Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1968:AC3302

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-1968
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
10.205
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1968:AC3302
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overeenkomst; wanprestatie. Tekortkoming; toerekening; schade ontstaan door gebrekkig materiaal (schoonmaakmiddel) gebruikt door schuldenaar resultaatsverbintenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1969, 174 met annotatie van G.J. Scholten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 december 1968

Br./R.V.

D E H O G E R A A D D E R N E D E R L A N D E N

in de zaak nr. 10.205 van

de naamloze vennootschap Cadix Nederland N.V., gevestigd te Schiedam, eiseres tot cassatie van een door het Gerechtshof te 's‑Gravenhage tussen partijen gewezen arrest van 15 december 1967, vertegenwoordigd door Mr. L.D. Pels Rijcken, advocaat bij de Hoge Raad,

t e g e n

de naamloze vennootschap Aluminium Extruders Holland N.V., sedert 1 januari 1968 genaamd de naamloze vennootschap Reynolds Aluminium Holland N.V., gevestigd te Harderwijk, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. D.J. Veegens, mede advocaat bij de Hoge Raad;

Gehoord partijen;

Gehoord de Advocaat-Generaal van Oosten in zijn conclusie, namens de Procureur-Generaal, tot verwerping van het beroep van eiseres in de kosten, welke aan de zijde van verweerster op de voorziening in cassatie zijn gevallen;

Gezien de stukken;

Overwegende dat uit het bestreden arrest en de gedingstukken blijkt:

dat verweerster, nader te noemen A.E.H., eiseres, nader te noemen Cadix, bij exploit van 9 augustus 1965 heeft aangezegd dat [betrokkene 1] te [plaats] bij onderhandse akte van cessie aan A.E.H. heeft overgedragen zijn vordering op Cadix ten bedrage van ƒ 18.046,24 ter zake van aansprakelijkheid wegens door Cadix jegens [betrokkene 1] gepleegde wanprestatie, en voorts Cadix heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam, vorderende dat Cadix zal worden veroordeeld om aan A.E.H. te voldoen het hierboven genoemde bedrag van ƒ 18.046,24, waartoe A.E.H. heeft gesteld:

‘’1. dat A.E.H. door de bij dit exploit betekende cessie op 31 december 1964 eigenares is geworden van de vordering van [betrokkene 1] te [plaats] op Cadix ten belope van ƒ 18.046,24;

2. dat deze vordering is gegrond op het feit, dat Cadix aan [betrokkene 1] voornoemd destijds heeft verkocht en geleverd, gelijk deze heeft gekocht en aanvaard, een schoonmaakmiddel Polyclens met garantie van volledige neutraliteit en onschadelijkheid;

3. dat [betrokkene 1] voornoemd bij een bepaalde schoonmaakbeurt in een fabriek het genoemde middel heeft gebruikt, tengevolge waarvan, in strijd met de garantie, partijen aluminium goederen onherstelbaar zijn beschadigd, ter zake waarvan [betrokkene 1] voornoemd, wegens door de eigenaar dier goederen geleden schade, in casu A.E.H., schuldig is geworden het bedrag ad ƒ 18.046,24;

4. dat Cadix derhalve wanprestatie en/of een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [betrokkene 1] voornoemd en jegens deze aansprakelijkheid is voor de door deze tengevolge daarvan geleden en/of te lijden schade ad ƒ 18.046,24, voor zoveel nodig te wijten aan de schuld van Cadix;

5. dat Cadix in gebreke blijft haar evenbeschreven schuld, thans toekomende aan A.E.H., aan A.E.H. te voldoen;’’;

dat de Rechtbank bij vonnis van 24 februari 1967 aan A.E.H. te bewijzen heeft opgedragen:

‘’1. dat Cadix het middel Polyclens aan [betrokkene 1] heeft verkocht met garantie van volledige neutraliteit en onschadelijkheid;

2. feiten en/of omstandigheden, waaruit het causaal verband tussen het gebruik van de onder 1 genoemde Polyclens en de ontstane schade aan de haar toebehorende aluminium goederen voortvloeit;

