Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1968:AB6642

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-03-1968
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
10.122
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1968:AB6642
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schijn van volmacht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1968, 246 met annotatie van G.J. Scholten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 maart 1968

Br.

DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,

in de zaak nr. 10.122 van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende Moluksche Evangelische Kerk in Nederland, gevestigd te 's‑Gravenhage, eiseres tot cassatie van een door het Gerechtshof te 's‑Gravenhage tussen partijen gewezen arrest van 5 januari 1967, vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, advocaat bij de Hoge Raad,

t e g e n

[verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J.J. Koeleman, mede advocaat bij de Hoge Raad;

Gehoord partijen;

Gehoord de Advocaat-Generaal van Oosten in zijn conclusie namens de Procureur-Generaal, strekkende tot vernietiging van het aangevallen arrest, tot verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof en tot veroordeling van de verweerder in de kosten welke aan de zijde van eiseres op de voorziening in cassatie zijn gevallen;

Gezien de stukken;

Overwegende dat uit het bestreden arrest en de gedingstukken blijkt:

dat verweerder, [verweerder] , onder betekening van een ten laste van eiseres, de Kerk, gelegd conservatoir beslag bij dagvaarding van 4 april 1962 de Kerk heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te 's‑Gravenhage en met vanwaardeverklaring van het gelegde beslag heeft gevorderd de betaling van ƒ 35.859,52, bij conclusie van repliek vermeerderd tot ƒ 57.692,53 zulks ter zake van verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd aan het perceel [a-straat 1] te 's‑Gravenhage waartoe naar [verweerder] stelde, de Kerk hem door tussenkomst van het Bouwbureau v/h [betrokkene 2] te Edam opdracht had gegeven;

dat na verweer door de Kerk de Rechtbank bij vonnis van 5 maart 1963 [verweerder] heeft toegelaten te bewijzen:

‘’in het algemeen:

dat de Kerk aan het Bouwbureau v/h [betrokkene 2] volmacht had gegeven om aan [verweerder] opdracht te geven voor rekening van de Kerk de verbouwingswerkzaamheden aan het perceel [a-straat 1] te 's-Gravenhage uit te voeren, althans de Kerk zich zodanig heeft gedragen dat [verweerder] daardoor mocht vertrouwen, dat de Kerk aan het Bouwbureau zodanige volmacht had gegeven, een en ander voor werkzaamheden in de door [verweerder] thans in rekening gebrachte omvang,

en in het bijzonder:

dat [betrokkene 2] is architect en niet aannemer en dat de Kerk, zulks wetende, dus moest beseffen dat [betrokkene 2] de werkzaamheden niet zelf voor eigen rekening en risico zou uitvoeren of zou doen uitvoeren en dat de Kerk ook wist, althans moest weten, dat [betrokkene 2] als haar gemachtigde een aannemer opdracht tot het verrichten van de werkzaamheden zou geven;

dat, ofschoon de Kerk aanvankelijk heeft vastgesteld, dat de totale bouwsom ƒ 58.100,-- mocht bedragen, de wetenschap dat dit bedrag zou worden overschreden voor de Kerk geen aanleiding was om aan architect en aannemer geen wijzigingen meer te verzoeken, doch de Kerk daarmede rustig doorging, daarmede de indruk wekkende met een en ander accoord te gaan;

dat, toen tijdens de verbouwingswerkzaamheden de achtergevel van het gebouw op last van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht van 's-Gravenhage moest worden gesloopt en vernieuwd, de Kerk, na door [betrokkene 2] op de daaraan verbonden hoge kosten gewezen te zijn, opdracht heeft gegeven deze achtergevel opnieuw op te trekken met de bijbehorende aanbouw, precies gelijk vroeger, aldus goedvindende dat het bedrag van ƒ 58.100,-- binnen de grenzen van het voor dat werk redelijke zou worden overschreden;’’;

dat, nadat getuigen waren gehoord, de Rechtbank bij vonnis van 3 maart 1964 de vordering heeft toegewezen;

dat de Rechtbank daarbij na weergave van de verklaringen van de gehoorde getuigen, heeft overwogen:

‘’dat de Rechtbank door de verklaring van getuige [betrokkene 2] , gevoegd bij de reeds in het vonnis van 5 maart 1963 aangewezen vermoedens, bewezen acht, dat [betrokkene 2] , handelende onder de naam Bouwbureau v/h [betrokkene 2] , is architect en niet aannemer;

‘’dat de Kerk heeft erkend, dat zij aan [betrokkene 2] opdracht heeft gegeven verbouwingswerkzaamheden tot een bouwsom van aanvankelijk ƒ 37.840,-- en laatstelijk ƒ 58.100,-- aan het perceel [a-straat 1] te 's-Gravenhage te doen plaatsvinden; dat uit de verklaring van getuige [betrokkene 2] , gesteund door de verklaring van getuige van [betrokkene 3] en op dit punt door de Kerk niet bestreden, blijkt dat getuige [betrokkene 1] bij de besprekingen in verband met deze opgedragen werkzaamheden steeds als woordvoerder voor de Kerk is opgetreden en dat de door hem mondeling gegeven opdracht niet schriftelijk is bevestigd;

‘’dat, nu getuige ds. [betrokkene 1] (volgens zijn verklaring tot 1 juli 1963 voorzitter van de Algemene Synode van de Moluksche Evangelische Kerk in Nederland en tevens voorzitter van het Synodaal Bestuur van deze Kerk) heeft verklaard, dat hij gedacht heeft dat [betrokkene 2] een eigen bedrijf had, waarmede hij de verbouwing van het perceel [a-straat 1] te 's-Gravenhage ging uitvoeren, en hij blijkens zijn verklaring geen inzicht heeft gehad in het in het Nederlandse bouwbedrijf gangbare onderscheid tussen de functies van architect en aannemer, de Rechtbank wil aannemen dat ook het bestuur van de Kerk geen beter inzicht heeft gehad dan getuige [betrokkene 1] en dat dus bij dat bestuur niet de wil heeft bestaan om aan [betrokkene 2] volmacht te geven tot het verlenen van opdrachten voor verbouwingswerkzaamheden voor rekening van de Kerk; dat dit ook kan worden afgeleid uit de verklaring van getuige [betrokkene 1] , dat de hoofdgedachte van de bestuurders van de Kerk bij het opdragen van het werk is geweest, dat het toevertrouwd was aan [betrokkene 2] en dat het niet hun zaak was hoe en door wie [betrokkene 2] dat uitvoerde;

