Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1977:AC1827

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-1977
Datum publicatie
20-08-2019
Zaaknummer
11058
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1977:AC1827
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad; art. 26 Beginselenwet gevangeniswezen; handelt de Staat onrechtmatig door een levenslange gevangenisstraf nog langer ten uitvoer te leggen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1977, 282 met annotatie van J.R. Stellinga
NJ 1977, 255 met annotatie van Th.W. van Veen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 februari 1977

E.Z.

De Hoge Raad der Nederlanden,

in de zaak nr. 11.058 van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 februari 1976, kosteloos procederende krachtens beschikking van de Hoge Raad van 7 mei 1976,

vertegenwoordigd door Mr. J. Groen, advocaat bij de Hoge Raad,

t e g e n

de Staat der Nederlanden,

wiens zetel is te ’s-Gravenhage,

verweerder in cassatie,

vertegenwoordigd door Mr. E. Droogleever Fortuijn, mede-advocaat bij de Hoge Raad;

Gehoord partijen;

Gehoord de Advocaat-Generaal Franx in zijn conclusie strekkende tot verwerping van het cassatieberoep met verwijzing van eiser in de daarop gevallen kosten;

Overwegende dat uit het bestreden arrest en de stukken van het geding blijkt:

dat eiser, [eiser] , bij exploot van 3 juli 1975 de Staat in kort geding voor de President van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage heeft gedagvaard, vorderende dat de President de Staat zal verbieden (of zal gebieden niet) langer dan veertien dagen, althans langer dan een aantal dagen door de President vast te stellen, de executie van zijn gevangenisstraf na het te dezen te wijzen vonnis voort te zetten, - subsidiair de Staat zal gebieden de strafexecutie binnen veertien dagen, althans binnen een aantal dagen door de President vast te stellen, te schorsen, - meer subsidiair zal verbieden (of zal gebieden niet) langer dan voorzegde termijn, de executie van de gevangenisstraf na het te dezen te wijzen vonnis voort te zetten voor een periode, welke eindigt met de vaststelling door deskundigen van het Psychiatrisch Observatie Kliniek te Utrecht, dat [eiser] verkeert in een geestelijke en lichamelijke toestand, welke zodanig is dat zijn vermogen om verdere strafexecutie te ondergaan gelijk is althans niet minder is dan ten tijde van het onderzoek van [eiser] verricht door het Psychiatrisch Observatie Kliniek in Utrecht in het jaar 1972 en door de Staat gelast;

dat de gronden van deze vordering door de President in zijn straks te noemen vonnis zijn weergegeven;

dat het van belang is uit die gronden het volgende te citeren:

‘’dat [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1908, te [geboorteplaats] , sinds mei 1945 in Nederlandse gevangenschap verblijft en door het Bijzondere Gerechtshof te Amsterdam op 14 december 1948 tot de doodstraf is veroordeeld, van welke veroordeling het beroep door de Bijzondere Raad van Cassatie is afgewezen op 15 december 1949, doch welke veroordeling niet door de Staat is tenuitvoergelegd, maar twee jaar na in kracht van gewijsde te zijn gegaan in december 1951 is omgezet in levenslange gevangenisstraf, welke straf tot op heden wordt geëxecuteerd, terwijl sedert 29 september 1971, althans daaromtrent, een gratie-verzoek van [eiser] , strekkende tot invrijheidstelling binnen afzienbare tijd, als ook sedert 23 april 1975, een verzoek van [eiser] tot – tijdelijke – schorsing van de voortdurende strafexecutie, door de Staat worden behandeld;

dat ten gevolge van een ernstige hersenbloeding in het najaar van 1973 de lichamelijke en geestelijke toestand van [eiser] dramatisch is verslechterd;

dat hij tevoren al een zeer zwakke gezondheid had en hartpatient was en ook geestelijk niet de gevolgen van de lange strafexecutie kon verwerken, maar tenminste nog in staat was behoorlijk te kunnen lopen, spreken en relatief geordend te denken;

dat ten gevolge van voormelde hersenbloeding [eiser] thans, alhoewel zijn lichamelijke en geestelijke toestand is gestabiliseerd, verworden is tot een wrak, zich op krukken door de gevangenis voortsleept, nauwelijks verstaanbaar kan spreken, niet meer kan schrijven, niet meer kan lezen en nauwelijks geordend kan denken en verkeert in een zodanige toestand, dat de R.K. aalmoezenier van de gevangenis het nodig heeft geoordeeld om op 18 mei 1975 [eiser] het R.K. sacrament des stervenden toe te dienen;’’;

dat de Staat tegen de vordering van [eiser] verweer heeft gevoerd;

dat de President de vordering heeft afgewezen bij vonnis van 29 juli 1975, na te hebben overwogen:

‘’1. dat tussen partijen als erkend rechtens vaststaat: dat [eiser] sinds mei 1945 in Nederlandse gevangenschap verblijft, dat hij door het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam op 14 december 1948 tot de doodstraf is veroordeeld, dat door de Bijzondere Raad van Cassatie het beroep daartegen op 15 december 1949 is afgewezen en dat die veroordeling in december 1951 krachtens gratieverlening is omgezet in levenslange gevangenisstraf;

dat een gratie-verzoek van [eiser] van 29 september 1971 bij de Minister van Justitie in behandeling is en nog geen definitieve beslissing daaromtrent is genomen;