3. het bedrag van die schade’’;

dat de Rechtbank daarbij heeft overwogen, voor zover thans nog van belang:

‘’dat, voor zover van belang, ten processe als erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken vaststaat:

1. dat [betrokkene 1] ingevolge een tussen hem en A.E.H. gesloten overeenkomst in december 1963 met het schoonmaakmiddel Polyclens de vloer van de fabriekshal van A.E.H. te Harderwijk heeft gereinigd, waarna partijen in de hal aanwezige aluminium goederen, toebehorende aan A.E.H., onherstelbaar bleken beschadigd te zijn;

2. dat [betrokkene 1] ter zake van deze beschadiging zijn aansprakelijkheid heeft erkend;

3. dat [betrokkene 1] de Polyclens heeft gekocht van Cadix, die het middel overigens niet zelf had vervaardigd en aan wie ten tijde van de koop bekend was dat [betrokkene 1] het zou gebruiken voor het reinigen van een fabriekshal van een aluminium verwerkend bedrijf te Harderwijk;

4. dat [betrokkene 1] ter fine van incasso en afrekening aan A.E.H. in eigendom heeft overgedragen zijn vordering op Cadix als omschreven in een akte van cessie d.d. 31 december 1964, overgelegd bij repliek, alsmede dat A.E.H. het feit van de overdracht bij de dagvaarding heeft doen aanzeggen aan Cadix;

‘’dat A.E.H. naast deze vaststaande feiten aan haar vordering heeft ten grondslag gelegd:

a. dat zij met [betrokkene 1] destijds is overeengekomen dat de schoonmaakbeurt van de vloer van de fabriek zo zou geschieden dat geen schade zou ontstaan aan de zich in de fabriek bevindende goederen;

b. dat de beschadiging van de aluminium goederen het gevolg is van het gebruik van het schoonmaakmiddel Polyclens;

c. dat Cadix het middel Polyclens aan [betrokkene 1] heeft verkocht met garantie van volledige neutraliteit en onschadelijkheid, gelijk deze eigenschappen ook in de folders over dit middel vermeld staan;

d. dat Cadix ook overigens als verkoopster moet instaan voor de deugdelijkheid van het verkochte en uit contract wegens niet-nakoming van haar verplichting en/of uit onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade aan de aluminium goederen ad ƒ 18.046,24;

‘’dat Cadix de posita van A.E.H. heeft weersproken, daartoe in hoofdzaak stellende:

1. dat [betrokkene 1] niet uit contract en/of onrechtmatige daad jegens A.E.H. aansprakelijk is en daarmede tevens de overdracht van de vordering van [betrokkene 1] op Cadix aan A.E.H. een geldige oorzaak ontbeert;

2. ten aanzien van de overgedragen vordering van [betrokkene 1] op Cadix: dat Cadix aan [betrokkene 1] geen garantie heeft gegeven als door A.E.H. gesteld en zij noch uit overeenkomst noch uit onrechtmatige daad jegens [betrokkene 1] aansprakelijk is;

3. dat de schade aan de aluminium goederen niet het gevolg is van het gebruik van Polyclens zoals dit door Cadix aan [betrokkene 1] is geleverd;

4. dat de schade aan de goederen niet de bij dagvaarding gevorderde som heeft bedragen;

‘’Ten aanzien van de cessie:

‘’dat Cadix aan wie slechts het feit der cessie is betekend, zich heeft verweerd door te stellen dat de cessie-overeenkomst A.E.H.- [betrokkene 1] een rechtsgeldige oorzaak zou ontberen;

‘’dat oorzaak of titel op zich zelf ieder rechtsfeit kan zijn waaraan de wet een verplichting tot levering verbindt en derhalve ook een overeenkomst waarbij A aan B een recht overdraagt om dit op eigen naam van B, maar ten behoeve van A jegens C uit te oefenen;

‘’dat ingevolge het in Nederland geldende causale stelsel dit rechtsfeit werkelijk aanwezig moet zijn;