‘’dat de Kerk echter niet het bewijs heeft geleverd dat tussen getuige [betrokkene 2] en haar een overeenkomst van aanneming van werk is gesloten, waarbij [betrokkene 2] zich verbond tegen betaling van de toegestane bouwsom de werkzaamheden voor eigen rekening en risico uit te voeren;

‘’dat de architect [betrokkene 2] , die zich in zijn rapport van 30 september 1960 als architect N.A.G. had aangediend en die in dat rapport slechts een kostenbegroting voor bepaalde door hem nodig geachte werkzaamheden had gegeven zonder daaraan een offerte te verbinden, de opdracht om bepaalde werkzaamheden te doen plaats vinden redelijkerwijze als een volmacht om de Kerk binnen het kader van die werkzaamheden te vertegenwoordigen heeft kunnen opvatten, nu het bestuur van de Kerk de uitvoering van de mondeling gegeven en niet schriftelijk bevestigde en omschreven opdracht geheel aan hem overliet, die uitvoering de inschakeling van een of meer aannemers vereiste en een dergelijke volmacht voor een architect niet ongebruikelijk is, zulks te meer nu de leden van het bestuur van de Kerk de Nederlandse taal niet goed machtig waren met uitzondering van getuige [betrokkene 1] , die zelf heeft toegegeven in bouwzaken een volslagen leek te zijn, door welk een en ander vertegenwoordiging van de Kerk door haar architect welhaast onvermijdelijk was; dat ook in die richting wees, dat getuige [betrokkene 1] zelf namens de Kerk met het oog op de komende verbouwing [betrokkene 2] als de architect, wiens aanwijzingen moesten worden opgevolgd, heeft voorgesteld aan getuige van [betrokkene 3] , wiens bedrijf sinds jaren bij voorkomende gelegenheden in rechtstreekse opdracht van de Kerk werkzaamheden had verricht; dat de Rechtbank dan ook van oordeel is, dat door voormelde handelingen en gedragingen van het bestuur van de Kerk een zodanige schijn is gewekt, dat [betrokkene 2] op grond daarvan mocht aannemen — evenals getuige van [betrokkene 3] heeft gedaan — dat de Kerk hem volmacht had gegeven om tot uitvoering van de door de Kerk opgedragen verbouwingswerkzaamheden namens de Kerk aan aannemers opdrachten te geven;

‘’dat de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] het er over eens zijn, dat [betrokkene 2] [verweerder] aan getuige [betrokkene 1] heeft voorgesteld als de aannemer, die de verbouwingswerkzaamheden zou uitvoeren en dat getuige [betrokkene 1] tegen die opdracht aan [verweerder] geen bezwaren heeft gemaakt, zij het dat de beide getuigen verschillen over de vraag of [betrokkene 2] bij die gelegenheid aan getuige [betrokkene 1] heeft uiteengezet, dat [verweerder] het werk in regie zou moeten uitvoeren; dat aldus door de houding van getuige [betrokkene 1] tegenover [verweerder] de schijn is gewekt, dat de Kerk goedkeurde dat [betrokkene 2] hem opdracht tot het uitvoeren van de verbouwingswerkzaamheden voor rekening van de Kerk had gegeven, welke schijn aan de Kerk moet worden toegerekend nu getuige [betrokkene 1] steeds als woordvoerder voor de Kerk optrad en hij ook degene is geweest, die mondeling aan getuige [betrokkene 2] diens opdracht had medegedeeld; dat trouwens die schijn nog verder is bevestigd doordat de Kerk heeft toegelaten, dat [verweerder] metterdaad tot uitvoering van de verbouwingswerkzaamheden is overgegaan, en doordat de Kerk op certificaten van betaling, afgegeven door architect [betrokkene 2] , betalingen aan [verweerder] heeft gedaan, een en ander terwijl getuige [betrokkene 1] door regelmatige bezoeken het oog op de gang van zaken hield;

‘’dat de Kerk niet heeft betwist, dat de overschrijding van de toegestane bouwsom heeft plaatsgevonden doordat op last van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht van 's-Gravenhage, gegeven tijdens de loop der werkzaamheden, de houten uitbouw aan de achterzijde van het pand geheel moest worden afgebroken en doordat vervolgens bleek, dat het muurwerk, dat van de oorspronkelijke achtergevel was overgebleven, en de zijmuren ter plaatse eveneens in zeer slechte toestand verkeerden, met herstel en wederopbouw van welk een en ander aanzienlijke bedragen waren gemoeid;

‘’dat de Rechtbank op grond van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] bewezen acht, dat aan getuige [betrokkene 1] duidelijk is gemaakt, dat meer werkzaamheden dan oorspronkelijk was voorzien noodzakelijk waren en dat voor het opnieuw optrekken van de aanbouw tot de oorspronkelijke hoogte meer geld nodig was dan was gevoteerd, doch getuige [betrokkene 1] niettemin opdracht heeft gegeven de aanbouw weer geheel op te trekken, welke opdracht nimmer is ingetrokken;

