Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1977:AB6982

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-07-1977
Datum publicatie
12-02-2021
Zaaknummer
69006
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1977:AB6982
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1977, 601 met annotatie van Th.W. van Veen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 juli 1977

Nr. 69006

WH.

Hoge Raad der Nederlanden,

Op het beroep van [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring te Maastricht, rekwirant van cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 14 april 1977, waarbij toelaatbaar is verklaard de uitlevering van rekwirant aan het Koninkrijk Zweden;

Gehoord het verslag van de raadsheer-rapporteur;

Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de rekwirant uitgereikt ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald;

Gelet op de middelen van cassatie, namens de rekwirant door Mr. M. Moszkowicz, advocaat te Maastricht, voorgesteld bij schriftuur, luidende:

‘’Schending van het recht, en/of verzuim van vormen waarvan de nietinachtneming nietigheid ten gevolge heeft,

I. door te overwegen — op welke overweging de bestreden uitspraak mede berust — dat het verweer van de raadsman van requirant dat niet is voldaan aan het aan het vereiste van de dubbele (gekwalificeerde) strafbaarheid (neergelegd in artikel 2, lid 1, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering), verworpen dient te worden omdat aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid is voldaan, indien, gelijk te dezen het geval is, soortgelijke feiten als waarvoor de uitlevering wordt verzocht, krachtens de wetten van de aangezochte staat ten tijde van het verzoek tot en de beslissing omtrent de uitlevering strafbaar zijn gesteld op de voet als in artikel 2, lid 1 van genoemd Verdrag omschreven, terwijl ook overigens is voldaan aan het bij artikel 5, lid 1 aanhef en sub b van de Uitleveringswet gestelde vereiste voor uitlevering in verband met tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, zulks ten onrechte omdat — anders dan de Rechtbank overweegt — wil aan het vereiste der dubbele, gekwalificeerde strafbaarheid als neergelegd in artikel 2 lid 1 Europees Verdrag betreffende uitlevering voldaan zijn, in elk geval noodzakelijk is dat het feit of de feiten, ter zake waarvan de uitlevering wordt gevraagd, naar het recht van de aangezochte staat, in casu derhalve naar Nederlands recht, zoals dat geldt ten tijde waarop het feit of de feiten zou(den) zijn begaan strafbaar is (zijn) gesteld met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt met een maximum van tenminste een jaar of met een zwaardere straf, hebbende de Rechtbank terecht kennelijk impliciet aangenomen dat naar Nederlands recht voor de feiten ter zake waarvan de uitlevering van requirant is verzocht ten tijde waarop deze (zouden) zijn begaan geen uitlevering mogelijk was nu deze te dien tijde (slechts) overtreding(en) van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening vormde(n), bedreigd met aan lager strafmaximum dan door artikel 2, lid 1, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering vereist.

Toelichting: Uw Raad heeft bij zijn arrest d.d. 16 januari 1973 N.J. 1973, 281 omtrent het beginsel en vereiste der dubbele strafbaarheid overwogen dat dit de strekking heeft te voorkomen, dat de aangezochte partij zou moeten meewerken aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht.

In het zelfde arrest overwoog Uw Raad dat zulk een geval zich niet voordoet indien, gelijk in het toen (en ook thans weer) aan de orde zijnde geval, soortgelijke feiten als waarvoor de uitlevering wordt verzocht, krachtens de Wetten van de aangezochte partij ten tijde van het verzoek tot en de beslissing omtrent de uitlevering strafbaar zijn gesteld op de voet als in art. 2 omschreven.

Requirant is zich er uiteraard wel bewust van dat het door hem — en in 1972 ook door de Rechtbank te Maastricht — aangehangen standpunt volstrekt afwijkt van de in even bedoelde overweging neergelegde rechtsopvatting van Uw Raad, van welker juistheid, salva omni reverentia, hij nochtans niet overtuigd is.

Requirant meende en meent dat het bepaaldelijk in strijd is met de eigen rechtsopvattingen indien een staat, in casu Nederland, door tot uitlevering over te gaan medewerkt aan het toepassen van een strafsanctie, in casu gevangenisstraf van 8 jaren, voor een feit dat naar Nederlands recht ten tijde dat het zou zijn begaan slechts als overtreding met een maximale vrijheidsstraf van 6 maanden kon worden bestraft.