2. dat [eiser] heeft gevorderd, dat Wij de Staat zullen verbieden de tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf voort te zetten, althans dat Wij de Staat zullen gebieden deze tenuitvoerlegging te schorsen;

3. dat [eiser] deze vorderingen baseert op de stelling, dat de Staat zich jegens hem schuldig maakt aan onrechtmatig handelen, hierin bestaande dat de Staat:

a. inbreuk maakt op zijn persoonlijkheidsrechten;

b. handelt in strijd met zijn rechtsplicht tegenover [eiser] , welke met name volgt uit de artikelen 3, 5, 5a en 15 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

c. zich tegenover [eiser] schuldig maakt aan willekeur of misbruik van overheidsgezag (détournement de pouvoir);

4. dat de Staat deze stelling en de gronden waarop zij rust uitvoerig en gemotiveerd heeft bestreden;

5. dat Wij dienaangaande overwegen:

a. dat [eiser] in de eerste plaats tot grondslag van zijn voormelde stelling aanvoert, dat verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zowel door de lengte daarvan alsook door zijn fysieke en psychische toestand in strijd is met de beginselen van Nederlands recht en van voormeld Europese Verdrag;

dat hierbij kennelijk wordt uitgegaan van het standpunt, dat levenslange gevangenisstraf niet levenslang mag worden tenuitvoergelegd, doch naar Ons aanvankelijk oordeel ten onrechte, nu strekking en zin van de Wet en van het Verdrag die levenslange tenuitvoerlegging als gerechtvaardigd veronderstellen;

dat voorts een zich verslechterende fysieke en psychische toestand van de veroordeelde zich tegen levenslange tenuitvoerlegging niet verzet, zolang gezegd moet worden, dat die verslechtering er ene is, die iedere ouder wordende mens kan overkomen en dat een naar huidige maatstaven goede en humane behandeling in de gevangenis mogelijk is;

dat weliswaar de fysieke en psychische toestand van [eiser] bijzonder slecht is – als bij dagvaarding omschreven en door de Staat erkend -, doch niet is gebleken of aannemelijk gemaakt, dat die anders moet worden beoordeeld dan hiervoren omschreven;

dat derhalve, nu de Regering niet op deze gronden medewerking aan tijdelijke of blijvende invrijheidsstelling van [eiser] (hoe dan ook te verwezenlijken) wil geven, zij naar Ons aanvankelijk oordeel daarmee blijft binnen de grenzen van het recht, en zich derhalve niet schuldig maakt aan het door [eiser] als voormeld omschreven onrechtmatig handelen;

b. dat [eiser] vervolgens tot grondslag van zijn voormelde stelling aanvoert, dat voortzetting van de hem opgelegde gevangenisstraf geen in onze strafrechtspleging erkend doel meer kan dienen, zodat de tenuitvoerlegging daarvan moet worden beëindigd;

dat weliswaar de Regering aanvankelijk, en wel bij brief van 16 februari 1972 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, dit oordeel heeft onderschreven, en dit oordeel na de daarop gevolgde openbare hoorzitting en Kamerdebatten in een communiqué heeft gehandhaafd, doch in dat communiqué tegelijkertijd heeft vermeld, dat de Regering tevens de in de Kamer aangevoerde argumenten aanvaardt, dat in deze bijzondere gevallen (van ‘’de drie van Breda’’) naast juridische de sociaal-psychologische factoren sterker in het oordeel dienen te worden betrokken;

dat naar Ons aanvankelijk oordeel tijdens en door vorenbedoelde openbare hoorzitting en Kamerdebatten, alsmede door latere beschouwingen van juridische en sociaal-psychologische aard duidelijk is geworden, dat een straf als waarvan hier sprake is mede dient, om in ieder geval het leed van de slachtoffers van misdrijven van de soort als door [eiser] gepleegd te verlichten, en om te voorkomen, dat door vrijlating van een man als [eiser] dat leed wordt verergerd;

dat dan ook, zolang in redelijkheid mag en moet worden aangenomen, dat vorenomschreven doel van de aan [eiser] opgelegde straf zijn werking heeft – [eiser] heeft niet aangetoond of aannemelijk gemaakt, dat zulks niet langer het geval is -, niet gezegd kan worden, dat de Regering de grenzen van het recht overschrijdt en aldus willekeurig handelt tegenover [eiser] dan wel misbruik van overheidsgezag maakt tegenover hem;

c. dat [eiser] verder aanvoert, dat de Regering te zijnen opzichte handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, doordat zij in alle andere gevallen, waarin doodstraf is uitgesproken (meer dan negentig), deze heeft omgezet in levenslange en daarna in tijdelijke gevangenisstraf, doch naar Ons aanvankelijk oordeel ten onrechte, nu uit de uiteenzetting namens de Regering ter zitting – welke [eiser] niet heeft weersproken – duidelijk is geworden, dat te dezen geregeld selectie heeft plaatsgevonden en [eiser] duidelijk behoort tot de rest-groep, waarvan de Regering oordeelt, dat zij de ergste misdrijven heeft begaan;

d. dat [eiser] ten slotte in deze heeft aangevoerd, dat de Staat bij [eiser] de verwachting heeft opgewekt, dat de strafexecutie zou worden beëindigd, doch naar Ons aanvankelijk oordeel ten onrechte, nu uit de gang van zaken te dezen, ter zitting nader uiteengezet en niet door [eiser] weersproken, duidelijk is geworden, dat de Regering, toen zij destijds haar voornemen bekend maakte gratie-verlening te zullen bevorderen, het uitdrukkelijk voorbehoud heeft kenbaar gemaakt haar oordeel te zullen toetsen aan dat van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, en uit de daarop gevolgde gang van zaken dat voorbehoud zonder meer is gebleken;

e. dat uit een en ander volgt, dat de vorderingen van [eiser] als ongegrond behoren te worden afgewezen;’’;

dat [eiser] in hoger beroep is gegaan bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage dat bij het thans bestreden arrest het vonnis van de President heeft bekrachtigd na te hebben overwogen:

