Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1961:137

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-1961
Datum publicatie
01-11-2021
Zaaknummer
9463
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Zaaksbeschadiging. Abstracte schadebegroting.

Conclusie niet meer voorhanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1961/444 met annotatie van L.E.H. Rutten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 Juni 1961.

LD.

De Hoge Raad der Nederlanden,
in de zaak (no. 9463) van:

De Staat der Nederlanden, zetelend te 's-Gravenhage, eiser tot cassatie van een door de Arrondissements-Rechtbank te Utrecht op 26 October 1960 tussen partijen gewezen vonnis, vertegenwoordigd door Mr. G. J. Scholten, advocaat bij den Hogen Raad,

t e g e n

de Vennootschap onder de firma F.A. Knebel, gevestigd te Utrecht, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J. Kist, mede advocaat bij den Hogen Raad;

Gehoord partijen;

Gehoord den Procureur-Generaal in zijn conclusie strekkende tot vernietiging van het bestreden vonnis en verwijzing van de zaak naar de Arrondissements-Rechtbank te Utrecht teneinde haar met inachtneming van het te wijzen arrest verder te behandelen en te beslissen, onder veroordeling van verweerster in de op het beroep in cassatie gevallen kosten;

Gezien de stukken;

Overwegende dat uit het bestreden vonnis blijkt:

dat de Staat bij inleidende dagvaarding verweerster, nader te noemen Knebel, heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te Utrecht en heeft gesteld:

‘’dat door personeel in dienst van Knebel schade is toegebracht aan twee aan de Staat (Staatsbedrijf der P.T.T.) in eigendom toebehorende telefoonkabels, namelijk op of omstreeks 8 januari 1959 aan een in Abcoude en op of omstreeks 23 januari 1959 aan een in Vinkeveen, een en ander in de werkzaamheden (voor de P.U.E.M.) waartoe Knebel dat personeel gebruikte; dat zij deze beschadigingen hadden kunnen en behoren te vermijden en zij onrechtmatig hebben gehandeld; dat Knebel aansprakelijk is voor de door de Staat (Staatsbedrijf der P.T.T,) daardoor geleden schade; dat de schade aan de kabel te Vinkeveen beloopt f 671,35 en die aan de kabel te Abcoude f 322,60; dat Knebel weigert deze bedragen te vergoeden; dat de Staat reden heeft te veronderstellen dat Knebel de schadebedragen zal ontkennen en meer speciaal de zogenaamde loonposten en de Staat daarom wil mededelen dat hij zijn schade heeft berekend als volgt:

Kabelbeschadiging te Vinkeveen

lonen personeel 86½ uur

f 505,38

verwerkt materiaal:

37 m grondkabel 10 x 4 x 0,6 mm

f 104,34

3 m grondkabel 15 x 4 x 0,6 mm

f 9,51

4 m grondkabel 1 x 2 x 0,6 mm

f 5,84

16 lasmoffen van verschillend type

f 46,79

klein materieel

f 25,59

f 192,07

f 697,45

afgekomen materieel

f 26,10

f 671,35

Kabelbeschadiging te Abcoude

lonen personeel 45½ uur

f 265,83

verwerkt materiaal:

8 m grondkabel 10 x 4 x 0,6 mm

f 22,56

5 lasmoffen van verschillend type

f 12,18

klein materieel

f 9,12

f 43,86

kosten wegens betalingen aan derden (straatwerk)

f 18,45

f 328,14

afgekomen materieel

f 5,54

f 322,60

dat in het uurloon de volgende kosten en lasten zijn begrepen:

sociale- en overige personeelslasten;

lasten van leiding en administratie;

reis- en verblijfkosten (lasten van personenauto’s hier onder begrepen);

lasten van vrachtwagens met een draagvermogen beneden de 3000 kg;

lasten gereedschappen;

lasten dienstkleding;

lasten opleiding;

lasten overwerk;

kosten reis- en andere improduktieve uren.;

dat de Staat hiervoren spreekt van zogenaamde loonposten, omdat hij niet vordert vergoeding van loon maar vergoeding van schade geleden door de beschadiging van de kabels en voor vaststelling van de omvang van de schade economisch gezien een loonfactor meespeelt; dat de Staat verder reden heeft te veronderstellen dat Knebel zal stellen dat de Staat bedoelde lonen toch zou hebben betaald, ook al zouden de onrechtmatige daden niet zijn toegebracht, maar de Staat daartegenover stelt:

primair dat dit niet ter zake doet, waar het om geleden schade gaat, en subsidiair, voor geval dit niet juist zou zijn, dat hij ook met het oog op het door derden onrechtmatig beschadigen van zijn zaken personeel in dienst heeft om die schaden te kunnen herstellen en minder personeel in dienst zou hebben als hij niet ook in staat wenste te zijn die schade te kunnen herstellen;"

dat de Staat op bovenstaande gronden heeft gevorderd de veroordeling van Knebel tot de betaling van een bedrag van f 993,65;

dat nadat Knebel deze vordering had bestreden, de Rechtbank in het bestreden vonnis heeft overwogen:

‘’dat als erkend, althans niet of niet voldoende weersproken, vaststaat, dat door de schuld van personeel in dienst van Knebel, beschadigingen zijn veroorzaakt aan twee, aan de Staat (Staatsbedrijf der P.T.T. — hierna ook te noemen P.T.T.) toebehorende telefoonkabels, te weten op, of omstreeks 8 januari 1959 aan een te Abcoude en op, of omstreeks 23 januari 1959 aan een te Vinkeveen, zulks in de werkzaamheden, waartoe Knebel dat personeel toen gebruikte;

dat Knebel niet heeft betwist jegens P.T.T. aansprakelijk te zijn voor de dientengevolge door P.T.T. geleden schade;

dat P.T.T. de betekenis van de door haar gestelde en gevorderde schadeposten ‘’lonen personeel 86½ uur, f 505,38" en ‘’lonen personeel 45½ uur f 265,83" aldus heeft verklaard en toegelicht, dat deze posten niet voorstellen bedragen, welke in feite in het bijzonder zijn uitgegeven tot herstel van de genoemde beschadigingen, doch een ‘’loonfactor", waarmede is bedoeld een, — niet nader omschreven —, evenredig deel van de bedragen, welke over zeker, — door haar niet nader omschreven —, tijdvak te haren laste komen, niet alleen terzake van lonen, doch ook van andere lasten, als in de dagvaarding en de conclusie van eis nader omschreven, waaronder die van personen- en vrachtauto's en gereedschappen en die van leiding en administratie;

dat anderzijds Knebel onweersproken heeft gesteld, dat zij reeds vóór den aanvang van dit geding alle gestelde schadeposten en schadecijfers heeft erkend en zich bereid heeft verklaard en nog bereid is deze aan P.T.T. te vergoeden, zulks met uitzondering evenwel van de genoemde twee ‘’loonposten";

dat Knebel, behalve de omvang, ook de verschuldigdheid van de te dier zake gevorderde bedragen betwist, omdat, nu, gelijk als gesteld en niet weersproken vaststaat, dat P.T.T. de genoemde beschadigingen door eigen personeel heeft doen herstellen, de door P.T.T. gevorderde ‘’loonposten" niet voorstellen uitgaven, welke door de gestelde onrechtmatige daden zijn veroorzaakt, aan de verrichte herstel-werkzaamheden niet kunnen worden toegerekend, en zouden zijn gedaan ook indien de voormelde onrechtmatige daden niet hadden plaats gevonden;

dat P.T.T., een dergelijk verweer verwachtend, reeds bij dagvaarding en conclusie van eis primair heeft gesteld, dat zulk een verweer niet ter zake zou doen, ‘’waar het om geleden schade gaat";

dat deze primaire stelling moet falen; dat immers te dezen de vraag niet is, of P.T.T. schade heeft geleden, — hetwelk als niet weersproken vast staat —, doch of, bij de berekening van de omvang van die schade, de gestelde twee ‘’loonposten" al dan niet als schadeposten moeten worden aanvaard;

dat dit laatste niet kan of mag geschieden op de enkele grond dat herstel door eigen personeel van P.T.T. heeft plaats gevonden, aangezien Knebel slechts gehouden is aan P.T.T. te vergoeden het nadeel of de nadelen, welke P.T.T. ten gevolge van de voormelde onrechtmatige daden in haar vermogen heeft geleden, weshalve moet worden onderzocht en beslist, of, en, zo ja, tot welk bedrag het voormelde herstel voor P.T.T. een nadeel in haar vermogen heeft opgeleverd;

dat daarbij in aanmerking is te nemen, dat P.T.T. niet heeft gesteld in dit verband winst te hebben gederfd;

dat onder de gegeven omstandigheden Knebel redelijkerwijze mocht verwachten, dat P.T.T. de toegebrachte beschadigingen door eigen personeel zou doen herstellen;