‘’dat de Kerk nu wel heeft aangevoerd, dat getuige [betrokkene 1] niet bevoegd was haar te verbinden en dat [verweerder] zulks had moeten bedenken, doch de Kerk hierbij wederom uit het oog verliest, dat getuige [betrokkene 1] steeds als haar woordvoerder is opgetreden en hij ook de oorspronkelijke opdrachten niet anders dan mondeling had gegeven; dat tegenover het beroep van de Kerk op de noodzaak van besluitvorming door haar bevoegde orgaan valt op te merken, dat de Kerk geacht kon worden bij het geven van een opdracht op grond van een geschatte begroting de noodzaak van herstel van eventuele onvoorziene gebreken, die tijdens de verbouwing aan het licht zouden komen, te hebben voorzien en aanvaard en daarvoor aan haar voorzitter, getuige [betrokkene 1] , die op de werkzaamheden toezicht hield, een zekere vrijheid tot het nemen van voorlopige beslissingen te hebben verleend; dat het op de weg van getuige [betrokkene 1] als voorzitter van het Synodaal Bestuur van de Kerk lag zich tijdig met zijn mede-bestuurders over de onvermijdelijke uitbreiding van de werkzaamheden te beraden, toen hij begreep dat daarvoor meerdere gelden nodig waren, al waren hem nog geen concrete bedragen genoemd; dat daarom ook voor deze meerdere werkzaamheden geldt, dat door de houding van getuige [betrokkene 1] tegenover [verweerder] een aan de Kerk toerekenbare schijn is gewekt, dat de Kerk goedkeurde dat [betrokkene 2] hem opdracht tot uitvoering van die meerdere werkzaamheden had gegeven, welke schijn wederom is bevestigd doordat de Kerk heeft toegelaten, dat [verweerder] die meerdere werkzaamheden uitvoerde;

‘’dat de Kerk nog heeft aangevoerd, dat voor de beoordeling van de vraag of vertrouwen is gewekt alle omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, waartoe behoort dat volgens de Kerk het gebouw de zo kostbare herstellingen niet waard was en afbreken en opnieuw opbouwen wellicht nog voordeliger was geweest; dat hierbij echter moet worden bedacht, dat de noodzaak van de werken, die tot overschrijding van de toegestane bouwsom leidden, eerst tijdens de loop van de werkzaamheden zich voordeed en toen reeds aanzienlijke herstel- en verbouwingswerkzaamheden waren uitgevoerd, waardoor de keus van afbreken en opnieuw bouwen toen in feite niet meer open stond;

‘’dat de Rechtbank, samenvattende, op grond van het vorenoverwogene bewezen acht, dat de Kerk zich zodanig heeft gedragen, dat [verweerder] daardoor mocht vertrouwen, dat de Kerk aan het Bouwbureau v/h [betrokkene 2] volmacht had gegeven om aan [verweerder] opdracht te geven voor rekening van de Kerk verbouwingswerkzaamheden aan het perceel [a-straat 1] te 's-Gravenhage uit te voeren in de thans door [verweerder] in rekening gebrachte omvang;

‘’dat de Kerk het door [verweerder] voor die werkzaamheden in rekening gebrachte bedrag, gelijk bij repliek vermeerderd, niet afzonderlijk heeft bestreden, zodat dit bedrag voor toewijzing vatbaar is;’’;

dat de Kerk van beide vonnissen van de Rechtbank in hoger beroep is gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage;

dat, nadat het Hof bij arrest van 6 mei 1965 een comparitie van partijen had bevolen, het Hof bij het thans bestreden arrest, na te hebben vermeld dat geen schikking was tot stand gekomen, heeft overwogen:

1. dat de Rechtbank volgens de eerste grief ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het feit, dat [betrokkene 2] architect is;

2. ‘’ dat blijkens de toelichting van de grief de klacht in wezen is, dat de Kerk niet heeft begrepen noch heeft moeten begrijpen, dat [betrokkene 2] architect is en dus niet zelf voor uitvoering van de verbouwing zou zorg dragen; dat ‘’architect’’ — aldus de Kerk — een titel is, die iedereen kan voeren; dat [betrokkene 2] zelf aanleiding heeft gegeven tot misverstand; dat hij toch in zijn eerste rapport van 30 september 1960 weliswaar zijn hoedanigheid van architect heeft vermeld, maar op papier, dat de indruk gaf van ruimere werkzaamheden — ‘’Bouwbureau’’ , ‘’Beton- en Staalconstructies’’ — en met twee adressen, een te Edam en een te Volendam;

3. ‘’ dat de Rechtbank in haar eerste vonnis heeft overwogen: ‘’’’dat voor het bewijs van het optreden van het Bouwbureau v/h [betrokkene 2] als architect reeds vermoedens kunnen worden ontleend aan het bij conclusie van dupliek overgelegde rapport d.d. 30 september 1960 van dit Bureau, waarin [betrokkene 2] zich zelf introduceert als architect N.A.G., en aan de door het Bouwbureau v/h [betrokkene 2] afgegeven certificaten van betaling, die zijn ondertekend ‘’de architect’’ ‘’’’;

4. ‘’ dat de Rechtbank op grond van deze aan de Kerk toegezonden bescheiden terecht tot de vermoedens kwam, dat [betrokkene 2] tegenover de Kerk als architect was opgetreden, dat wil zeggen als degene die de verbouwing ontwierp, daarbij leiding gaf en toezicht hield maar deze door een ander, [verweerder] , deed uitvoeren; dat de grief, voor zover tegen het tussenvonnis gericht dan ook niet opgaat;

5. ‘’ dat het eindvonnis te dezen slechts inhoudt, dat door de verklaring, door [betrokkene 2] als getuige afgelegd, gevoegd bij die vermoedens, bewezen is, dat [betrokkene 2] architect is en niet aannemer;

6. ‘’ dat de Kerk noch het een noch het ander bestrijdt;

7. ‘’ ten aanzien van de vraag of de Kerk heeft begrepen althans heeft moeten begrijpen, dat [betrokkene 2] hier als architect optrad: dat [betrokkene 2] zich in het rapport van 30 september 1960 ‘’architect N.A.G.’’ noemt; dat ds [betrokkene 1] in zijn dagboek reeds op 2 en 25 november 1960 — toen nog generlei opdracht was verstrekt — [betrokkene 2] als ‘’architect’’ betitelt; dat [verweerder] omstreeks begin juni 1961 met het werk is begonnen; dat de Kerk op door [betrokkene 2] als ‘’architect’’ getekende certificaten van betaling [verweerder] gelden heeft overgemaakt, voor het eerst in juli 1961;

8. ‘’ dat op grond van een en ander moet worden aangenomen, dat de Kerk zo al niet heeft begrepen dan toch heeft moeten begrijpen, dat [betrokkene 2] architect was en de verbouwing niet zelf zou uitvoeren; dat de grief dus ook, voor zover zij tegen het eindvonnis is gericht, niet opgaat;