‘’1. dat de President in het bestreden vonnis vooreerst heeft overwogen en beslist dat naar zijn aanvankelijk oordeel verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zowel door de lengte daarvan alsook door de fysieke en psychische toestand van [eiser] niet in strijd is met de beginselen van Nederlands recht en van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – daartoe overwegende dat levenslange gevangenisstraf levenslang mag worden tenuitvoergelegd, - dat een zich verslechterende fysieke en psychische toestand van de veroordeelde zich tegen levenslange tenuitvoerlegging niet verzet, zolang gezegd moet worden dat die verslechtering er ene is, die iedere ouder wordende mens kan overkomen, en dat een naar huidige maatstaven goede en humane behandeling in de gevangenis mogelijk is, - en dat de Regering, niet op deze gronden medewerking willende geven aan tijdelijke of blijvende invrijheidsstelling van [eiser] , blijft binnen de grenzen van het recht en zich derhalve niet schuldig maakt aan onrechtmatig handelen;

2. dat de eerste grief van [eiser] zich keert tegen dit oordeel in al zijn onderdelen;

3. dat naar Nederlands recht levenslange gevangenisstraf levenslang mag worden tenuitvoergelegd, daar geen dwingend voorschrift bestaat levenslange gevangenisstraf om te zetten in tijdelijke gevangenisstraf, - zij het dat wel door middel van gratie (gunstbetoon) levenslange gevangenisstraf pleegt te worden omgezet in tijdelijke;

dat gratie echter niet gevorderd kan worden (en ook niet gevorderd is) en de rechter gratie niet kan bevelen (kunnende hij daartoe gevraagd deze slechts adviseren);

4. dat ook het voorzegde Europese Verdrag niet inhoudt dat levenslange gevangenisstraf niet levenslang zou kunnen worden tenuitvoergelegd, noch zich in enige bepaling tegen levenslange tenuitvoerlegging verzet, en in artikel 3 uitdrukkelijk de rechtmatigheid van vrijheidsberoving bij wijze van straf na veroordeling door de bevoegde rechter erkent, waarbij geen beperking in tijdsduur is gegeven;

5. dat ook naar ’s Hofs oordeel een zich verslechterende fysieke en/of psychische toestand van de veroordeelde, die elk ouder wordend mens kan overkomen, gegeven de naar huidige maatstaven goede en humane behandeling, zoals deze in de gevangenis onweersproken ten opzichte van [eiser] wordt toegepast, zich niet verzet tegen levenslange tenuitvoerlegging van de straf, - en daarvoor dan ook geen uitzondering is gemaakt in de Nederlandse wet of het Europese Verdrag, - behoudens eventuele (tijdelijke) noodzakelijke opname in een ziekenhuis of soortgelijke inrichting;

dat [eiser] dit ook niet weerspreekt, maar stelt dat in casu relevant is ‘’of de verslechtering (van de gezondheidstoestand) van [eiser] zodanig is, dat de strafexecutie moet worden onderbroken omdat verdere executie onmenselijk is’’, welke stelling hij wil funderen op artikel 3 van het Europese Verdrag;

6. dat dit artikel luidt: Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen;

Dat uit het systeem der verdragsbepalingen volgt, dat een gevangenisstraf van onbeperkte duur op zichzelf niet als onmenselijk beschouwd wordt, en – gezien de context – naar ’s Hofs oordeel het artikel onder ‘’onmenselijke behandelingen of straffen’’ dan ook niet verstaat het ondergaan van levenslange gevangenisstraf, zoals deze in een beschaafd land wordt geëxecuteerd, - doch slechts bepaalde vormen van executie (bijvoorbeeld in absolute duisternis, of geketend, of zonder voldoende voeding en dergelijke) – dan wel executie van straffen, welke door bijzondere persoonlijke omstandigheden van de betrokkene het karakter van foltering casu quo onmenselijke of vernederende behandeling of straf krijgen;

dat dit ook volgt uit het commentaar van de Europese Commissie voor de rechten van de mens, zoals dit (in de Engelse tekst) bij het artikel in de editie Schuurman & Jordens is afgedrukt, te weten: ‘’Inhuman treatment covers at least such treatment as deliberately causes severe suffering, mental or physical, which, in the particular situation, is unjustifiable. Treatment or punishment of an individual may be said to be degrading if it grossly humiliates him before others or drives him to act against his will or conscience’’;

dat [eiser] echter weliswaar is beroofd van zijn vrijheid, doch overigens een goede en zorgvuldige behandeling en verzorging ondervindt;

