarover hij beschikt en kan beschikken, namelijk de loonstroken en/of jaaropgaven, hem door de Inspecteur uit handen zijn geslagen omdat de Inspecteur wegens het ontbreken van een loonadministratie aan de juistheid van de op die bescheiden vermelde gegevens meent te moeten twijfelen.

Desgevraagd moet belanghebbende toegeven dat het op hem door de koppelbaas verstrekte loonspecificaties vermelde netto-loon juist is, omdat hem in werkelijkheid enige tientjes per week méér zijn uitbetaald dan op de loonspecificaties is vermeld, maar dit betekent niet dat belanghebbende op grond daarvan had moeten betwijfelen of in werkelijkheid loonbelasting en premies volksverzekeringen werden ingehouden; het is in de bouwwereld namelijk gebruikelijk dat – ook door betrouwbare werkgevers – netto meer wordt uitbetaald dan op de loonstrookjes wordt vermeld. Met andere woorden ook deze omstandigheid behoefde belanghebbende niet op de gedachte te brengen dat de in deze zaak bedoelde koppelbaas geen loonbelasting en premies volksverzekeringen inhield.

Subsidiair voert belanghebbende aan: In de jaren vóór 1975 werkten werknemers in de bouw bij werkgevers tegen een hoog netto-loon zonder daarbij weekbriefjes of jaaropgaven te ontvangen, terwijl het dan ook dikwijls nog schortte aan vakantiezegels. Op grond hiervan weigerde de fiscus in incidentele gevallen bij het opleggen van aanslagen in de inkomstenbelasting voorheffingen te verrekenen; nooit is er in die jaren sprake geweest van een consequent weigeren van het verrekenen van voorheffingen in de mate waarin het nu plaatsvindt.

Ook toen zullen de malafide koppelbazen wel niet de verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen hebben ingehouden, zonder dat dit de fiscus, afgezien van enkele incidentele gevallen, tot aktie tegen de werknemers aanleiding gaf. Nu de werknemers anders dan in de jaren voor 1975, wel – op het oog allemaal juiste – weekbriefjes, jaaropgaven, vakantiezegels enzovoort hebben ontvangen, blijkt de fiscus enige jaren na afloop van deze dienstverbanden plotseling een geheel ander standpunt in te nemen en massaal navorderingsaanslagen op te leggen en massaal te weigeren rekening te houden met op die weekbriefjes en dergelijke als ingehouden loonbelasting en premies volksverzekeringen vermelde bedragen, zonder de betrokken werknemers vooraf te waarschuwen voor eventuele consequenties bij indiensttreding bij koppelbazen. Door deze handelwijze van de fiscus ontstaat een grote mate van rechtsongelijkheid tussen de gevallen van 1975 en volgende jaren en de gevallen vóór dat jaar, terwijl ook de rechtszekerheid wordt aangetast;
dat de Inspecteur onder verwijzing naar zijn vertoogschrift – ten dele in afwijking daarvan – nog heeft aangevoerd:

Ten tijde van het in dienst treden van belanghebbende bij de in zijn aangifte vermelde koppelbaas was het onder bouwvakkers algemeen bekend dat zij als malafide werkgever was te beschouwen.

Het netto-loon van belanghebbende, inclusief vergoedingen en toeslagen, was hoger dan gebruikelijk bij bonafide werkgevers. De door de hier bedoelde malafide werkgever afgegeven verklaring omtrent het verdiende loon en de toegepaste inhoudingen moet, nu die werkgever geen loonbelastingkaarten heeft ingeleverd, geen loonadministratie heeft bijgehouden en geen loonbelasting en premies volksverzekeringen heeft afgedragen, als onbetrouwbaar ter zijde worden gesteld, zoals in de onderhavige zaak wordt geïllustreerd door belanghebbendes erkenning dat meer loon wordt uitbetaald dan op de loonspecificatie is vermeld.

Het is onbegrijpelijk hoe die koppelbaas aan de in de loonopgaven vermelde cijfers is gekomen.

De inhoudingen zijn niet aannemelijk gemaakt, zodat geen verrekening kan plaatsvinden.

Hij, Inspecteur, heeft de op de loonopgaven vermelde loonbedragen bij de berekening van het belastbare inkomen in aanmerking genomen, omdat na inhouding van premies sociale verzekeringen een aanvaardbaar netto-loon resteerde.