9. ‘’ dat de tweede en de derde grief daarop neerkomen, dat de Rechtbank het optreden van ds [betrokkene 1] en van [betrokkene 2] onjuist heeft gewaardeerd;

10. ‘’ dat te dezen beslissend is of [verweerder] op grond van de gedragingen van de Kerk mocht aannemen, dat [betrokkene 2] bevoegd was hem namens de Kerk verrichte werkzaamheden op te dragen;

11. ‘’ te dien aanzien, dat uit de hoofdstukken 7 en 8 van de Algemene Kerkorde van de Kerk niet met zekerheid kan worden afgeleid of de Synode van de Kerk dan wel haar Synodaal Bestuur bevoegd was opdracht tot die werkzaamheden te geven; dat zelfs de Kerk zich in de memorie van grieven onder 2 en 33 te dezen niet duidelijk uitlaat; dat de Algemene Kerkorde, naar ter comparitie bleek, voor derden niet of nauwelijks kenbaar is; dat zij in de Maleise taal is gesteld;

12. ‘’ dat het Hof — met ds [betrokkene 1] ter comparitie — zal aannemen, dat die bevoegdheid bij de Synode, niet bij het Algemeen Bestuur berust;

13. ‘’ dat ds [betrokkene 1] tot 1 juli 1963 voorzitter was van Synode en Algemeen Bestuur; dat [betrokkene 2] op verzoek van deze predikant de staat van het bewuste pand heeft opgenomen; dat hij de Kerk daarover op 30 september 1960 rapport heeft uitgebracht; dat dit rapport begint met de mededeling, dat hem, [betrokkene 2] , bij onderzoek is gebleken, dat er gebreken aan het pand bestaan; dat die gebreken vervolgens worden opgesomd; dat onder meer het rechtergedeelte van de achtergevel, van de tuin uit gezien, zonder fundering is, hetzij door rotting van de paalfundering; dat ‘’door verzakking van de achtergevel, welke nog steeds zakkende is, alle vloeren en het dak in zijn geheel zijn meegegaan’’; dat de centrale verwarmingskelder onherroepelijk om voorziening vraagt, willen er geen ergere dingen gebeuren; dat door de verzakking van de centrale verwarmingsruimte de scheidingsmuur tussen de aan de straat gelegen toiletten tot op de derde verdieping toe is verzakt en de riolering gebarsten en daardoor lek en geregeld verstopt; dat het rapport vervolgens de dringend noodzakelijke werkzaamheden omschrijft en die begroot op in totaal ƒ 37.840,-- als nader gespecificeerd; dat het rapport daaraan toevoegt: ‘’Wil men echter het gehele pand weer enigszins goed bewoonbaar maken, dat moet men rekenen op vernieuwing van de gehele achtergevel en weer aanhelen van verschillende binnenmuren, vloeren en plafonds en van verschillend hang- en sluitwerk, tevens schilderen van het gehele pand en het nazien van de centrale verwarming’’; dat de kosten van deze voorzieningen volgens het rapport omstreeks ƒ 36.000,-- zullen bedragen en de totale kosten voor ‘’het enigszins goed bewoonbaar maken’’ derhalve omstreeks ƒ 73.840,--;

14. ‘’ dat uit het dagboek van ds [betrokkene 1] blijkt, dat de Synode op 26 oktober 1960 de restauratie tot een bedrag van ƒ 37.840,-- heeft goedgekeurd; dat ds [betrokkene 1] daarna namens de Kerk [betrokkene 2] opdracht tot de verbouwing heeft gegeven; dat [betrokkene 2] in of omstreeks april 1961 [verweerder] heeft ingeschakeld; dat [betrokkene 2] met [verweerder] geen aannemingsovereenkomst heeft gesloten, dus niet afsprak, dat [verweerder] het werk voor een bepaalde prijs en dus voor eigen risico zou uitvoeren; dat [verweerder] in regie zou werken; dat dit blijkens zijn weekrapporten, lopende van 18 mei 1961 tot en met 14 april 1962, daarop neerkwam, dat hij zijn kosten aan materialen, betaalde rekeningen, arbeidslonen, enz., waaronder ook zijn eigen loon, eerst ƒ 4,70, later ƒ 5,11 per uur, gespecificeerd in rekening bracht; dat toen noch later tussen de Kerk en [betrokkene 2] alsmede tussen de Kerk casu quo [betrokkene 2] en [verweerder] iets schriftelijk is vastgelegd;

15. ‘’ dat — naar ds [betrokkene 1] als getuige heeft verklaard — het kantoor van de Kerk ook tijdens de verbouwing in het pand gevestigd bleef; dat hij zich door regelmatige bezoeken, naar zijn schatting ongeveer tweemaal per week, van de werkzaamheden op de hoogte is blijven houden; dat hij tijdens die bezoeken, mede blijkens de verklaring van [betrokkene 2] , meermalen met [betrokkene 2] overleg heeft gepleegd; dat ds [betrokkene 1] het enige lid van Synode en Synodaal Bestuur was, dat behoorlijk Nederlands sprak en verstond; dat deze predikant de schakel was tussen de aan het rechtsverkeer deelnemende Kerk en de buitenwereld;

16. ‘’ dat reeds kort na de aanvraag van het werk bleek, dat het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht deels verwachte, deels onverwachte eisen stelde; dat onder meer, blijkens de bij repliek overgelegde brief, sloping van de achtergevel en de achterbalkons werd verlangd; dat [betrokkene 2] een en ander met ds [betrokkene 1] heeft besproken; dat die achtergevel en die balkons zijn gesloopt; dat toen, naar [betrokkene 2] als getuige heeft uiteengezet, tal van nieuwe mankementen bleken en moesten worden verholpen; dat een nieuwe achtergevel en nieuwe achterbalkons zijn aangebracht;