‘’dat Cadix geen gronden heeft gesteld om aan de realiteit en de titel ‘’ter incasso en afrekening’’ te twijfelen noch deze twijfel ten processe is gerezen, terwijl Cadix bovendien geen redelijk belang bij haar verweer heeft, omdat zelfs al zou de titel ontbreken A.E.H. in ieder geval lasthebster tot inning van de vordering van [betrokkene 1] op Cadix is en Cadix, zo zij tot enige betaling gehouden mocht zijn, tegenover A.E.H. altijd bevrijdend zou betalen;

‘’dat derhalve dit verweer van Cadix dient te worden gepasseerd;

‘’Ten aanzien van de verhouding A.E.H.- [betrokkene 1] :

A. wat betreft de wanprestatie:

‘’dat de tussen A.E.H. en [betrokkene 1] gesloten overeenkomst betreffende het schoonmaken van de vloer van de fabriekshal van A.E.H. naar haar aard medebracht dat [betrokkene 1] bij het schoonmaken geen schade, in ieder geval geen schade als de onderhavige, zou toebrengen aan goederen van A.E.H.;

‘’dat zulks reeds moet worden aangenomen zonder de op dit punt in de cessie-akte genoemde uitdrukkelijke verplichting van [betrokkene 1] ;

‘’dat aangezien de onherstelbare beschadiging van de in de fabriekshal aanwezige aluminium goederen van A.E.H. na reiniging van de vloer vaststaat, daarmede ook de wanprestatie van [betrokkene 1] vaststaat, nu ten processe van enige andere schadeoorzaak of van overmacht aan de zijde van [betrokkene 1] niet is gebleken;

B. wat betreft de onrechtmatige daad:

‘’dat slechts zou kunnen worden aangenomen dat [betrokkene 1] naast wanprestatie tevens een onrechtmatige daad jegens A.E.H. heeft gepleegd, indien de eis om zorgvuldig in het verkeer ten opzichte van andermans goed te handelen, onder de gegeven omstandigheden op hem een verplichting buiten overeenkomst zou hebben gelegd welke buitencontractuele verplichting [betrokkene 1] door zijn schuld niet zou zijn nagekomen;

‘’dat hiervan in casu niet is gebleken;

‘’Ten aanzien van de verhouding Cadix- [betrokkene 1] :

A. wat betreft de onrechtmatige daad:

‘’dat, gelijk hierboven overwogen ten aanzien van de verhouding A.E.H.- [betrokkene 1] , een handeling slechts in de zin van artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek onrechtmatig is, indien zij onafhankelijk van de schending van een contractuele verplichting onrechtmatig is;

‘’dat Cadix gezien haar positie als verkoopster, niet-fabrikante, onder de gegeven omstandigheden naar geldend recht geen schuldig handelen buiten contract jegens [betrokkene 1] kan worden verweten, terwijl bovendien volgens het ontwerp voor een nieuw burgerlijk wetboek (art. 6.3.13) alleen de fabrikant die een produkt in het verkeer brengt en niet de verkoper-niet-fabrikant aansprakelijk is;

B. wat betreft de wanprestatie:

‘’dat Cadix aan [betrokkene 1] het schoonmaakmiddel Polyclens heeft geleverd hetwelk [betrokkene 1] van haar heeft gekocht;

‘’dat Cadix daarmede in principe aan haar verplichting als verkoopster heeft voldaan;

‘’dat A.E.H. Cadix niettemin op grond van de koopovereenkomst Cadix- [betrokkene 1] aansprakelijk houdt voor de schade die [betrokkene 1] door het gebruik van het middel aan de goederen van A.E.H. zou hebben aangericht;

‘’dat zulks zonder meer niet uit de koopovereenkomst voortvloeit;

‘’dat ook naar de aard van die overeenkomst, de billijkheid of het gebruik een dergelijke aansprakelijkheid van de verkoper niet medebrengt;

‘’dat immers in het oog moet worden gehouden dat Cadix slechts verkoopster is van het middel Polyclens, zodat zij op de samenstelling en de fabricage van het produkt — en derhalve op de uitwerking ervan — geen enkele invloed heeft;