Hij handhaaft dat het in de bouwwereld niet gebruikelijk is dat tussen werkgevers en werknemers een netto-loon wordt overeengekomen en dat de werkgevers de loonbelasting en premies volksverzekeringen voor hun rekening nemen. Hij ontkent, dat belanghebbende een netto-loon is overeengekomen.

Voor wat betreft de subsidiair opgeworpen stelling van belanghebbende dat de handelwijze van de fiscus om, anders dan in de jaren voor 1975, thans in vele van de gevallen waarin een belastingplichtige bij koppelbazen heeft gewerkt, geen rekening te houden met bedragen die voor de inkomstenbelasting zijn aangegeven als ingehouden aan loonbelasting en premies volksverzekeringen, leidt tot rechtsongelijkheid en aantasting van de rechtszekerheid, moge dienen dat iedere aanslag op zich zelf moet worden beoordeeld en dat niet valt in te zien dat belanghebbende aan de omstandigheid dat in het verleden in gevallen als het onderhavige wellicht minder frequent dan thans geweigerd is rekening te houden met hetgeen werd aangegeven als ingehouden loonbelasting en premies volksverzekeringen, het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat in latere jaren in zijn geval met de gestelde inhoudingen wel rekening zou worden gehouden, terwijl ook niet valt in te zien dat de door belanghebbende genoemde omstandigheid tot rechtsongelijkheid moet leiden en het ligt, anders dan belanghebbende poneert, niet op de weg van de fiscus een belastingplichtige voor de consequenties van zijn daden te waarschuwen;”;

Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:

“dat belanghebbende voor zijn stelling dat op het door hem bij vorenbedoelde koppelbaas verdiende loon f 904,02 aan premies volksverzekeringen en f 1.048, 62 aan loonbelasting is ingehouden, zich erop heeft beroepen dat in de bouwwereld niet, zoals elders, tussen de werkgevers en de werknemers een bruto-loon maar een netto-loon wordt overeengekomen;

dat dit beroep er kennelijk toe strekt te betogen dat het in de bouwwereld gebruikelijk is dat de werkgevers krachtens de met hun werknemers gesloten overeenkomsten gehouden zijn de loonbelasting en premies volksverzekeringen voor hun rekening te nemen en dat die gehoudenheid ook voortvloeide uit de door de belanghebbende met de in deze zaak bedoelde koppelbaas gesloten overeenkomst;

dat de Inspecteur heeft ontkend dat het in de bouwwereld gebruikelijk is dat tussen de werkgevers en werknemers een netto-loon wordt overeengekomen en dat belanghebbende een netto-loon is overeengekomen;

dat het door belanghebbende gestelde gebruik niet van algemene bekendheid is en het Hof daarvan ook niet uit eigen wetenschap op de hoogte is; dat belanghebbende geen feiten heeft gesteld of stukken in het geding heeft gebracht die dat gebruik aannemelijk maken, dan wel aannemelijk maken dat de in deze zaak bedoelde koppelbaas krachtens de tussen haar en belanghebbende gesloten overeenkomst gehouden was de loonbelasting en premies volksverzekeringen voor haar rekening te nemen;

dat bovendien tegen belanghebbendes stelling pleit dat – naar het Hof uit eigen wetenschap bekend is – in de voor het onderhavige jaar geldende collectieve arbeidsovereenkomst voor het bouwbedrijf bruto-beloningen zijn vastgesteld;

dat er derhalve van uit moet worden gegaan dat belanghebbende een bruto-loon met zijn werkgevers is overeengekomen;

dat de Inspecteur voldoende gemotiveerd heeft betwist dat op het bij de koppelbaas onder deze werkgever verdiende loon de door belanghebbende gestelde bedragen aan loonbelasting en premies volksverzekeringen zijn ingehouden;

dat in aanmerking genomen dat door de in deze zaak bedoelde koppelbaas geen loonbelasting en premies volksverzekeringen ten name van belanghebbende is afgedragen, dat zij geen loonbelastingkaarten op naam van belanghebbende of verzamelloonstaten bij de Inspecteur heeft ingeleverd en dat zij geen loonadministratie bezat, de door die koppelbaas aan belanghebbende verstrekte loonspecificaties – welke overigens niet in het geding zijn gebracht – niet betrouwbaar zijn en daarom niet als bewijs voor belanghebbendes stelling kunnen dienen;