dat evenwel de kosten, die voor de door de voormelde onrechtmatige daden getroffen P.T.T., naar deze heeft gesteld, verbonden zijn aan het doen verrichten van de voormelde herstellingen door eigen personeel, — dat wil te dezen zeggen door personeel, hetwelk reeds vóór het plegen van die onrechtmatige daden bij haar in dienst was —, slechts dan mogen worden gebracht ten laste van Knebel, die voor de gevolgen van deze daden aansprakelijk is, indien die kosten zijn gemaakt in verband met de dreiging van schade als gevolg van daden als de onderhavige, waarvoor derden aansprakelijk zijn;

dat daarvan in het onderhavige geval sprake zal zijn voorzover aannemelijk is, dat P.T.T. de maatregelen van herstel door eigen personeel heeft kunnen nemen bepaaldelijk dank zij de aanwezigheid van personeel, hetwelk zij mede met het oog op die dreiging van schade ter beschikking heeft en waarover zij, indien in haar bedrijf met zodanige dreiging van schade ten gevolge van handelingen of nalatigheden, waarvoor derden aansprakelijk zijn, geen rekening ware gehouden, niet in dien omvang zou hebben behoeven te beschikken;

dat mitsdien het door P.T.T. tot steun van haar stelling subsidiair aangevoerde in beginsel moet worden aanvaard, doch, nu Knebel de feitelijke grondslag daarvan en ook het door P.T.T. bij acte-verzoek aangevoerde heeft betwist, P.T.T. allereerst de juistheid van de na te melden feiten zal hebben te bewijzen;"

dat de Rechtbank op bovenstaande gronden den Staat heeft toegelaten tot het bewijs dat aannemelijk is, dat de P.T.T. de voormelde maatregelen van herstel door eigen personeel heeft kunnen nemen, bepaaldelijk dank zij de aanwezigheid van personeel hetwelk P.T.T. mede met het oog op de dreiging van schade als gevolg van daden als de onderhavige, waarvoor derden aansprakelijk zijn, ter beschikking heeft en waarover zij, indien in haar bedrijf met zodanige dreiging van schade tengevolge van handelingen of nalatigheden waarvoor derden aansprakelijk zijn, geen rekening ware gehouden, niet in dien omvang zou hebben behoeven te beschikken;

Overwegende dat de Staat als middel van cassatie heeft voorgedragen:

‘’Schending en/of van toepassing van de artikelen 1279, 1280, 1282, 1283, 1401, 1402, 1902 Burgerlijk Wetboek, 48, 103, 199, 200, 200A Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,

doordat de Rechtbank heeft overwogen en beslist als voormeld ten onrechte omdat:

1e. de schade door de waardevermindering van de kabels geleden is zodra de physieke schade tot stand gekomen is, en deze schade dan in beginsel objectief vaststaat en dus onafhankelijk is van de vraag wie de rechthebbende is en zeker onafhankelijk van de vraag — als de zaak reparabel is en niet te duur reparabel is (waarvan hier geen sprake is) — of zij in werkelijkheid hersteld wordt en wat het herstel in werkelijkheid gekost heeft, omdat die schade altijd tenminste gesteld kan worden op de normale herstelkosten;

2e. als een zaak onrechtmatig is beschadigd en is hersteld (en er geen sprake van is dat zij niet hersteld zou hebben mogen worden of dat volledig herstel een ongegrond voordeel voor de getroffene zou hebben opgeleverd of dat door anderen goedkoper hersteld had kunnen worden) de waarde van de arbeid die nodig was voor het herstel deel uitmaakt van de te vergoeden schade, en de getroffene gerechtigd is deze waarde te berekenen naar het loon dat degenen die zulk soort arbeid plegen te verrichten plegen te krijgen, althans naar het loon dat degenen die de herstelwerkzaamheden verricht hebben, werkelijk verdiend hebben;

althans het hierboven gestelde het geval is indien de schade is geleden, zoals in casu, door de Staat aan telefoonkabels van het P.T.T. bedrijf en in het eigen bedrijf is hersteld en niet van belang is of de loonposten ook uitgegeven zouden zijn als de onderhavige onrechtmatige daden niet hadden plaatsgevonden;