17. ‘’ dat [betrokkene 2] op 29 september 1961 bij ds [betrokkene 1] is gekomen met tekeningen en een nieuwe begroting, ‘’nu al ƒ 58.000,--‘’, zoals de predikant in zijn dagboek aantekent; dat de Synode korte tijd later voor uitvoering tot een bedrag van ƒ 58.100,-- toestemming heeft gegeven; dat de verbouwing blijkens de weekrapporten ook in de winter 1961–62 voortgang heeft gevonden; dat de Kerk op door [betrokkene 2] getekende certificaten [verweerder] in de periode 1 juli 1961–1 februari 1962 zes betalingen tot een bedrag van ƒ 43.000,-- in totaal heeft voldaan; dat [betrokkene 2] in het voorjaar van 1962 uit de weekrapporten zag, dat de kosten zo opliepen, dat hij — naar hij heeft verklaard — ‘’niet verder durfde te gaan op het gezag van ds [betrokkene 1] alleen’’; dat [verweerder] volgens de weekrapporten en de bijlagen ƒ 100.692,53 te vorderen heeft, waarvan ƒ 43.000,-- is voldaan, zodat nog ƒ 57.692,53 openstaat; dat de Kerk aan anderen ter zake van het werk ruim ƒ 14.000,-- heeft betaald;

18. ‘’ dat [verweerder] — behoudens terloopse gesprekken met ds [betrokkene 1] — slechts contact over de verbouwing heeft gehad met [betrokkene 2] ; dat [betrokkene 2] hem opgaf wat hij moest verrichten, zijn werk controleerde, de weekrapporten met hem besprak en daarin — naar [verweerder] ter comparitie heeft verklaard — soms iets wijzigde; dat [betrokkene 2] alle weekrapporten heeft goedgekeurd; dat ds [betrokkene 1] , de voorzitter van de Synode, [verweerder] wel aan het werk heeft gezien maar — behoudens die gesprekken — slechts contact heeft gehad met [betrokkene 2] en niet met [verweerder] ; dat hij de voortgang van het werk — ook dus bijvoorbeeld het slopen van de achtergevel — van het begin tot het eind heeft gevolgd; dat — naar reeds vermeld werd — het kantoor van de Kerk ondanks alle ingrijpende sloop- en herstelwerkzaamheden in het pand gevestigd is gebleven; dat de Kerk op grond van een en ander geacht moet worden niet onkundig te zijn geweest van duur en ingrijpendheid der werkzaamheden;

19. ‘’ dat de Kerk wel slechts ƒ 37.840,--, later verhoogd tot ƒ 58.100,--, heeft gevoteerd maar blijkens voormeld rapport van de aanvang af heeft geweten, dat de kosten voor het enigszins goed bewoonbaar maken meer zouden bedragen;

20. ‘’ dat de Kerk, naar ds [betrokkene 1] als getuige en ter comparitie heeft verklaard, op [betrokkene 2] heeft vertrouwd; dat zij, en met name de Synode, de verbouwing in feite geheel aan [betrokkene 2] heeft overgelaten;

21. ‘’ dat echter [verweerder] eveneens op [betrokkene 2] — de gemachtigde en architect van de Kerk — heeft vertrouwd; dat de Kerk dit bij het laatste pleidooi heeft erkend; dat [verweerder] heeft vertrouwd, dat [betrokkene 2] bevoegd was hem de verrichte werkzaamheden op te dragen; dat de Kerk, en met name de Synode, nimmer van het tegendeel heeft doen blijken; dat er, toen [betrokkene 2] hem steeds meer opdroeg en de kosten opliepen, ook daarom geen twijfel aan die bevoegdheid bij hem behoefde te ontstaan, nu een ingrijpende verbouwing als deze tussentijds bezwaarlijk kan worden stopgezet; dat — wat [betrokkene 2] ook van de besluiten van de Synode bekend moge zijn geweest — [verweerder] van de goedkeuring en beperking tot ƒ 58.100,-- eerst op 16 maart 1962 — dus toen de werkzaamheden nagenoeg voltooid waren — heeft vernomen; dat de Kerk dit bij conclusie na comparitie heeft erkend;

22. ‘’ dat een — goede trouw uitsluitend — samenspel tussen [verweerder] en [betrokkene 2] is gesteld noch gebleken;

23. ‘’ dat er volgens de Kerk voor een hoger bedrag aan het pand is verbouwd dan het waard is; dat dit echter niet vaststaat; dat [verweerder] , een kleine aannemer uit Wormer, dit trouwens niet heeft hoeven te begrijpen;

24. ‘’ dat de Kerk nog een beroep heeft gedaan op artikel 1646 van het Burgerlijk Wetboek; dat dit artikel hier echter toepassing mist, nu er geen bestek was en trouwens evenmin een aannemingsovereenkomst;

25. ‘’ dat — gelet op het voorafgaande — [verweerder] op grond van de gedragingen van de Kerk heeft mogen aannemen, dat [betrokkene 2] bevoegd was hem de verrichte werkzaamheden namens de Kerk op te dragen; dat die gedragingen allereerst in de opdracht tot verbouwing aan [betrokkene 2] hebben bestaan en daarnaast met name in een niet-doen door het te dezen bevoegde orgaan, de Synode;

26. ‘’ dat de tweede en derde grief mitsdien falen;

27. ‘’ dat de Rechtbank volgens de vierde grief het gevorderde bedrag ten onrechte als onbetwist heeft toegewezen; dat — nadat [verweerder] in hoger beroep de weekrapporten had overgelegd — de Kerk tegen verschillende daarop voorkomende posten bezwaren heeft ingebracht;

28. ‘’ dat een en ander echter moet afstuiten op de hiervoor reeds vermelde omstandigheid, dat [betrokkene 2] die rapporten heeft goedgekeurd; dat echter, nu [verweerder] bij conclusie na comparitie erkent, dat de voor de w.c.'s op de begane grond bestemde tegels alsmede de meubelplaatkast in afwachting van de betaling nog in zijn werkplaats staan, de betaling door de Kerk tegen levering van een en ander dient te geschieden;’’;

dat het Hof op bovenstaande gronden het vonnis van de Rechtbank van 5 maart 1963 heeft bekrachtigd het vonnis van 3 maart 1964 heeft vernietigd en de Kerk heeft veroordeeld om tegen levering van de door het Hof vermelde tegels en meubelplaatkast aan [verweerder] ƒ 57.692,53 te betalen;