dat de gestelde inhoudingen aan loonbelasting en premies volksverzekeringen ook niet op andere wijze door belanghebbende aannemelijk zijn gemaakt en belanghebbende heeft betoogd daartoe ook niet in staat te zijn;

dat belanghebbende echter op het standpunt staat dat, nu hij er op kon en mocht vertrouwen bij een bonafide werkgever in dienst te zijn getreden, het niet redelijk is hem te belasten met het door hem niet te leveren bewijs van de gestelde inhoudingen;
dat dit standpunt niet juist is;

dat immers indien een belastingplichtige er aanspraak op maakt dat met de door hem over enig jaar verschuldigde inkomstenbelasting een zeker bedrag aan geheven loonbelasting wordt verrekend dan wel dat het door hem voor de heffing van inkomstenbelasting aangegeven onzuivere inkomen wordt verminderd met een zeker bedrag aan premies volksverzekeringen, welke op zijn inkomsten uit arbeid zijn ingehouden, een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt, dat die belastingplichtige aannemelijk maakt dat en tot welke bedragen die inhoudingen zijn geschied, en er geen termijn zijn voor het onderhavige geval anders te oordelen, omdat niet aannemelijk is dat het in de omstandigheden van een geval als het onderhavige voor de Inspecteur minder bezwaarlijk is te bewijzen dat die inhoudingen niet zijn geschied dan het voor belanghebbende is te bewijzen dat zulks wel het geval is geweest;

dat, ook afgezien hiervan, het standpunt van belanghebbende, dat het niet redelijk is hem te belasten met het bewijs van de gestelde inhoudingen, hem niet kan baten omdat – reeds het navolgende in aanmerking genomen – niet is komen vast te staan, dat zoals belanghebbende heeft gesteld, hij er op kon en mocht vertrouwen bij een bonafide werkgever in dienst te zijn getreden;

dat toch het voor die stelling aangevoerde argument dat belanghebbende – afgaande op het uiterlijk van de hem verstrekte loonspecificaties – het er voor mocht houden dat die specificaties betrouwbaar waren, ter zijde moet worden gesteld, nu belanghebbende ter zitting heeft toegegeven dat hij bij de in deze zaak bedoelde koppelbaas meer netto-loon ontving dan op de loonspecificaties was vermeld, terwijl de stelling dat het bij die koppelbaas verdiende loon niet bovenmatig was, niet is komen vast te staan, nu de enkele mededeling van belanghebbende ter zitting, dat hij bij die koppelbaas enkele tientjes meer verdiende dan als netto-loon op de loonspecificaties was vermeld, onvoldoende inzicht geeft in het door hem in werkelijkheid ontvangen loon;
dat hetgeen belanghebbende subsidiair heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn als enige resterende grief niet tot gegrondbevinding van die grief kan leiden;

dat toch elke aanslag op zich zelf moet worden beoordeeld en bovendien belanghebbende aan de enkele omstandigheid dat de fiscus in het verleden in zaken als de onderhavige alleen in incidentele gevallen navorderingsaanslagen oplegde of geen rekening hield met bedragen die werden aangegeven als ingehouden loonbelasting en/of premies volksverzekeringen, niet het gerechtvaardigde, in rechte te honoreren vertrouwen heeft mogen ontlenen dat in latere jaren te zijnen aanzien zijn aangifte voor wat betreft inhoudingen loonbelasting en premies volksverzekeringen zou worden gevolgd, terwijl uit die enkele omstandigheid niet volgt dat sprake was van een begunstigend beleid van de fiscus, dat tot nadere aankondiging ook in de toekomst in gevallen als het onderhavige zou worden gevolgd;

dat uit het vorenoverwogene volgt, dat de grief van belanghebbende ongegrond is en partijen het er voor dat geval over eens zijn dat de navorderingsaanslag moet worden verminderd tot een te betalen bedrag van f 823,--;”;

Overwegende dat het Hof op deze gronden de navorderingsaanslag heeft verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 823,--;

Overwegende dat belanghebbende in cassatie klaagt over schending van het recht in het bijzonder van artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken in samenhang met de Wet op de loonbelasting 1964 en de artikelen 45 en 63 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, en daartoe heeft aangevoerd:

“1. Vastgesteld is dat er een dienstbetrekking bestond tussen “de koppelbaas” en belanghebbende gedurende een deel van het jaar 1977.