II. door te overwegen — op welke overweging de bestreden uitspraak mede berust — naar aanleiding van het verweer van de raadsman van requirant dat het recht tot strafvervolging of strafexecutie is verjaard en mitsdien niet was voldaan aan het vereiste van artikel 10 Europees Verdrag betreffende uitlevering, dat ook de vraag naar verjaring der strafvervolging en — tenuitvoerlegging, anders dan de raadsman voorstaat, dient te worden beoordeeld naar het recht ten tijde van het verzoek en de beslissing tot uitlevering, krachtens hetwelk op de onderhavige feiten als misdrijven een verjaringstermijn van toepassing is, zodat ook dit verweer van de raadsman niet opgaat, zulks ten onrechte,

a. omdat de vraag of het recht tot strafvervolging en de straf m.b.t. specifiek naar tijd en plaats omschreven feiten als ter zake waarvan de uitlevering kan worden verzocht verjaard is, slechts behoort te worden beoordeeld naar de bepalingen betreffende verjaring zoals deze golden ten tijde dat de feiten in kwestie (zouden) zijn begaan;

b. althans omdat indien het recht tot strafvervolging of de straf ter zake van het feit of de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd eenmaal is verjaard, gelijk in casu is geschied, dit recht niet herleeft door een verandering van wetgeving welke er in voorziet dat een langere verjaringstermijn geldt voor soortgelijke feiten welke zijn begaan nadat die verandering van wetgeving van kracht is geworden;

Toelichting: Theoretisch zijn omtrent dit vraagstuk in elk geval de volgende standpunten denkbaar.

Men zou het standpunt kunnen innemen dat, indien een verandering van wetgeving plaats heeft welke een langere verjaringstermijn medebrengt op een tijdstip dat de verjaring m.b.t. een voordien begaan feit nog niet is voltooid zulks geen consequenties heeft voor de verjaringstermijn welke geldt ten aanzien van het recht tot strafvervolging en de straf ten aanzien van dat voordien begane feit.

Dit standpunt is het hierboven onder a. verdedigde. Het is immers geldend Nederlands recht dat een verandering van wetgeving welke feiten die tot zeker tijdstip als overtreding (met een dienovereenkomstig korte verjaringstermijn) maakt, niet van invloed is op de verjaringstermijn welke geldt ten aanzien van feiten welke vóór die verandering van wetgeving werden begaan.

Voorts (het onder b. verdedigde standpunt) kan men de opvatting huldigen dat, zodra ten aanzien van zeker feit het recht tot strafvervolging eenmaal verjaard is, gelijk in casu het geval was, deze verjaring niet meer door een verandering van wetgeving ongedaan kan worden gemaakt.

Door het verjaard zijn van het recht tot strafvervolging en van de straf dat recht definitief teniet gegaan.

Herleving zonder daartoe strekkende wetsbepaling is, het spreekt vanzelf, dan uitgesloten.

Het laatste standpunt is dat, hetwelk in de bestreden uitspraak wordt ingenomen.

Daar wordt er volledig aan voorbijgegaan, in strijd met alle ter zake geldende wetsvoorschriften, dat overtreding in wetgeving welke van bepaalde feiten, tot dan als overtreding geldend, misdrijven maakt voor zover die feiten zijn begaan ná die verandering van wetgeving, ook consequenties zou hebben op het stuk van verjaring ten aanzien van feiten welke voor die verandering van wetgeving zijn begaan, zelfs indien het recht tot strafvervolging ten aanzien van die feiten zou zijn verjaard, gelijk in casu het geval is.