‘’dat mogelijk een verkoper tegenover een koper bindend de aanwezigheid of afwezigheid van bepaalde feiten of eigenschappen, ten processe ‘’garantie’’ genoemd, toezegt;

‘’dat A.E.H., tegenover de betwisting door Cadix, overeenkomstig haar daartoe strekkend aanbod dan ook dient te worden toegelaten tot het bewijs door getuigen van haar stelling, dat Cadix het middel Polyclens aan [betrokkene 1] heeft verkocht met garantie van volledige neutraliteit en onschadelijkheid;

‘’dat de Rechtbank naar aanleiding van de stelling van A.E.H., dat de door haar genoemde eigenschappen van het middel Polyclens ook in de folders vermeld staan, thans reeds opmerkt dat van algemene bekendheid is, dat folders worden gebruikt om de omzet van het daarin aangeprezen produkt te vergroten, zodat — wil uit een folder een garantie kunnen worden afgeleid, als door A.E.H. gesteld — de formulering ervan bepaaldelijk daartoe aanleiding zal moeten geven;

‘’dat A.E.H. voorts, tegenover de betwisting door Cadix, overeenkomstig haar daartoe strekkend aanbod, naar aanleiding van haar desbetreffende stellingen dient te worden toegelaten tot het bewijs door getuigen van feiten en/of omstandigheden, waaruit het causaal verband tussen het gebruik van het middel Polyclens en de ontstane schade aan de haar toebehorende aluminium goederen voortvloeit, alsmede van het bedrag van die schade;

‘’dat de Rechtbank zo nodig na de getuigenverhoren zal beslissen in hoeverre aan de overgelegde stukken bewijs kan worden ontleend voor de stellingen van partijen;’’;

dat Cadix van dit vonnis in hoger beroep is gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage;

dat het Hof het vonnis van de Rechtbank heeft bekrachtigd en de zaak naar de Rechtbank heeft verwezen, na te hebben overwogen:

1) ‘’dat Cadix een grief tegen het vonnis a quo heeft aangevoerd, welke inhoudt dat de Rechtbank ten onrechte al hetgeen zijdens haar — Cadix — is aangevoerd, met betrekking tot de causa van de cessie, alsmede de grondslag van de aansprakelijkheid van [betrokkene 1] jegens A.E.H., en in verband daarmede de regresvordering van [betrokkene 1] op haar — Cadix —, terzijde heeft gesteld op grond van de in het vonnis vervatte overwegingen; dat toch — aldus Cadix in haar toelichting, zoals zij die bij pleidooi in appel nader heeft gepreciseerd — zij als verweer voorop heeft gesteld dat [betrokkene 1] ten onrechte aansprakelijkheid jegens A.E.H. heeft erkend; dat immers [betrokkene 1] had aangenomen de vloer van de fabriekshal voor A.E.H. te reinigen en dat hij dit reinigen behoorlijk heeft gedaan, nu het tegengestelde in deze procedure noch gesteld noch gebleken is; dat, ook al zou de aard van een overeenkomst, waarbij iemand zoals in casu [betrokkene 1] aannam tegen een zekere vergoeding de vloer van een fabriek te reinigen, zonder meer meebrengen dat die persoon (in casu [betrokkene 1] ) aansprakelijk zou zijn voor schade aan goederen in de fabriek bij dat schoonmaken toegebracht, die persoon toch het recht had zich te disculperen, namelijk door overmacht te bewijzen; dat dit laatste ook gold wanneer [betrokkene 1] door A.E.H. gewaarschuwd zou zijn voor beschadiging der goederen of [betrokkene 1] aan A.E.H. had toegezegd de goederen in de fabriek niet te zullen beschadigen; dat zulks meebrengt dat, wanneer zij — Cadix — aan [betrokkene 1] een garantie van volledige neutraliteit en onschadelijkheid zou hebben gegeven, de vordering van A.E.H. zou moeten worden afgewezen, omdat [betrokkene 1] dan terecht een beroep op afwezigheid van alle schuld casu quo overmacht zou hebben kunnen doen (en zij — Cadix — thans dit beroep kan doen, nu [betrokkene 1] het naliet, en zij het ook in feite doet), zodat er geen regresvordering van [betrokkene 1] op haar — Cadix — is ontstaan en de cessie-overeenkomst tussen A.E.H. en [betrokkene 1] een rechtsgeldige oorzaak ontbeert; dat derhalve — aldus nog steeds Cadix — de Rechtbank, instede van A.E.H. tot bewijs toe te laten, aan A.E.H. haar vordering had dienen te ontzeggen (nu, wanneer niet komt vast te staan dat zij aan [betrokkene 1] een garantie als hiervoor bedoeld heeft gegeven, de vordering van A.E.H. evenmin toewijsbaar is, reeds daarom niet aangezien [betrokkene 1] dan, zoals uit het vonnis a quo blijkt, geen vordering op haar — Cadix — heeft en de cessie-overeenkomst mitsdien eveneens een rechtsgeldige causa mist);