8. dat niet is aannemelijk gemaakt dat de fysieke of psychische gesteldheid van [eiser] hem het leed van de vrijheidsberoving zwaarder zou doen dragen dan iemand van betere gezondheid in overigens dezelfde omstandigheden;

9. dat de grief mitsdien wordt verworpen;

10. dat de tweede grief is gericht tegen het verwerpen door de President van de mede als grondslag van zijn vordering door [eiser] geponeerde stelling, dat voorzetting van de hem opgelegde gevangenisstraf geen in onze strafrechtspleging erkend doel meer kan dienen, zodat de tenuitvoerlegging daarvan moet worden beëindigd;

11. dat de President te dien aanzien heeft overwogen, dat niet gezegd kan worden dat de Regering de grenzen van het recht overschrijdt en aldus willekeurig handelt tegenover [eiser] dan wel misbruik van overheidsgezag maakt tegenover hem, nu moet worden aangenomen, dat een straf als waarvan hier sprake is mede dient om het leed van de slachtoffers van misdrijven van de soort als door [eiser] gepleegd te verlichten, en om te voorkomen dat door vrijlating van een man als [eiser] dat leed wordt verergerd;

12. dat naar ’s Hofs oordeel [eiser] voor de bestrijding van het vonnis van de President op dit punt en voor de eis dat hij in vrijheid zal worden gesteld, ten onrechte een beroep doet op wat de Regering heeft aangevoerd in de Staten-Generaal, toen een eventuele gratie werd overwogen, terwijl ook het oordeel van de Regering of van rechtsgeleerde schrijvers over het doel van de straf geen effect kan hebben op de rechtmatigheid daarvan, zolang de strafwet de duur der daarin gestelde straffen niet van het door [eiser] gehanteerde criterium afhankelijk heeft gemaakt;

13. dat het immers in casu er om gaat of voortzetting van de straf onwettig zou zijn, of in strijd met het Europese Verdrag, terwijl het niet aan de rechter is het beleid van de Regering, in het bijzonder het gratiebeleid, ten aanzien van [eiser] te toetsen;

14. dat toch niet gezegd kan worden, dat de Staat onrechtmatig handelt als hij aan [eiser] geen gratie verleent, en ook niet als hij de wet toepast zolang deze een levenslange gevangenisstraf kent, welke ook niet wordt verboden door het Europese Verdrag;

15. dat dus ook deze grief niet opgaat;

16. dat de derde grief inhoudt, dat de President ten onrechte heeft verworpen de stelling van [eiser] dat de Staat ten aanzien van hem handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel;

17. dat de President dit echter terecht heeft gedaan, overwegende dat de Regering onweersproken heeft gesteld dat ten aanzien van de oorlogsmisdadigers regelmatig een selectie is toegepast en [eiser] duidelijk behoort tot de rest-groep die geoordeeld moet worden de ergste misdrijven te hebben begaan, welk oordeel het Hof onderschrijft;

18. dat daarom ook deze grief wordt verworpen;

19. dat in de vierde grief wordt geklaagd, dat de President ten onrechte heeft aangenomen dat de Staat niet bij [eiser] de verwachting heeft opgewekt de strafexecutie te zullen beëindigen;

20. dat het hier gaan om het feit, dat een gratie-verzoek van of voor [eiser] in behandeling is genomen en dat daarover overleg is gepleegd in de Staten-Generaal en daarmede de zaak in de openbaarheid is gekomen, doch dat nimmer van tevoren vaststaat dat gratie ook zal worden verleend als deze overweging wordt genomen en ook in casu niet was te kennen gegeven dat dit zou geschieden, en derhalve, al mag [eiser] de hoop gekoesterd hebben dat hij gratie zou krijgen, niet gezegd kan worden dat de Staat bij [eiser] de verwachting heeft gewekt dat de strafexecutie zou worden beëindigd;

21. dat de grief dus faalt;

22. dat [eiser] er in de vijfde grief over klaagt, dat de President zijn vordering heeft afgewezen en ongegrond heeft verklaard door de posita van de Staat als bewezen te aanvaarden, zonder dat deze door [eiser] zijn erkend, en door [eiser] ’s bewijsaanbod van zijn posita te passeren;

23. dat de feiten, die door de President in zijn vonnis als vaststaande zijn aangenomen, zijn vermeld sub 1 der rechtsoverwegingen, en deze inderdaad niet door [eiser] zijn betwist, en dat voorts terecht door de President is overwogen, dat weliswaar de fysieke en psychische toestand van [eiser] bijzonder slecht is – als bij dagvaarding omschreven en door de Staat erkend -, doch dat niet is gebleken of aannemelijk gemaakt dat die anders moet worden beoordeeld dan als een toestand waarin ieder ouder wordend mens kan geraken, en dat hij daarvoor een goede en humane behandeling en verzorging geniet;

24. dat de President ook nog heeft overwogen dat een straf als waarvan hier sprake is mede dient om in ieder geval het leed van de slachtoffers van misdrijven van de soort als door [eiser] gepleegd te verlichten, en om te voorkomen dat door vrijlating van een man als [eiser] dat leed wordt verergerd, en dat de President daaraan heeft toegevoegd dat [eiser] niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt, dat in redelijkheid niet mag en moet worden aangenomen dat vooromschreven doel van de aan hem opgelegde straf zijn werking heeft;