III. door te overwegen — op welke overweging de bestreden uitspraak mede berust — ten aanzien van het verweer van de raadsman van requirant ‘’dat de uitlevering ontoelaatbaar is voor de gevangenisstraf van acht jaren waartoe de opgeëiste persoon veroordeeld is, omdat blijkens de bij het verzoek overgelegde wetsteksten eerst meer dan één jaar nadat de opgeëiste persoon de te zijnen laste bewezen verklaarde feiten zou hebben begaan, de maximum straf van zes jaren voor die feiten is verhoogd tot tien jaren en wel met ingang van 1 april 1972, zodat aan de opgeëiste persoon een zwaardere straf is opgelegd dan ten tijde, waarop hij de feiten, waarvoor hij is veroordeeld, zou hebben begaan, rechtens geoorloofd was, hetwelk in strijd is met het aan artikel 1 Wetboek van Strafrecht ten grondslag liggende beginsel’’, dat de Rechtbank van oordeel is dat de Nederlandse Rechter, geroepen om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, de door de Rechter van de verzoekende staat toegepaste strafmaat in geval van verandering van wetgeving na het begaan der feiten, niet mag toetsen aan artikel 1 Wetboek van Strafrecht, zulks ten onrechte omdat de Rechtbank, aldus overwegende, een grondbeginsel van het uitleveringsrecht miskent, nl. dat de aangezochte staat niet behoeft en ook niet mag medewerken aan het toepassen van een strafsanctie indien en voor zover zulks met de eigen rechtsopvattingen strijdig is.

Toelichting: Uit de door Zweden overgelegde stukken blijkt dat requirant tot gevangenisstraf voor de tijd van acht jaren is veroordeeld, terwijl uit mede door Zweden overgelegde stukken (wetteksten) blijkt dat ten tijde dat requirant de feiten, welke te zijnen laste bewezen zijn verklaard, zou hebben begaan, met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar had kunnen worden gestraft.

Aan requirant is alzo een straf opgelegd welke, voor zover deze een langere duur heeft dan zes jaar, is opgelegd met schending van een universeel rechtsbeginsel, uitgedrukt in artikel 1 Sr.

Het aan Nederland gedane uitleveringsverzoek behelst mede een uitnodiging aan Nederland om effectief aan deze rechtsschennis mede te werken.

Een dergelijke medewerking komt in strijd met het hiervoor omschreven beginsel van uitleveringsrecht, welk beginsel onder meer in de artikelen 2 en 10 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering tot uitdrukking komt.

Deswege is de onderhavige uitlevering ook op deze grond ontoelaatbaar’’;

Gehoord de Advocaat-Generaal Kist in zijn conclusie daartoe strekkende dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen doch alleen voor zover deze niet de vermelding inhoudt van de toepasselijke bepalingen van de Nederlandse strafwet en van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan en dat de Hoge Raad, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal verstaan dat als toepasselijk artikel alsnog wordt vermeld artikel 10 lid 2, 3 en 4 van de nieuwe Opiumwet met vermelding tevens van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan en met verwerping van het beroep voor het overige’’;

Overwegende dat de bestreden uitspraak onder meer inhoudt:

‘’Gezien de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet d.d. 25 maart 1977 door de Officier van Justitie bij deze Rechtbank ingediend naar aanleiding van een door de Regering van het Koninkrijk Zweden gedaan verzoek tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon]. geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Maastricht.

Gezien de stukken, waaronder meer in het bijzonder:

1. Het in de Engelse taal opgestelde schrijven van de Ambassade van het Koninkrijk Zweden te 's-Gravenhage d.d. 23 maart 1977, houdende het verzoek tot uitlevering aan Zweden van [de opgeëiste persoon], vergezeld van de volgende in de Zweedse taal gestelde stukken, blijkens aan deze stukken gehechte verklaring no. 2410 d.d. 22 maart 1977 van Staffan Duhs, ‘’Acting Head of the Juridical Division of the Legal Department, Ministry for Foreign Affairs in Stockholm’’, gecertificeerd als fotocopieën conform het origineel, alsmede vergezeld van de bijbehorende vertalingen in de Nederlandse taal, blijkens de zojuist genoemde verklaring gecertificeerd als vertalingen conform de originele stukken:

a. een verzoek tot uitlevering van het Bestuur van het gevangeniswezen te Zweden aan het Zweedse Ministerie van Buitenlandse Zaken d.d. 10 maart 1977;

b. een arrest van het Hoogste Gerechtshof te Stockholm d.d. 19 november 1973, gewezen in de zaak tegen [de opgeëiste persoon] voornoemd;

c. een arrest van het SVEA Hof van Appel d.d. 30 augustus 1973, gewezen in de zaak tegen [de opgeëiste persoon] voornoemd, met de eisen en de motivering van het arrest;

d. een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Stockholm d.d. 21 juni 1973, gewezen in de zaak [de opgeëiste persoon] voornoemd, met de eisen en de motivering van de uitspraak;

e. een opsomming van de van belang zijnde wettelijke strafbepalingen met betrekking tot [de opgeëiste persoon] voornoemd;