Overwegende dat de Kerk 's Hofs arrest bestrijdt met het navolgende middel van cassatie:

‘’Verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt en/of schending van het recht, in het bijzonder van de artikelen 1356, 1829, 1832, 1833, 1834, 1840, 1843, 1844, 1902 en 1903 van het Burgerlijk Wetboek, 48, 59, 343, 347, 348, 349 en 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling van de Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie en 175 der Grondwet, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen gelijk in voormeld arrest is omschreven, ten onrechte:

(1) omdat het Hof in rechtsoverweging 10 overwegende — en daarop zijn beslissing grondende — dat te dezen beslissend is of [verweerder] op grond van de gedragingen van de Kerk mocht aannemen, dat [betrokkene 2] bevoegd was namens de Kerk de verrichte werkzaamheden op te dragen, in zijn arrest geen gedragingen van de Synode althans de Kerk vaststelt, waaruit volgt althans kan volgen, dat [verweerder] op grond daarvan, al dan niet in verband met de eisen van het maatschappelijk verkeer, mocht aannemen of er op mocht vertrouwen, dat [betrokkene 2] bevoegd was namens de Kerk de verrichte werkzaamheden op te dragen, hetgeen in het bijzonder ook geldt voor de vraag of [verweerder] mocht aannemen, dat [betrokkene 2] enige volmacht van de Kerk had om namens deze de betreffende opdracht te geven en/of voor een hoger bedrag dan ƒ 58.100,--, hetgeen althans het geval is, waar de Kerk in eerste aanleg en in hoger beroep bij wijze van verweer betwist heeft, dat zij [betrokkene 2] een volmacht gegeven heeft en waar de Kerk als derde grief in hoger beroep heeft aangevoerd: Ten onrechte heeft de Rechtbank aangenomen dat [betrokkene 2] door gedragingen van het bestuur mocht aannemen dat de Kerk hem volmacht (bedoeld is kennelijk ‘’onbeperkte’’ volmacht) had gegeven om tot uitvoering van de door de Kerk opgedragen verbouwingswerkzaamheden namens de Kerk aan aannemers opdrachten te geven en eveneens dat [verweerder] mocht vertrouwen dat de Kerk een dergelijke volmacht aan [betrokkene 2] had gegeven, zodat het Hof een met het recht strijdige beslissing heeft gegeven, althans zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed door geen inzicht te geven in de gronden van zijn beslissing en/of door niet te beslissen op de inhoud van het hiervoor bedoelde verweer van de Kerk en/of de inhoud van haar derde grief in hoger beroep,

(2) omdat het Hof, overwegende in rechtsoverweging 25, dat — gelet op het voorgaande — [verweerder] op grond van de gedragingen van de Kerk heeft mogen aannemen, dat [betrokkene 2] bevoegd was hem de verrichte werkzaamheden namens de Kerk op te dragen, dat die gedragingen allereerst in de opdracht tot verbouwing aan [betrokkene 2] hebben bestaan en daarnaast met name in een niet-doen door het te dezen bevoegde orgaan, de Synode, en mede daarop zijn beslissing grondende, heeft miskend, dat de opdracht tot verbouwing aan [betrokkene 2] niet is een gedraging van de Kerk tegenover [verweerder] , zodat die opdracht niet is en kan zijn een gedraging van de Kerk op grond waarvan [verweerder] mocht aannemen dat [betrokkene 2] bevoegd was hem de verrichte werkzaamheden namens de Kerk op te dragen, althans voor zover deze een bedrag van ƒ 58.100,-- tebovenging, terwijl bovendien de opdracht tot verbouwing op zich zelf noch in samenhang met het bedoelde niet-doen door de Synode er toe kunnen leiden, dat [verweerder] mocht aannemen, dat [betrokkene 2] een volmacht had terzake namens de Kerk te handelen, althans boven ƒ 58.100,--,

(3) zijnde voorts een niet-doen door het te dezen bevoegde orgaan, de Synode, niet een gedraging van de Kerk op grond waarvan [verweerder] mocht aannemen dat [betrokkene 2] bevoegd was hem de verrichte werkzaamheden namens de Kerk op te dragen, hetgeen althans het geval is, waar niet blijkt en ook door het Hof niet vastgesteld is, dat de Synode bekend was met de betreffende omstandigheden, die een niet-doen zouden kunnen stempelen tot een gedraging als zojuist bedoeld en/of dat [verweerder] mocht veronderstellen, al dan niet in verband met de eisen van het maatschappelijk verkeer, dat de Synode daarmee bekend was en dat de Synode, zo zij bezwaar gehad zou hebben, daarvan kennis gegeven zou hebben, hetgeen althans het geval is, waar blijkens rechtsoverweging 15 ds [betrokkene 1] het enige lid van de Synode en Synodaal Bestuur was, dat behoorlijk Nederlands sprak en verstond, terwijl althans uit 's Hofs arrest niet duidelijk wordt met welke omstandigheden de Synode bekend was en/of op grond waarvan [verweerder] mocht veronderstellen dat de Synode daarmee bekend was, zodat 's Hofs arrest in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed,

(4) hebbende het Hof voorts in strijd met het recht geoordeeld, in rechtsoverweging 18, dat de Kerk op grond van een en ander geacht moet worden niet onkundig te zijn geweest van duur en ingrijpendheid der werkzaamheden, aangezien het te dezen bevoegde orgaan geacht moet worden te zijn de Synode, zie rechtsoverweging 12, en aangezien ‘’een en ander’’ als bedoeld in rechtsoverweging 18 uitsluitend en althans mede omvat gedragingen van en omstandigheden betreffende ds [betrokkene 1] , de voorzitter van de Synode, en gedragingen en omstandigheden, ten aanzien waarvan niet blijkt of zij de Synode betreffen, hetgeen althans het geval is waar de Kerk in haar toelichting op de tweede en derde grief in hoger beroep heeft aangevoerd dat de handelingen van Ds [betrokkene 1] niet gelijkgesteld mogen worden met handelingen van de Kerk, waaraan niet afdoet dat deze predikant blijkens rechtsoverweging 15 de schakel was tussen de aan het rechtsverkeer deelnemende Kerk en de buitenwereld,