25. dat de President aldus oordelende naar ’s Hofs oordeel geen feiten heeft bewezen geacht, die door [eiser] zijn betwist, en hij tot zijn voorlopig oordeel in kort geding kon komen, dat, als de Regering onder de als vaststaande te beschouwen omstandigheden geen medewerking wil geven aan tijdelijke of blijvende invrijheidstelling van [eiser] , zij binnen de grenzen van het recht blijft en zich niet schuldig maakt aan onrechtmatig handelen;

26. dat er dan ook geen termen zijn op het algemene bewijsaanbod van [eiser] in te gaan – zeker niet in kort geding – en de grief moet worden verworpen;

27. dat ten slotte in de zesde grief wordt gesteld, dat de President niet zou hebben beslist over de gronden der dagvaarding in hun onderlinge samenhang, zoals door [eiser] verzocht;

28. dat, zo deze grief al zelfstandige betekenis mocht hebben naast de voorgaande grieven, zij moet worden verworpen omdat de President zeker niet heeft verzuimd de gronden der dagvaarding in hun onderlinge samenhang te beoordelen, - waarbij het Hof aantekent, dat wat [eiser] in zijn toelichting op de grief aanvoert, te weten dat die gronden (der dagvaarding) het beeld geven ‘’dat enerzijds het handelen van de Staat is gemotiveerd door zijn wil de verplichtingen van het recht, mede geformuleerd in het Europese Verdrag, na te komen, maar anderzijds politiek wil schipperen om het een door het publiek gewaardeerd handelen te doen zijn’’, voor zijn rekening moet blijven, terwijl daaruit in elk geval niet valt af te lezen dat de President – en het Hof – niet alle door [eiser] aangevoerde zijn vordering ondersteunende gronden naar behoren heeft onderzocht en in hun samenhang beoordeeld;

29. dat nu alle grieven falen, het vonnis van de President moet worden bekrachtigd;’’;

Overwegende dat [eiser] het arrest van het Hof bestrijdt met de volgende middelen van cassatie:

‘’I. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan een niet in acht nemen uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard der niet in acht genomen vorm doordat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 3 en 4 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht, met name met artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de artikelen 3, 5, 5a en 15 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met een regel van ongeschreven gewoonterecht luidende ‘’dat een levenslange gevangenisstraf niet levenslang mag worden tenuitvoergelegd’’;

Immers in een rechtsstaat als onze huidige staat mag in het algemeen geen straf worden tenuitvoergelegd op onmenselijke wijze; en het executeren van levenslange gevangenisstraf tot de dood er op volgt, is onmenselijk en onwaardig (zie daartoe de door [eiser] in vorige instanties naar voren gebrachte opinies der rechtsgeleerde schrijvers);

en de executie van de levenslange gevangenisstraf tot de dood er op volgt ook niet meer sinds 1900 is tenuitvoergelegd en sinds jaar en dag de gewoonte bestaat dat, mocht een dergelijke straf door de rechter opgelegd worden, dusdoende het maximum aangevende waartoe de executieve mag gaan, de executieve steeds de veroordeelde door middel van gratie of anderszins (Lages) na geruime tijd op jaren heeft gesteld;

en de Staat op onmenselijke wijze executerende en in strijd met voormelde ongeschreven regels van gewoonterecht zich schuldig maakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, derhalve onrechtmatige overheidsdaad; zijnde het bestreden arrest op dit punt in elk geval niet met redenen omkleed naar de eisen der wet.

II. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm doordat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 5 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht en met name met artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, alsmede de artikelen 3, 5, 5a en 15 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

Immers baseert het Hof de conclusie dat de physieke toestand van [eiser] zich niet verzet tegen levenslange gevangenisstraf op de algemene stelling dat ‘’een zich verslechterende physieke en/of psychische toestand van de veroordeelde, die elk ouder wordend mens kan overkomen, zich niet verzet tegen levenslange tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf.’’

Nu deze stelling onderscheidend vermogen ontbeert, daar immers ieder mens alles kan overkomen, kan deze stelling niet dienen tot maatstaf aan de hand waarvan zou kunnen worden nagegaan, of verdere executie onrechtmatig is.

III. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 5 en 6 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht en met name met artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de artikelen 3, 5, 5a en 15 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede artikel 77 van de Grondwet en de artikelen 1 en volgende van het K.B. van 13-12-1887, Stb. 215, immers constateert het Hof hier slechts, dat het verdrag klaarblijkelijk niet er van uitgaat, dat levenslange gevangenisstraf in het algemeen onmenselijk is; doch laat het Hof na te onderzoeken, of de levenslange gevangenisstraf in het kader van het verdrag onmenselijk geacht moet worden, onder de omstandigheden van [eiser] ;

dit klemt te meer, nu [eiser] geestelijk en lichamelijk een wrak is, die uitsluitend door de executieve in leven wordt gehouden om op hem de levenslange gevangenisstraf te executeren; daarenboven wordt de wijze van executie voor [eiser] onmenselijk, daar hem steeds weer hoop is gegeven door de executerende autoriteiten dat hij gegratieerd zal worden en op jaren zal worden gesteld en dat dit niet geschiedt; laatstelijk niet, nadat de Staat was afgeweken van de normale procedure door inspraak van de Tweede Kamer der Staten-Generaal toe te staan in het uitoefenen van een prerogatief van de Kroon, nadat zowel de bijzondere strafkamer van het Hof te Amsterdam als de Hoge Raad der Nederlanden zelf positief hadden geadviseerd en het derhalve in de rede lag dat gratie zou volgen, hetgeen [eiser] bekend was.