2. een fotocopie van de Zweedse Narcotica-verordening, uitgevaardigd te Stockholm d.d. 14 december 1962 (SFS nr. 704), vergezeld van een bijlage, voorzien van het opschrift ‘’SFS 1974: 712: Socialstyrelsens narkotikaförteckningar’’;

Gehoord ter openbare terechtzitting van 31 maart 1977 de voornoemde [de opgeëiste persoon] persoon, diens raadsman en de Officier van Justitie;

Overwegende, dat uit de overgelegde stukken en de eigen opgave van de [de opgeëiste persoon] persoon ter voormelde terechtzitting is komen vast te staan diens identiteit alsmede dat hij is van Duitse en niet van Nederlandse nationaliteit;

Overwegende, dat de Zweedse regering de uitlevering van [de opgeëiste persoon] voornoemd heeft gevraagd ter fine van verdere executie van de door het SVEA Hof van Appel bij arrest van 30 augustus 1973 aan [de opgeëiste persoon] opgelegde gevangenisstraf van acht jaren, waarvan de tenuitvoerlegging op 19 november 1973 begonnen is en aan welke tenuitvoerlegging [de opgeëiste persoon] zich op 16 december 1976 onttrokken heeft;

Overwegende, dat de raadsman uitvoerig heeft betoogd, dat i.c. niet voldaan is aan het in artikel 2, lid 1, van het Europees verdrag betreffende uitlevering neergelegde beginsel der zogenaamde dubbele strafbaarheid, omdat de feiten ter zake waarvan de opgeëiste persoon indertijd werd uitgeleverd en in Zweden is veroordeeld, ten tijde waarop zij zouden zijn gepleegd naar Nederlands recht geen strafbare feiten vormden, waarvoor een voor uitlevering vereiste vrijheidsstraf kon worden opgelegd, doch dat zulks eerst nadien het geval werd;

Overwegende, dat het verweer van de raadsman verworpen dient te worden omdat aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid is voldaan, indien, gelijk te dezen het geval is, soortgelijke feiten als waarvoor de uitlevering wordt verzocht, krachtens de wetten van de aangezochte staat ten tijde van het verzoek tot en de beslissing omtrent de uitlevering strafbaar zijn gesteld op de voet als in artikel 2, lid 1 van genoemd Verdrag omschreven, terwijl ook overigens is voldaan aan het bij artikel 5, lid 1 aanhef en sub b van de Uitleveringswet gestelde vereiste voor uitlevering in verband met tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf;

Overwegende, dat de raadsman vervolgens heeft betoogd, dat de gevraagde uitlevering niet toelaatbaar is, omdat het recht tot strafvervolging en tot strafexecutie naar Nederlands recht verjaard is, stellende dat geen der in Zweden ten laste van de opgeëiste persoon bewezen verklaarde feiten is begaan na 31 december 1969 en die feiten te dien tijde te onzent werden aangemerkt als overtredingen, waarvoor een verjaringstermijn van twee jaren geldt, zodat, aldus de raadsman, die feiten in elk geval op 31 december 1971 verjaard waren;

Overwegende, dienaangaande, dat ook de vraag naar verjaring der strafvervolging en — tenuitvoerlegging, anders dan de raadsman voorstaat, dient te worden beoordeeld naar het recht ten tijde van het verzoek en de beslissing tot uitlevering, krachtens hetwelk op de onderhavige feiten als misdrijven een verjaringstermijn van twaalf jaren van toepassing is, zodat ook dit verweer van de raadsman niet opgaat;