Het Hof heeft vastgesteld dat ervan moet worden uitgegaan dat een bruto-loon door belanghebbende met zijn werkgever is overeengekomen.
Door de bruto uitgekeerde bedragen tot het inkomen te rekenen, zoals het Hof heeft gedaan in navolging van de Inspecteur, wordt de uitspraak innerlijk tegenstrijdig, aangezien in dat geval netto-bedragen tot het inkomen moeten worden gerekend indien juist zou zijn dat geen inhoudingen hebben plaatsgevonden. Door de gepleegde inhoudingen niet aannemelijk te achten, behoort het Hof na te gaan of en in hoeverre daarmede is aangetoond dat het opgegeven bruto-loon gelijk is aan het werkelijk genoten netto-loon, waarvoor belanghebbende ter zitting gegevens heeft aangereikt.

2. De bewijslast is voorts onjuist en onredelijk verdeeld. In feite gaat het om de vaststelling van een inkomensbestanddeel in het onzuiver inkomen van belanghebbende. Ook al acht het Hof belanghebbende er niet in geslaagd de gestelde inhoudingen aannemelijk te hebben gemaakt, het Hof heeft nagelaten de Inspecteur te laten bewijzen dat belanghebbende tot het bedrag van deze bruto-looninkomsten daadwerkelijk inkomsten heeft genoten. Hierdoor is de uitspraak van het Hof niet consistent gemotiveerd, en dient te worden onderzocht tot welk bedrag belanghebbende (netto)inkomsten heeft genoten.

3. Belanghebbende heeft zich voorts verweerd tegen de hem opgedragen bewijslast dat hij de gepleegde inhoudingen aannemelijk diende te maken door te stellen, dat hij erop kon en mocht vertrouwen bij een bonafide werkgever in dienst te zijn getreden. Het Hof verwerpt deze stelling met de redenering dat belanghebbende in elk geval een netto-loon heeft ontvangen dat de loonspecificaties te boven is gegaan. Het Hof gaat daarmede echter voorbij aan de stelling van belanghebbende dat enerzijds de goede trouw aan zijn zijde met zich meebrengt dat in de gegeven omstandigheden niet hij aannemelijk dient te maken dat er op zijn loon is ingehouden, doch de Inspecteur, en dat anderzijds het feit dat een werkgever in een later stadium wellicht niet bonafide blijkt te zijn niet verhindert dat belanghebbende ten tijde van het aangaan van het dienstverband erop mocht vertrouwen, dat hij met een bonafide werkgever te maken had. Ook de stelling van belanghebbende dat hij een netto-loon is overeengekomen, wijst deze richting op. Ook in dit opzicht is de redenering van het Hof onduidelijk.

4. Het Hof – de stelling van belanghebbende verwerpende dat hij een netto-loon zou zijn overeengekomen met de redenering dat zulk een overeenkomst niet algemeen gebruikelijk is en niet uit eigen wetenschap bij het Hof bekend – schiet tekort in de motiveringsplicht, aangezien het slechts vrij staat een beslissing te baseren op hetgeen wel uit eigen wetenschap bekend is. De stelling van het Hof dat een overeenkomst voor wat betreft het loon niet kan zijn overeengekomen aangezien uit eigen wetenschap het Hof wel bekend is dat in het onderhavige jaar een collectieve arbeidsovereenkomst op basis van bruto-lonen voor het bouwbedrijf is vastgesteld, doet hieraan ook niet af, aangezien het Hof niet heeft vastgesteld dat deze C.A.O. ook op belanghebbende van toepassing is of behoort te zijn en evenmin waarom deze C.A.O., indien van toepassing en derhalve onderdeel van de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en belanghebbende, zich niet verdraagt met de stelling van belanghebbende dat hij een netto-loon heeft bedongen (dat gebruteerd dient te worden).”;