2) ‘’aangaande deze grief:

a. dat de grief betreft de rechtsverhouding tussen A.E.H. en [betrokkene 1] en meer in het bijzonder of deze rechtsverhouding meebrengt dat [betrokkene 1] zich op overmacht had kunnen beroepen ter afwering van zijn aansprakelijkheidsstelling door A.E.H. voor de gestelde schade aan de litigieuze aluminium goederen uit hoofde van wanprestatie;

b. dat vaststaat dat [betrokkene 1] ingevolge een tussen hem en A.E.H. gesloten overeenkomst in december 1963 met het schoonmaakmiddel Polyclens de vloer van de fabriekshal van A.E.H. te Harderwijk heeft gereinigd, waarna in de hal aanwezige partijen aluminium goederen, toebehorende aan A.E.H., onherstelbaar beschadigd bleken te zijn;

c. dat voorts vaststaat dat niet van enige andere schade-oorzaak dan de gestelde (te weten: het reinigen met Polyclens) is gebleken;

d. dat Cadix stelt dat, indien al bewezen zou zijn het oorzakelijk verband tussen dat reinigen en de ontstane schade, [betrokkene 1] desalniettemin niet voor de door A.E.H. geleden schade aansprakelijk was in het geval dat zij — Cadix — het middel Polyclens aan [betrokkene 1] had verkocht met garantie van volledige neutraliteit en onschadelijkheid (— tot het bewijs van welke garantie de Rechtbank A.E.H. heeft toegelaten —) aangezien dan bij [betrokkene 1] iedere schuld heeft ontbroken aan het toebrengen der schade;

e. dat deze stelling van Cadix faalt;

f. dat toch de overeenkomst tussen A.E.H. en [betrokkene 1] inhield, voor zover hier van belang, dat [betrokkene 1] de vloer van de litigieuze fabriekshal diende schoon te maken en deze overeenkomst meebracht — temeer nu, zoals A.E.H. heeft gesteld en Cadix niet heeft bestreden, vóór het schoonmaken nog met zoveel woorden tussen A.E.H. en [betrokkene 1] was besproken dat [betrokkene 1] het schoonmaken zodanig diende te verrichten dat daardoor geen schade zou ontstaan in de zich in dat fabrieksgebouw bevindende goederen — dat [betrokkene 1] door of bij dat schoonmaken geen schade als de onderhavige zou toebrengen aan goederen van A.E.H.;

g. dat [betrokkene 1] bij dat schoonmaken tegenover A.E.H. het risico had voor het materiaal dat hij gebruikte ter uitvoering van zijn overeenkomst met A.E.H., nu hij en niet A.E.H., naar vaststaat, dat materiaal uitkoos;

h. dat mitsdien aan [betrokkene 1] geen beroep op afwezigheid van alle schuld (casu quo overmacht), als door Cadix bedoeld, toekwam en derhalve aan Cadix een dergelijk recht evenmin toekomt;

i. dat uit het vorenstaande volgt dat de grief faalt;’’;