3e. de verschuldigdheid van de gevorderde (z.g.) loonposten niet kan afhangen van de gegeven bewijsopdracht daar als de P.T.T. de herstelmaatregelen ook zou hebben kunnen nemen dank zij de aanwezigheid van personeel hetwelk zij niet mede met het oog op de dreiging van schade als gevolg van daden als de onderhavige, waarvoor derden aansprakelijk zijn, ter beschikking heeft, of waarover zij, indien in haar bedrijf met zodanige dreiging van schade tengevolge van handelingen of nalatigheden waarvoor derden aansprakelijk zijn, niet rekening ware gehouden, toch in die omvang zou hebben behoeven te beschikken, het betrokken personeel dan het normale werk, dat het anders gedaan zou hebben als het herstel niet door haar verzorgd was, niet heeft kunnen doen en loonposten ook in dat geval verschuldigd zijn, daar niet mag worden aangenomen (althans niet als het tegendeel niet gesteld en bewezen wordt door de tot schadevergoeding verplichte partij) dat het personeel van een bedrijf zoals het Staatsbedrijf der P.T.T., gedurende de arbeidstijd ook wel niets doet;

4e. als de Rechtbank is uitgegaan van de veronderstelling dat de P.T.T. de schade heeft laten herstellen door reserve-personeel dat niet voortdurend werk heeft, de Rechtbank feiten aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd die door geen van beide partijen en zeker niet door de Staat zijn gesteld, noch bewezen, en de Rechtbank in dat geval in strijd met de wet de feitelijke gronden heeft aangevuld;"

Overwegende aangaande het middel:

dat het Hof, vooropstellende dat Knebel slechts is gehouden aan den Staat (P.T.T.) te vergoeden het nadeel dat de Staat (P.T.T.) in zijn vermogen heeft geleden als gevolg van de door de schuld van Knebels personeel aan twee telefoonkabels toegebrachte schade, voor de berekening van dat nadeel tot uitgangspunt heeft genomen de vraag ‘’of, en zo ja, tot welk bedrag het voormelde herstel voor P.T.T. een nadeel in haar vermogen heeft opgeleverd";

dat dit uitgangspunt echter onjuist is;

dat toch de Staat (P.T.T.) door de beschadiging van zijn kabels reeds vóór en onafhankelijk van het herstel van die kabels in zijn vermogen een nadeel leed, gelijk aan de waardevermindering welke de desbetreffende vermogensbestanddelen door die beschadiging ondergingen, en de vergoeding verschuldigd voor een door een onrechtmatige daad veroorzaakte zaaksbeschadiging steeds tenminste zal belopen het geldsbedrag, waarin de daaruit voortvloeiende waardevermindering kan worden uitgedrukt;

dat het geldsbedrag, waarin de waardevermindering van een beschadigde zaak waarvan herstel mogelijk en verantwoord is kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de — naar objectieve maatstaven berekende — kosten, welke met het herstel zullen zijn gemoeid;

dat geen aanleiding bestaat om bedoelde kosten naar andere dan objectieve maatstaven te berekenen indien, zoals in het onderhavige geval, de aard van de toegebrachte schade in verband met den aard van het bedrijf waarin die schade werd geleden, meebrengt dat deze binnen dat bedrijf zelf zal worden hersteld, waaruit volgt dat de arbeid welke met het herstel zal zijn gemoeid, moet worden gewaardeerd naar zijn normale geldswaarde dat wil zeggen naar de normaal daaraan verbonden loonkosten;

dat daarbij de vraag of in dat bedrijf het herstel in feite kon worden verricht dank zij de aanwezigheid van personeel hetwelk het mede met het oog op de dreiging van zulk een schade ter beschikking had, evenmin van belang is als de vraag of dat personeel als gevolg van die herstelwerkzaamheden al dan niet ander werk heeft moeten laten liggen;

dat het middel dus gegrond is en het bestreden vonnis niet in stand kan blijven;

Vernietigt het vonnis door de Arrondissements-Rechtbank te Utrecht op 26 October 1960 tussen partijen gewezen;

Verwijst de zaak naar die Rechtbank ten einde haar met inachtneming van dit arrest verder te behandelen en te beslissen.

Veroordeelt verweerster in de kosten op de voorziening in cassatie aan de zijde van eiser gevallen tot op heden begroot op negen en zeventig gulden en vijf en twintig cent voor verschotten en negen honderd gulden aan salaris.

Gedaan bij de Heren Smits, President, de Jong, Wiarda, Houwing en Petit, Raden, en door den President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van den zestienden Juni 1900 een en zestig in tegenwoordigheid van den Procureur-Generaal.