(5) wordende althans uit 's Hofs arrest niet duidelijk wat het Hof in rechtsoverweging 25 bedoelt met ‘’gelet op het voorgaande’’ anders dan de in rechtsoverweging 25 vermelde opdracht en het aldaar vermelde niet-doen, zodat 's Hofs arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed is, zijnde bovendien 's Hofs arrest in strijd met het recht althans niet naar de eis der wet met redenen omkleed, omdat daaruit niet duidelijk wordt op grond van welke feiten en volgens welke gedachtengang het Hof — in aanmerking genomen, dat de Kerk slechts jegens [verweerder] gebonden werd, indien en voor zover zij haar wil daartoe heeft geopenbaard, hetzij rechtstreeks hetzij doordat zulks uit haar gedragingen in verband met de eisen van het maatschappelijk verkeer en het daardoor bij [verweerder] opgewekte vertrouwen kon worden afgeleid — tot de gevolgtrekking is gekomen, dat [verweerder] heeft mogen aannemen, dat [betrokkene 2] bevoegd was aan [verweerder] de verrichte werkzaamheden namens de Kerk op te dragen, hetgeen niet alleen inhoudt en meebrengt, dat [verweerder] heeft mogen aannemen, dat [betrokkene 2] volmacht van de Kerk had, maar ook dat die volmacht zich uitstrekte tot alle verrichte werkzaamheden, wordende uit 's Hofs arrest niet duidelijk wat de door [verweerder] aan te nemen volmacht van [betrokkene 2] zou inhouden en waartoe deze zich zou uitstrekken’’;

Aangaande dit middel:

Overwegende dat het Hof, na in rechtsoverweging 10 te hebben overwogen dat te dezen beslissend is of [verweerder] op grond van de gedragingen van de Kerk mocht aannemen dat [betrokkene 2] bevoegd was hem namens de Kerk de verrichte werkzaamheden op te dragen, in de rechtsoverwegingen 11–24 de omstandigheden vermeldt waaronder die werkzaamheden werden opgedragen, en in rechtsoverweging 25 beslist dat ‘’gelet op het voorafgaande’’ [verweerder] op grond van de gedragingen van de Kerk heeft mogen aannemen dat [betrokkene 2] bevoegd was hem de verrichte werkzaamheden namens de Kerk op te dragen; dat het Hof daarbij nog heeft overwogen dat die gedragingen allereerst in de opdracht tot verbouwing aan [betrokkene 2] hebben bestaan en daarnaast met name in een niet-doen door het te dezen bevoegde orgaan, de Synode;

dat het eerste onderdeel van het middel, voor zover daarin wordt aangevoerd dat het Hof geen gedragingen van de Kerk heeft vastgesteld op grond waarvan [verweerder] heeft mogen aannemen dat [betrokkene 2] bevoegd was hem de verrichte werkzaamheden namens de Kerk op te dragen, dus feitelijke grondslag mist, terwijl evenzeer faalt het vijfde onderdeel van het middel volgens hetwelk niet duidelijk zou zijn wat het Hof in de rechtsoverweging 25 met ‘’gelet op het voorafgaande’’ bedoelt; dat uit de opbouw van het arrest immers blijkt dat het Hof daarbij het oog heeft gehad op alle door het Hof in de rechtsoverwegingen 11–24 vermelde omstandigheden;

Overwegende dat het middel in al zijn onderdelen bestrijdt dat enige door het Hof vastgestelde omstandigheid de beslissing rechtvaardigt dat [verweerder] op grond van de gedragingen van de Kerk mocht aannemen dat [betrokkene 2] bevoegd was hem namens de Kerk de verrichte werkzaamheden op te dragen;

dat het middel er daarbij in het eerste onderdeel van uitgaat dat in 's Hofs arrest de vraag of de door de Kerk aan [betrokkene 2] verstrekte verbouwingsopdracht meebracht dat [betrokkene 2] namens de Kerk verbouwingswerkzaamheden aan anderen mocht opdragen, in het midden is gebleven, zodat er in cassatie van zou moeten worden uitgegaan dat zulk een bevoegdheid voor [betrokkene 2] niet bestond, terwijl dezelfde veronderstelling aan de andere onderdelen van het middel ten grondslag ligt;

dat het middel echter ook op dit punt feitelijke grondslag mist;

dat immers het Hof ten aanzien van de verhouding tussen de Kerk en [betrokkene 2] in rechtsoverweging 8 heeft overwogen dat de Kerk, zo al niet heeft begrepen, dan toch heeft moeten begrijpen dat [betrokkene 2] architect was en de verbouwing niet zelf zou uitvoeren, en in rechtsoverweging 20 dat de Kerk op [betrokkene 2] heeft vertrouwd en zij en met name de Synode de verbouwing in feite geheel aan [betrokkene 2] heeft overgelaten;

dat deze overwegingen geen andere conclusie toelaten dan dat de verbouwingsopdracht, welke volgens rechtsoverweging 14 door Ds [betrokkene 1] namens de Kerk aan [betrokkene 2] is gegeven, in het onderhavige geval voor [betrokkene 2] , behoudens de volgens de Kerk door de Synode aan de verbouwingskosten gestelde limieten, de bevoegdheid meebracht namens de Kerk de verbouwingswerkzaamheden aan anderen op te dragen en het Hof in overeenstemming daarmede in rechtsoverweging 21 [betrokkene 2] niet alleen als architect van de Kerk, maar ook als haar gemachtigde heeft aangeduid;

dat er bij de beoordeling van de beslissing van het Hof dus van moet worden uitgegaan dat, alvorens de volgens de Kerk door de Synode aan de verbouwingskosten gestelde limiet was overschreden, [betrokkene 2] de bevoegdheid had om [verweerder] namens de Kerk verbouwingswerkzaamheden op te dragen en dat het er in het geding alleen om gaat of [verweerder] op grond van de gedragingen van de Kerk heeft mogen aannemen dat [betrokkene 2] ook bevoegd was hem de werkzaamheden op te dragen welke door [verweerder] zijn verricht, nadat die limiet was overschreden;