Overwegende dat Cadix 's Hofs arrest bestrijdt met het navolgende middel van cassatie:

‘’Schending van het Nederlandse recht, in het bijzonder van de artikelen 668, 1279, 1280, 1281, 1282, 1374, 1375, 1640 van het Burgerlijk Wetboek, doordien het Hof op de in het bestreden arrest vervatte en hier als ingelast te beschouwen gronden heeft bekrachtigd het vonnis door de Rechtbank te Rotterdam tussen partijen gewezen en uitgesproken op 24 februari 1967, met verdere beslissingen als in het dictum van 's Hofs arrest zijn vermeld, zulks ten onrechte op de volgende gronden:

Naar aanleiding van de door Cadix aangevoerde appelgrief heeft het Hof geoordeeld, dat de ten processe bedoelde [betrokkene 1] tegenover A.E.H. het risico had voor het materiaal (schoonmaakmiddel), dat hij ter uitvoering van zijn overeenkomst met A.E.H. gebruikte, nu hij en niet A.E.H. dit materiaal heeft uitgekozen. Hierop laat het Hof volgen, ‘’dat mitsdien aan [betrokkene 1] geen beroep op afwezigheid van alle schuld (casu quo overmacht), als door Cadix bedoeld, toekwam en derhalve aan Cadix een dergelijk recht evenmin toekomt’’.

's Hofs oordeel, dat [betrokkene 1] tegenover A.E.H. het risico droeg van het gebruikte en door hem uitgekozen materiaal en hij mitsdien geen beroep op afwezigheid van alle schuld (casu quo overmacht) kon doen, berust blijkens het bestreden arrest op hetgeen het Hof omtrent de tussen [betrokkene 1] en A.E.H. gesloten overeenkomst heeft overwogen, met name dat deze overeenkomst, welke inhield dat [betrokkene 1] de vloer van de litigieuze fabriekshal diende schoon te maken, medebracht dat hij door of bij dat schoonmaken geen schade als de onderhavige zou toebrengen aan goederen van A.E.H.

Deze verplichting van [betrokkene 1] alsmede de omstandigheid dat hij en niet A.E.H. het gebezigde schoonmaakmiddel heeft uitgekozen, zijn evenwel rechtens niet — althans niet zonder meer — voldoende zijn om aan te nemen, dat [betrokkene 1] tegenover A.E.H. het risico van dat schoonmaakmiddel droeg en voor de onderhavige schade, welke (beweerdelijk) door gebruik van dat middel is veroorzaakt, ook dàn jegens A.E.H. aansprakelijk zou zijn, indien zou vaststaan dat hem geen enkele schuld treft.

Het bestaan van zulk een risico-aansprakelijkheid van [betrokkene 1] jegens A.E.H. zou wellicht onder omstandigheden uit de tussen deze partijen gesloten overeenkomst kunnen voortvloeien, met name indien het redelijk en/of in overeenstemming met verkeersopvattingen zou zijn te achten, dat [betrokkene 1] ook bij afwezigheid van alle schuld jegens A.E.H. had in te staan voor schadelijke gevolgen van het gebruik van het onderhavige schoonmaakmiddel. Hieromtrent heeft het Hof evenwel niets overwogen en ten processe zijn ook geen feiten en omstandigheden gesteld en gebleken, waaruit valt af te leiden dat een dergelijke aansprakelijkheid van [betrokkene 1] jegens A.E.H. in het onderhavige geval redelijk en/of in overeenstemming met verkeersopvattingen moet worden geacht, hetgeen bijvoorbeeld niet het geval zou zijn, indien de door [betrokkene 1] bij zijn overeenkomst met A.E.H. bedongen tegenprestatie in verhouding tot de omvang van de toegebrachte schade zó gering is, dat het onredelijk zou zijn [betrokkene 1] ook bij afwezigheid van alle schuld te belasten met het risico van (de schadelijke werking van) het gebezigde schoonmaakmiddel, nu hij, — naar A.E.H. bij conclusie van repliek heeft gesteld — niet tegen de gevolgen van contractuele aansprakelijkheid door verzekering was gedekt.’’;