Overwegende, dat de raadsman ten slotte betoogd heeft, dat de uitlevering ontoelaatbaar is voor de gevangenisstraf van acht jaren waartoe de opgeëiste persoon veroordeeld is, omdat blijkens de bij het verzoek overgelegde wetsteksten eerst meer dan één jaar nadat de opgeëiste persoon de te zijnen laste bewezen verklaarde feiten zou hebben begaan, de maximum straf van zes jaren voor die feiten is verhoogd tot tien jaren en wel met ingang van 1 april 1972, zodat aan de opgeëiste persoon een zwaardere straf is opgelegd dan ten tijde, waarop hij de feiten, waarvoor hij is veroordeeld, zou hebben begaan, rechtens geoorloofd was, hetwelk in strijd is met het aan artikel 1 Wetboek van Strafrecht ten grondslag liggende beginsel, aldus de raadsman;

Overwegende, dat de Rechtbank van oordeel is, dat de Nederlandse rechter, geroepen om te oordelen over de toelaatbaarheid der uitlevering, de door de rechter van de verzoekende staat toegepaste strafmaat in geval van verandering der wetgeving in de verzoekende staat na het tijdstip van het begaan der feiten, niet mag toetsen aan artikel 1 Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat, nu de Rechtbank niet is gebleken van enige omstandigheid die de verzochte uitlevering op zich zelf ontoelaatbaar zou doen zijn, de uitlevering van [de opgeëiste persoon] toelaatbaar verklaard dient te worden.

Gelet op de artikelen 1, 2, 5, 18, 25, 26, 27, 28 en 63 van de Uitleveringswet en de artikelen 1, 2, 12, 22, 23 en 27 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering;

Verklaart toelaatbaar de uitlevering aan het Koninkrijk Zweden van [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Maastricht, voor zover deze uitlevering is gevraagd ter fine van verdere executie van het door het SVEA Hof van Appel bij arrest van 30 augustus 1973 aan [de opgeëiste persoon] voornoemd opgelegde gevangenisstraf van acht jaren, waarvan de tenuitvoerlegging op 19 november 1973 begonnen is en aan welke tenuitvoerlegging [de opgeëiste persoon] voornoemd zich op 16 december 1976 onttrokken heeft’’;

Overwegende dat uit de in de bestreden uitspraak als ‘’gezien’’ vermelde, tezamen met Nederlandse vertalingen bij het verzoek tot uitlevering gevoegde stukken onder meer blijkt:

dat bij vonnis van de Rechtbank te Stockholm van 21 juni 1973 ten laste van rekwirant is bewezenverklaard:

‘’dat hij zich tijdens het voorjaar van 1968, wegens het Zweedse narcoticamisbruik van centraal-stimulerende middelen, heeft gevestigd in [plaats] als handelaar in fenmetraline; dat hij zijn partijen kocht in los gewicht en dat hij tevens kocht kapsules, die hij vulde of liet vullen met fenmetraline; dat hij de aldus gevulde kapsules vervolgens liet vervoeren naar Zweden, waar een door hem aangesteld persoon zorg droeg voor de partijen en volgens aanwijzingen van [de opgeëiste persoon] de kapsules aan verschillende personen uitdeelde; dat bij elke gelegenheid [de opgeëiste persoon] eveneens de prijs bepaalde en dat de betalingen vervolgens werden verzameld en naar [de opgeëiste persoon] in Duitsland werden gebracht; dat [de opgeëiste persoon] voor wat betreft de periode van 6 april 1969 tot 14 december 1969 als een deel van deze werkzaamheid:

1. op 6 april 1969 in Hamburg (B.R.D.) ongeveer 2.500 kapsules fenmetraline heeft overhandigd aan [betrokkene 1], nu als gehuwd […] geheten, nadat [betrokkene 2] per telefoon vanuit Stockholm deze partij had besteld om die op deze dag uit Hamburg te laten halen,