IV. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 8 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht en met name in strijd met de 1e, 2e en 3e titel van het Vierde Boek van het Burgerlijk Wetboek;

immers omtrent de lichamelijke en geestelijke toestand van [eiser] is in 1972 en 1973 een rapport gemaakt door de psychiatrische observatiekliniek voor het gevangeniswezen te Utrecht;

de Staat heeft steeds geweigerd dit stuk vrijwillig in het geding te brengen; nu het Hof voormelde physieke en psychische gezondheidstoestand in zijn oordeelsvelling heeft betrokken, had het Hof de Staat bewijs dienen op te dragen omtrent die toestand door het toch reeds gemaakte rapport in het geding te brengen;

dan was voor een conclusie omtrent de physieke en psychische gezondheidstoestand van [eiser] voldoende feitelijke grondslag aanwezig geweest, hetgeen thans niet het geval is.

Thans is immers slechts bekend, dat de conclusie van het rapport is ‘’gratiëring gewenst om penitentiaire redenen’’;

daar komt nog bij, dat [eiser] na het opmaken van dit rapport nog een hersenbloeding heeft gehad en zijn gezondheidstoestand sindsdien alleen maar achteruit is gegaan.

V. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd, of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, door dat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 10 en 12 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht en met name met artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede artikel 26 van de Beginselenwet Gevangeniswezen van 21-12-1951, Stb. 596, en met de ongeschreven regel van gewoonterecht, luidende: ‘’tenuitvoerlegging van elke straf wordt onrechtmatig zodra voortzetting van de aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geen in onze strafrechtspleging erkend doel meer kan dienen’’.

Immers gezien de thans geldende rechtsopvatting, zoals deze zijn weerslag heeft gevonden in artikel 26 van de Beginselenwet Gevangeniswezen zal iedere veroordeelde in beginsel terugkeren in de samenleving. Bovendien wordt deze regel onderschreven door de rechtsgeleerde schrijvers door [eiser] in vorige instantiën naar voren gebracht en door de Staat zelf.

Ten onrechte gaat het Hof er hier van uit, dat de Strafwet de enige bron zou zijn met betrekking tot de strafrechtspleging en met name met betrekking tot de executie van de gevangenisstraf die in handen is van de Staat zelf, zijnde het bestreden arrest op dit punt in elk geval niet naar de eisen der wet met redenen omkleed.

VI. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan het niet in acht nemen uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 11 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse strafrecht en met name met artikel 9 en 12 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 van de Gevangenismaatregel voornoemd.

Immers, het vermijden van schokkende gevoelens bij slachtoffers is niet een strafdoel, dat ons strafrecht erkent.

De executie van de straf kan niet worden gebezigd tot een doel dat niet in het strafrecht is erkend.

Doet de Staat zulks toch, dan handelt hij onrechtmatig, zijnde het bestreden arrest op dit punt in elk geval niet naar de eisen der wet met redenen omkleed.

VIII. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 13 en 14 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht en met name met artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 77 van de Grondwet en de artikelen 1 en volgende van het K.B. van 13-12-1887, Stb. 215, nu immers het er te dezen niet om gaat of voortzetting van de executie onrechtmatig is ten opzichte van [eiser] .

Dit klemt te meer, nu het wel degelijk aan de Rechter is, om het beleid van de Regering, in het bijzonder het gratiebeleid te toetsen, zij het dat een dergelijke toetsing ‘’marginaal’’ uitsluitend geschiedt.

Het beleid van de Regering ten opzichte van [eiser] is onrechtmatig, nu immers te dezen voor gratie is afgeweken van de gebruikelijke procedure – neergelegd in het gratiebesluit voormeld – door de Tweede Kamer der Staten-Generaal ‘’inspraak’’ te geven in de uitoefening van een prerogatief van de Kroon.

Daarmee heeft de Staat de gelegenheid gegeven tot gevoelsuitingen, welke uitingen zo grote vormen hebben aangenomen, dat zij thans kennelijk de Staat van zijn rechtsplicht afhouden.

De Staat kan deze rechtsplicht niet volbrengen, doordat hij door gemelde gevoelsuitingen in een noodtoestand is geraakt, die hij evenwel door gemelde ‘’inspraak’’ zelf heeft opgeroepen. Daarmede handelt de Staat onrechtmatig ten aanzien van [eiser] .

VIII. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd, of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 16 en 17 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht en met name met de ongeschreven dat ‘’gelijke monniken gelijke kappen’’ behoren te dragen, immers tegen de stelling van de Regering, dat ten aanzien van oorlogsmisdadigers regelmatig een selectie is toegepast en [eiser] duidelijk behoort tot de rest-groep die geoordeeld moet worden de ergste misdrijven te hebben begaan, heeft [eiser] in vorige instantiën naar voren gebracht, dat uit de wetenschappelijke publikaties en de opinies van rechtsgeleerde schrijvers, met name de dissertatie van Rüter, naar voren komt, dat met name na 1962 geen sprake is van gerichte selectie, doch van willekeur. Ten aanzien van Lages is de executie destijds opgeschort.