Overwegende aangaande dit middel:

dat blijkens hetgeen het Hof heeft vastgesteld de overeenkomst tussen A.E.H. en [betrokkene 1] met betrekking tot het schoonmaken van de vloer van de fabriekshal van A.E.H. onder meer inhield dat [betrokkene 1] dat schoonmaken zodanig diende te verrichten dat daardoor geen schade zou ontstaan aan de in de fabriekshal aanwezige goederen en dat de keuze van het daartoe te bezigen schoonmaakmiddel aan [betrokkene 1] was overgelaten;

dat er voorts in cassatie van dient te worden uitgegaan dat de schade die tijdens de schoonmaakbeurt aan de in de fabriekshal aanwezige goederen is ontstaan, door het gebruik van het daartoe door [betrokkene 1] gekozen en van Cadix betrokken schoonmaakmiddel is veroorzaakt, en eveneens, nu het tegendeel niet is gesteld, dat het falen van dat middel niet was te wijten aan bijzondere omstandigheden, doch aan eigenschappen die het middel voor het doel waarvoor [betrokkene 1] het in dit geval gebruikte, in het algemeen ongeschikt maakten;

dat, dit zo zijnde, het Hof terecht heeft beslist dat die schade voor rekening van [betrokkene 1] kwam;

dat toch, indien de aard van de overeenkomst, de verkeersopvattingen of de redelijkheid van een bepaald geval geen aanwijzing opleveren voor het tegendeel, als regel valt aan te nemen dat de schuldenaar van een resultaatsverbintenis er voor heeft in te staan dat het materiaal waarvan hij zich voor de uitvoering van zijn verbintenis bedient, in het algemeen de eigenschappen bezit die dit voor dit doel geschikt doen zijn;

dat in het slot van het cassatiemiddel wordt gesteld dat in het onderhavige geval aansprakelijkheid van [betrokkene 1] voor de schadelijke werking van het gebezigde schoonmaakmiddel niet zou mogen worden aangenomen, indien de door [betrokkene 1] bij zijn overeenkomst met A.E.H. bedongen tegenprestatie in verhouding tot de omvang van de toegebrachte schade zò gering is, dat het onredelijk zou zijn [betrokkene 1] ook bij afwezigheid van alle schuld met dat risico te belasten, nu hij — naar A.E.H. heeft gesteld — niet tegen de gevolgen van contractuele aansprakelijkheid door verzekering was gedekt;

dat echter niet blijkt dat door Cadix ter bestrijding van [betrokkene 1] 's aansprakelijkheid op deze omstandigheden voor het Hof een beroep is gedaan;

dat bovendien zodanig beroep Cadix reeds hierom niet zou hebben kunnen baten, omdat, al was [betrokkene 1] tegen de gevolgen van contractuele aansprakelijkheid niet door verzekering gedekt, hij zich naar de stellingen van A.E.H., van de juistheid waarvan in cassatie moet worden uitgegaan, tegen die gevolgen op andere wijze had gedekt, te weten doordat bij de overeenkomst waarbij [betrokkene 1] het onderhavige schoonmaakmiddel van Cadix kocht, Cadix hem ‘’de volledige neutraliteit en onschadelijkheid’’ daarvan had gegarandeerd, hetgeen meebracht dat de schade die [betrokkene 1] als gevolg van zijn aansprakelijkheid voor de werking van dat middel tegenover A.E.H. mocht lijden, door hem op Cadix zou kunnen worden verhaald;

dat het cassatiemiddel mitsdien faalt;

Verwerpt het beroep;

Veroordeelt Cadix in de kosten op de voorziening in cassatie gevallen, aan de zijde van A.E.H. tot deze uitspraak begroot op ƒ 67,50 aan verschotten en ƒ 1.000,-- voor salaris.

Aldus gedaan door Mrs. de Jong, Vice-President, Wiarda, Hülsmann, Beekhuis en Minkenhof, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de dertiende december 1900 acht en zestig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Berger.