Overwegende dat het Hof tot de gedragingen op grond waarvan [verweerder] zulks naar 's Hofs oordeel inderdaad heeft mogen aannemen, in de eerste plaats de door de Kerk aan [betrokkene 2] gegeven verbouwingsopdracht rekent, hetgeen in het tweede onderdeel van het middel wordt bestreden omdat die opdracht geen gedraging van de Kerk tegenover [verweerder] zou zijn;

dat deze tegenwerping echter onjuist is omdat de gedragingen van de Kerk op grond waarvan [verweerder] [betrokkene 2] als vertegenwoordiger van de Kerk heeft mogen beschouwen niet behoeven te zijn gedragingen van de Kerk tegenover [verweerder] , doch ook in andere voor [verweerder] kenbare gedragingen van de Kerk kunnen hebben bestaan;

dat het Hof, dat tot die gedragingen allereerst de door de Kerk aan [betrokkene 2] verleende opdracht heeft gerekend, er blijkbaar van is uitgegaan dat juist die opdracht [betrokkene 2] de ook voor [verweerder] kenbare hoedanigheid van architect en gemachtigde van de Kerk heeft verleend, in welke hoedanigheid [betrokkene 2] aanvankelijk en vóór dat de door de Kerk gestelde limiet was overschreden, bevoegdelijk namens de Kerk aan [verweerder] opdrachten heeft kunnen verstrekken en ook heeft verstrekt; dat duidelijk is dat naar 's Hofs inzicht [verweerder] in vertrouwen, op die door de Kerk aan [betrokkene 2] verleende volmacht, ook nadat de volgens de Kerk aan [betrokkene 2] gestelde, doch aan [verweerder] niet bekend gemaakte limiet was overschreden, de hem door [betrokkene 2] namens de Kerk gegeven opdrachten is blijven uitvoeren, en het Hof dan ook geen rechtsregel heeft geschonden door onder de gedragingen van de Kerk waaraan naar 's Hofs oordeel [verweerder] het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat [betrokkene 2] tot vertegenwoordiging van de Kerk bevoegd was gebleven, mede de aanvankelijk door de Kerk aan [betrokkene 2] gegeven opdracht te begrijpen;

Overwegende dat in het derde onderdeel van het middel wordt bestreden dat het Hof tot de gedragingen van de Kerk op grond waarvan [verweerder] heeft mogen aannemen dat [betrokkene 2] bevoegd was hem ook de na de overschrijding van genoemde limiet verrichte werkzaamheden op te dragen, ook een niet-doen van de Synode als bedoeld in rechtsoverweging 25 heeft mogen rekenen;

dat echter de schijn van vertegenwoordiging waarop derden mogen afgaan niet slechts door een doen, doch onder omstandigheden ook door een niet-doen kan worden gewekt;

dat het Hof bij het door het Hof bedoelde niet-doen van de Synode blijkbaar heeft gedacht aan de omstandigheid dat de Synode, nadat [betrokkene 2] de verbouwingsopdracht had gekregen, die verbouwing verder geheel aan [betrokkene 2] heeft overgelaten en geen maatregelen heeft genomen die er toe konden leiden dat [verweerder] van de achtereenvolgens door de Synode aan de verbouwingskosten gestelde limieten op de hoogte werd gesteld;

dat het Hof daarbij in aanmerking heeft genomen dat de Kerk geacht moet worden van duur en ingrijpendheid der werkzaamheden op de hoogte te zijn geweest en tevens van de aanvang af geweten heeft dat de kosten van het enigszins goed bewoonbaar maken van het pand meer zouden moeten bedragen dan achtereenvolgens door de Synode is gevoteerd;

dat het Hof door onder deze omstandigheden te oordelen dat ook het niet-doen van de Synode heeft bijgedragen tot de bij [verweerder] opgewekte en aan de Kerk toerekenbare schijn dat [betrokkene 2] ten aanzien van alle aan [verweerder] opgedragen werkzaamheden bevoegd was de Kerk te vertegenwoordigen, geen rechtsregel heeft geschonden, terwijl de vraag of het Hof zulks in het onderhavige geval terecht heeft gedaan, afhangt van de waardering van feitelijke omstandigheden, welke voor toetsing in cassatie niet vatbaar is;

Overwegende dat het vierde onderdeel bestrijdt dat het Hof op grond van de in rechtsoverweging 18 genoemde omstandigheden tot de conclusie heeft kunnen komen dat de Kerk geacht moet worden niet onkundig te zijn geweest van duur en ingrijpendheid der werkzaamheden, waartoe in het onderdeel wordt aangevoerd dat het bevoegde orgaan van de Kerk was de Synode en de door het Hof genoemde omstandigheden omvatten gedragingen van en omstandigheden betreffende Ds [betrokkene 1] , de voorzitter van de Synode, en gedragingen en omstandigheden ten aanzien waarvan niet blijkt of zij de Synode betreffen;

dat de in rechtsoverweging 18 genoemde omstandigheden waarop de in dit onderdeel bestreden beslissing berust, hierin bestonden dat de voorzitter van de Synode de voortgang van het werk van het begin tot het einde heeft gevolgd en dat het kantoor van de Kerk onder alle ingrijpende sloop- en herstelwerkzaamheden in het pand gevestigd is gebleven;

dat de conclusie die het Hof ten aanzien van de wetenschap van ‘’de Kerk’’, waarbij het Hof in dit verband moet hebben gedacht aan het volgens het Hof bevoegde orgaan van de Kerk, de Synode, aan de wetenschap van de Voorzitter van de Synode en aan de plaats van het kantoorgebouw van de Kerk heeft ontleend, echter van feitelijke aard is en in cassatie mitsdien niet met vrucht kan worden bestreden;

Overwegende dat het middel derhalve in al zijn onderdelen faalt;

Verwerpt het beroep;

Veroordeelt de Kerk in de kosten op de voorziening in cassatie gevallen, aan de zijde van [verweerder] tot op deze uitspraak begroot op ƒ 50,-- aan verschotten en ƒ 1.000,-- voor salaris.

Aldus gedaan door Mrs. de Jong, Vice-President, Wiarda, Hülsmann, Dubbink en Beekhuis, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de eerste maart 1900 acht en zestig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Berger.