Bovendien de stelling, dat [eiser] behoort tot de rest-groep die geoordeeld moet worden de ergste misdrijven te hebben begaan, is een onbewezen stelling; ’s Hofs onderschrijving daarvan, mist feitelijke grondslag, zijnde het bestreden arrest op dit punt in elk geval niet naar de eisen der wet met redenen omkleed.

IX. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 22 – 26 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht en met name met de 1e, 2e en 3e titel van het Vierde Boek van het Burgerlijk Wetboek.

Immers zonder feitelijke grondslag (het rapport van de psychiatrische observatiekliniek voor het gevangeniswezen uitgebracht in 1972 en 1973, dat daartoe zou dienen is niet overgelegd) stelt het Hof, ‘’dat niet is gebleken, of aannemelijk gemaakt, dat die anders moet worden beoordeeld dan als een toestand waarin ieder ouder wordend mens kan geraken en dat hij daarvoor een goede en humane behandeling en verzorging geniet;’’;

Het bewijs van het tegendeel – [eiser] is een geestelijk en lichamelijk wrak – is aangeboden te bewijzen en de te bewijzen aangeboden feiten konden leiden tot beslissing van de zaak op dit punt. Zij waren derhalve ter zake dienende; derhalve had het Hof aan [eiser] de gelegenheid tot bewijslevering niet mogen onthouden, terwijl het Hof evenmin stelt, dat het aanbod niet ernstig gemeend of niet voldoende bepaald is, terwijl uit de twee getuigeverklaringen duidelijk naar voren komt hetgeen [eiser] op dit punt te bewijzen aanbood.;’’;

Overwegende met betrekking tot de middelen van cassatie:

dat [eiser] , die door het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam op 14 december 1948 tot de doodstraf is veroordeeld en aan wie in december 1951 bij Koninklijk Besluit in dier voege gratis is verleend dat deze straf is omgezet in levenslange gevangenisstraf, in de onderhavige procedure aanvoert, dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt door de levenslange gevangenisstraf thans nog langer ten uitvoer te leggen;

dat, al is het in beginsel mogelijk, dat de rechter een rechtsvordering als de onderhavige van een gevangene tegen de Staat toewijst, de Nederlandse wetgeving de rechter bij de beoordeling van een dergelijke vordering tot terughoudendheid noopt;

dat immers de Grondwet in artikel 77 het recht van gratie van straffen door rechterlijk vonnis opgelegd aan de Koning geeft, waaraan het grondwetsartikel toevoegt dat de Koning het recht van gratie uitoefent na het advies van de rechter te hebben ingewonnen; dat voorts de Beginselenwet gevangeniswezen de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in handen van de Minister van Justitie legt en aan de rechterlijke macht daarbij geen taak toekent, welke regeling is tot stand gekomen na nauwgezette overweging van de vraag of de rechterlijke macht in de tenuitvoerlegging diende te worden betrokken;

Overwegende ten aanzien van de middelen I en III, voor zover daarin wordt geklaagd over schending van bepalingen van het Verdrag van Rome ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden:

dat geen van de bepalingen van het Verdrag steun geeft aan de door [eiser] verdedigde stelling dat een levenslange gevangenisstraf niet tot het overlijden van de veroordeelde mag worden tenuitvoergelegd, wanneer de gevangene na de veroordeling geruime tijd in de gevangenis heeft doorgebracht;

dat er geen sprake is van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of straf in de zin van artikel 3 van het Verdrag, wanneer de Staat bij ernstige achteruitgang van de gezondheidstoestand van de veroordeelde voortgaat met de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf, mits hem een passende medische verzorging wordt verstrekt;

dat het Gerechtshof wat dit laatste betreft heeft beslist – welk feitelijk oordeel in cassatie niet is bestreden – dat [eiser] een goede en zorgvuldige behandeling en verzorging ondervindt;

dat de middelen I en III, voor zover klagend over schending van bepalingen van het Verdrag van Rome, mitsdien tevergeefs zijn voorgesteld;

Overwegende dat ook in middel II wordt geklaagd over schending van die verdragsbepalingen, maar deze klacht in wezen de motivering van het bestreden arrest betreft, zodat daarbij niet aan de orde is of de Staat in strijd met de verdragsbepalingen heeft gehandeld;

Overwegende thans ten aanzien van de middelen I, II en III voor zover daarin wordt geklaagd over schending van bepalingen van de Nederlandse wetten en rechtsbeginselen en over verzuim van vormen;

dat geen wetsregel, geen regel van ongeschreven recht en geen rechtsbeginsel de Staat verbiedt een levenslange gevangenisstraf ten uitvoer te leggen tot de veroordeelde overlijdt, ook niet wanneer deze al geruime tijd na de veroordeling in de gevangenis heeft doorgebracht;

dat dit evenmin het geval is, wanneer de gezondstoestand van de veroordeelde in ernstige mate achteruitgaat, mits hem een passende medische verzorging wordt verstrekt, hetgeen naar ’s Hofs feitelijke beslissing met [eiser] het geval is;

dat hetgeen door de President van de Rechtbank is overwogen en door het Hof in zijn arrest is overgenomen omtrent de achteruitgang van de fysieke en psychische toestand, die iedere ouder wordende mens kan overkomen, geen andere betekenis heeft dan dat volgens de President en het Hof de achteruitgang van de gezondheidstoestand van [eiser] , gezien zijn leeftijd, niet van een uitzonderlijke aard was, welk oordeel in verband moet worden gezien met wat het Hof in de achtste rechtsoverweging heeft overwogen, te weten dat het niet aannemelijk is gemaakt dat [eiser] ’s fysieke of psychische gesteldheid hem het leed van de vrijheidsberoving zwaarder zou doen dragen dan iemand van betere gezondheid in overigens dezelfde omstandigheden;