2. gedurende de periode april-december 1969 bij verschillende gelegenheden in totaal omstreeks 100.000 kapsules fenmetraline in Södertalje heeft geleverd, waar [betrokkene 3] er zorg voor droeg dat deze verder werden uitgedeeld aan verschillende wederverkopers volgens aanwijzingen van [de opgeëiste persoon];

dat bij de onder 2 bedoelde gelegenheden [de opgeëiste persoon] zelf de partijen verborg in de trein, opdat deze niet ontdekt konden worden door het douanepersoneel bij het overschrijden van de Zweedse grens, of instructies aan in zijn opdracht reizende personen gaf omtrent de wijze waarop de partijen verborgen moesten worden’’;

dat de aldus bewezen verklaarde feiten in genoemd vonnis zijn gekwalificeerd als: ernstig narcoticamisdrijf, strafbaar krachtens paragraaf 3 Strafwet inzake narcotica (1968:64), en ernstige smokkel van goederen, strafbaar krachtens paragraaf 3 van de Wet op de smokkel van goederen (1960:418), en rekwirant deswege is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van acht jaren, met aftrek van ondergane voorlopige hechtenis;

dat dit vonnis bij arrest van het Svea Hof van Appel te Stockholm van 30 augustus 1973 in hoger beroep is bevestigd;

dat, naar aanleiding van een door rekwirant tegen dat arrest ingestelde hogere voorziening, bij arrest van het Hooggerechtshof van Zweden van 19 november 1973 is beslist dat geen grond bestaat tot het verlenen van verlof voor een nieuwe behandeling en mitsdien het arrest van voormeld Hof van Appel vaststaat;

dat van de als voormeld aan rekwirant opgelegde gevangenisstraf een gedeelte, groot vier jaren, een maand en elf dagen, nog niet is tenuitvoergelegd;

dat zowel voormelde paragraaf 3 van de Strafwet inzake narcotica als voormelde paragraaf 3 van de Wet op de smokkel van goederen een strafbedreiging behelst van meer dan één jaar;

Overwegende nader omtrent voormelde bewezen verklaring:

dat, gezien de aard van de daarin omschreven gedragingen van rekwirant en de daarin gerelateerde omstandigheden waaronder deze gedragingen hebben plaatsgevonden, in die bewezenverklaring ligt opgesloten dat bedoelde gedragingen door rekwirant opzettelijk zijn gepleegd;

dat, naar van algemene bekendheid is, immers blijkt uit voor een ieder toegankelijke wetenschappelijke literatuur, ‘’fenmetraline’’ en ‘’fenmetrazine’’ benamingen zijn voor één en dezelfde stof, welke onder laatstgenoemde naam staat vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Overwegende omtrent het eerste middel:

dat soortgelijke feiten als die welke in voege als voorschreven door de Zweedse strafrechter ten laste van rekwirant zijn bewezenverklaard en ter zake waarvan hij door die rechter tot een vrijheidsstraf van acht jaren is veroordeeld, hier te lande sedert 1 november 1976 — derhalve voordat het onderhavige verzoek tot uitlevering is gedaan — krachtens artikel 10, tweede, derde en vierde lid, in verband met artikel 2, eerste lid, onder A, B en C, van de Opiumwet, gelijk deze wet is gewijzigd bij de op evengenoemde datum in werking getreden Wet van 23 juni 1976, Stb. 424, tot wijziging van eerstgemelde wet, strafbaar zijn gesteld met, onder meer, vrijheidsstraffen met elk een maximum van meer dan één jaar;

dat aldus aan de in artikel 2, eerste lid, van het te dezen toepasselijke, op 13 december 1957 te Parijs gesloten Europees Verdrag betreffende uitlevering gestelde vereisten is voldaan, waaraan — anders dan het middel voorstaat — niet in de weg staat de omstandigheid dat bedoelde feiten vóór 1 november 1976 zijn begaan;

dat immers het in evengenoemde verdragsbepaling neergelegde beginsel der dubbele strafbaarheid de strekking heeft te voorkomen dat de aangezochte partij zou moeten medewerken aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht, en zulk een geval zich niet voordoet indien, gelijk te dezen, soortgelijke feiten als die waarvoor uitlevering wordt verzocht, krachtens de wetten van de aangezochte partij ten tijde van het verzoek tot en de beslissing omtrent de uitlevering strafbaar zijn gesteld op de voet als in artikel 2 omschreven;

dat het middel derhalve faalt;