Overwegende dienaangaande:
dat ingevolge de artikelen 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en 63 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 met de aanslag in de inkomstenbelasting wordt verrekend de geheven loonbelasting;
dat ingevolge artikel 27, lid 1, in verbinding met artikel 1 van de Wet op de loonbelasting 1964 loonbelasting van de werknemer wordt geheven door inhouding op het loon;

dat onder “inhouding” in dit verband moet worden verstaan het van een bepaald overeengekomen bruto-bedrag van het loon afzonderen van de later op aangifte af te dragen loonbelasting;

dat indien een netto-loon is overeengekomen in die zin dat de werkgever zich heeft verplicht de loonbelasting voor zijn rekening te nemen, de “inhouding” plaatsvindt doordat de werkgever uit eigen middelen een bedrag afzondert voor de later op aangifte af te dragen loonbelasting;
dat het geval dat de werkgever niet voldoet aan zijn verplichting tot inhouding van loonbelasting en de werknemer te dien aanzien te goeder trouw is – dat wil zeggen: meende en ook bij inachtneming van de door hem, gelet op de omstandigheden, te betrachten zorgvuldigheid redelijkerwijze mocht menen dat de werkgever aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen – in zoverre moet worden gelijkgesteld met de gevallen waarin werkelijk loonbelasting is ingehouden, dat de – in feite niet ingehouden – loonbelasting mag worden verrekend met de aanslag in de inkomstenbelasting;
dat het immers redelijker is dat het risico dat de werkgever zijn verplichtingen veronachtzaamt ten laste van de fiscus komt dan dat het wordt gebracht ten laste van een werknemer die te goeder trouw is;
dat het Hof heeft vastgesteld: dat belanghebbende in het jaar 1977 als stucadoor in dienst is geweest van [A] B.V. te [Q] ; dat deze werkgeefster een koppelbaas is, die geen loonadministratie bezat en geen verzamelloonstaten en loonbelastingkaarten bij de Inspecteur heeft ingeleverd; dat zij geen loonbelasting en premies volksverzekeringen, betrekking hebbende op het door belanghebbende verdiende loon, aan de fiscus heeft afgedragen;
dat het Hof op de in zijn uitspraak vermelde gronden niet aannemelijk heeft geoordeeld dat zodanige loonbelasting en premies zijn ingehouden – dat wil zeggen afgezonderd voor latere afdracht op aangifte – noch ook dat belanghebbende, zoals hij had gesteld, erop kon en mocht vertrouwen bij een bonafide werkgever in dienst te zijn getreden;

dat belanghebbende eerstgenoemd oordeel in cassatie niet heeft aangevochten;

dat hij laatstgenoemd oordeel tevergeefs bestrijdt, aangezien het Hof daarmede niet blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de verdeling van de bewijslast en dat oordeel voor het overige wegens zijn feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst;

dat zich hier derhalve niet voordoet het bovenbedoelde geval waarin de in werkelijkheid niet ingehouden loonbelasting mag worden verrekend met de aanslag in de inkomstenbelasting;

dat het hiervóór aangaande de inhouding van loonbelasting overwogene van overeenkomstige toepassing is op de inhouding van premies volksverzekeringen in verband met de aftrek daarvan als persoonlijke verplichting;

dat uit een en ander volgt, dat het Hof terecht ervan is uitgegaan dat de door belanghebbende gestelde bedragen van f 1.048,62 en f 904,02 niet zijn aan te merken als “geheven loonbelasting” in de vorenbedoelde zin, onderscheidenlijk als premies volksverzekeringen welke als persoonlijke verplichting op belanghebbende onzuiver inkomen in mindering moeten worden gebracht;

dat, nu de door het Hof uitgesproken vermindering van de aanslag tot een met een te betalen bedrag van f 823,-- berust op de – naar ’s Hofs vaststelling – eensluidende opvatting van partijen, het door belanghebbende met betrekking tot de omvang van het in aanmerking te nemen loon aangevoerde geen doel kan treffen;

dat belanghebbendes grieven derhalve niet tot cassatie kunnen leiden;

Verwerpt het beroep.

Gedaan bij de Heren Van Dijk, Vice-President, Van Vucht, Van der Vorm, Stoffer en Bloembergen, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de twee en twintigste juli 1900 een en tachtig, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Mees.