dat de Hoge Raad bij de behandeling van middel IX zal terugkomen op ’s Hofs oordeel over de gezondheidstoestand van [eiser] ;

dat [eiser] voorts beroep doet op de ‘’gewoonte’’, dat sinds 1900 een door de rechter opgelegde levenslange gevangenisstraf steeds is omgezet in een tijdelijke gevangenisstraf;

dat [eiser] niet behoort tot de personen die door de commune rechter tot levenslange gevangenisstraf zijn veroordeeld, maar tot de groep personen die door de Bijzondere Gerechtshoven en de Bijzondere Raad van Cassatie na 1945 ter dood zijn veroordeeld en nadien in dier voege gratie hebben verkregen, dat hun straf verwisseld is in levenslange gevangenisstraf;

dat, al is laatstbedoelde groep op drie personen na – waaronder [eiser] – inmiddels individueel in vrijheid gesteld, de Staat door deze invrijheidstellingen op zich zelf en zonder meer niet gehouden is ook de laatste drie in vrijheid te stellen;

dat de in het slot van middel III aangevoerde klacht, dat de wijze van tenuitvoerlegging van de straf onmenselijk is, omdat aan [eiser] door de executerende autoriteiten steeds weer hoop is gegeven, dat hij door gratieverlening op jaren zal worden gesteld en dat dit niet geschiedt, hierop moet afstuiten, dat niet aan de Staat kan worden verweten dat hij door een gratieverzoek in behandeling te nemen en daaraan bijzondere aandacht te geven [eiser] de hoop geeft dat gratie zal worden verleend;

Overwegende omtrent de middelen V en VI:

dat de President van de Rechtbank, overwegende dat niet gezegd kan worden dat de Regering de grenzen van het recht overschrijdt en aldus willekeurig handelt tegenover [eiser] , nu moet worden aangenomen dat een straf als waarvan hier sprake is mede dient om het leed van de slachtoffers van misdrijven van de soort als door [eiser] gepleegd te verlichten en om te voorkomen dat door vrijlating van een man als [eiser] dat leed wordt verergerd, niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het Hof de bezwaren, die [eiser] in hoger beroep daartegen heeft ingebracht, terecht heeft verworpen;

dat aan artikel 26 van de Beginselenwet gevangeniswezen niet een argument tegen deze rechtsopvatting kan worden ontleend, omdat dit artikel, bepalende dat het regime in de gevangenissen – met handhaving van het karakter van de straf – mede is gericht op de terugkeer van de veroordeelden in de maatschappij, uitgaat van het normale geval dat de veroordeelde op een gegeven moment in de maatschappij terugkeert, maar daarin niet een aanspraak van iedere veroordeelde op invrijheidstelling besloten ligt;

Overwegende omtrent middel VII:

dat – daargelaten of een procedurefout bij de behandeling van een gratieverzoek van invloed kan zijn op de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van de straf – geen rechtsregel de Regering belette om, toen zij tot de slotsom was gekomen dat een Koninklijk Besluit, houdende gratieverlening aan [eiser] zou moeten worden bevorderd, haar opvatting aan de Tweede Kamer van de Staten-Generaal mede te delen, al was in het Koninklijk Besluit van 13 december 1887, S. 215, niet voorzien dat in enig geval de Tweede Kamer op deze voet kan worden ingelicht;

Overwegende omtrent middel VIII:

dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel miskent, dat naar de feitelijke beslissing van het Hof, welke in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden, [eiser] behoort tot de restgroep die geoordeeld moet worden de ergste misdrijven te hebben begaan;

Overwegende omtrent de middelen IV en IX:

dat de stellingen van [eiser] omtrent zijn gezondheidstoestand, voorkomende in de dagvaarding waarmee dit geding is ingeleid, door de Staat als juist zijn erkend;

dat deze stellingen dus niet meer bewezen behoefden te worden;

dat het Hof, uit de aldus ten processe vaststaande feiten betreffende de gezondheidstoestand van [eiser] de conclusie heeft getrokken dat niet aannemelijk is gemaakt dat de fysieke of psychische gesteldheid van [eiser] hem het leed der vrijheidsberoving zwaarder zou doen dragen dan iemand van betere gezondheid in overigens in overigens dezelfde omstandigheden;

dat dit oordeel van feitelijk aard is en in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden;

dat het beroep dat in middel IX wordt gedaan op een door [eiser] te dezer zake gedaan bewijsaanbod feitelijke grondslag mist;

Overwegende dat geen van de cassatiemiddelen tot vernietiging van het arrest kan leiden;

Verwerpt het beroep;

Veroordeelt eiser in de kosten op het beroep in cassatie gevallen, tot deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op f 229,-- aan verschotten en f 1.300,-- voor salaris.

Aldus gedaan door Mrs. Dubbink, President, Drion, Snijders, Köster en Haardt, Raden, en door Mr. Drion voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de elfde februari 1900 zeven en zeventig, in tegenwoordigheid van de Procureur-Generaal.