Overwegende omtrent het tweede middel:

dat de hiervoren aangeduide strekking van het in meergemelde verdragsbepaling neergelegde beginsel meebrengt dat ook de vraag of aan toelaatbaarheid van een gevraagde uitlevering in de weg zou staan een verjaring naar Nederlands recht van het recht tot strafvordering, onderscheidenlijk tot uitvoering van de straf ter zake van soortgelijke feiten als die waarvoor deze uitlevering is verzocht, moet worden beoordeeld naar het ten tijde van het verzoek tot en de beslissing omtrent de uitlevering hier te lande geldende recht;

dat in het onderhavige geval de vraag of het recht tot strafvordering naar Nederlands recht zou zijn verjaard, niet aan de orde is, aangezien rekwirant's uitlevering niet is gevraagd ter fine van strafvervolging, doch ten einde hem een reeds opgelegde straf, voor zover nog niet tenuitvoergelegd, verder te doen ondergaan;

dat ten aanzien van het recht tot uitvoering van die straf, indien deze door de Nederlandse rechter ware opgelegd, naar Nederlands recht — ingevolge artikel 76, tweede lid, juncto artikel 70, eerste lid aanhef en onder 3e, van het Wetboek van Strafrecht — een verjaringstermijn van zestien jaren zou gelden;

dat het middel derhalve tevergeefs is voorgesteld;

Overwegende omtrent het derde middel:

dat dit ervan uitgaat ten tijde waarop de als voormeld ten laste van rekwirant bewezen verklaarde feiten zijn begaan — te weten in het tijdvak van 6 april 1969 tot 14 december 1969 — de door de Zweedse strafwet op die feiten gestelde gevangenisstraf ten hoogste zes jaren zou hebben belopen;

dat daarbij evenwel uit het oog wordt verloren dat ingevolge Hoofdstuk 26, sectie 2, van het Zweedse Wetboek van Strafrecht van 1962, in geval van samenloop van meerdere strafbare feiten, ter zake van die feiten één gevangenisstraf kan worden opgelegd van langer duur dan de zwaarste der op die feiten gestelde maximumstraffen, met dien verstande dat de opgelegde straf bedoeld zwaarste maximum met niet meer dan twee jaren mag overschrijden en het verenigd bedrag van de onderscheidene maxima niet te boven mag gaan;

dat het middel derhalve bij gebreke van feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden;

Overwegende ambtshalve:

dat de bestreden uitspraak, in strijd met het bepaalde in artikel 28, derde lid, van de Uitleveringswet, geen vermelding behelst van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, noch ook van de toepasselijke bepalingen van de Nederlandse strafwet krachtens welke die feiten, indien zij binnen het rechtsgebied van het Koninkrijk der Nederlanden waren gepleegd, strafbaar zouden zijn geweest;

dat de door voormelde wetsbepaling gestelde eis van zo wezenlijke betekenis is dat niet-inachtneming van deze bepaling te dien aanzien — ook al is zulks niet uitdrukkelijk met nietigheid bedreigd — nietigheid met zich brengt;

dat derhalve de bestreden uitspraak te dien aanzien niet in stand kan blijven;

dat de Hoge Raad na vernietiging van die uitspraak in zoverre, ingevolge artikel 31, vierde lid, van de Uitleveringswet zal hebben te doen wat de Rechtbank had behoren te doen;

Vernietigt de bestreden uitspraak, doch zulks alleen voor zover deze niet de vermelding inhoudt van de toepasselijke wetsbepalingen, en evenmin van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan;

En te dier zake opnieuw rechtdoende:

Verstaat dat de gedeeltelijk ten uitvoer gelegde gevangenisstraf van acht jaren, ter verdere executie waarvan de Rechtbank de uitlevering aan het Koninkrijk Zweden van [de opgeëiste persoon] voornoemd toelaatbaar heeft verklaard, aan deze is opgelegd ter zake van de in voege als voorschreven te zijnen laste bewezen verklaarde feiten.

Verstaat dat als toepasselijke wetsartikelen worden vermeld de vorenaangehaalde bepalingen van de Opiumwet, alsmede de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Verwerpt het beroep voor het overige.

Gewezen te ’s-Gravenhage bij Mrs. Moons, Vice-President, Fikkert, Bronkhorst, Royer en Van den Blink, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die dit arrest hebben ondertekend en door Mr. Fikkert uitgesproken ter openbare terechtzitting van de eerste juli 1900 zeven en zeventig in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Van Soest.

Mrs. Bronkhorst, Royer en Van den Blink waren verhinderd te ondertekenen.