Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1915:BG9430

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-04-1915
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
23866
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1915:BG9430
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Azewijnse paard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1915, p. 427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23866

N° 143

De Hooge Raad der Nederlanden,

Op het beroep van [requirant], oud 32 jaren, landbouwer, geboren en wonende te [geboorteplaats] (Duitschland), requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 10 December 1914, houdende bevestiging in hooger beroep, met aanvulling der gronden, met uitzondering van de opgelegde straf, van een vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Arnhem van 27 October 1914, waarbij de requirant werd schuldig verklaard aan het misdrijf van „verboden uitvoer van een paard’’, en met toepassing van de artikelen 1 en 2 der wet van 3 Augustus 1914 (Staatsblad n° 344) en het Koninklijk Besluit van 3 Augustus 1914 (Staatsblad n° 367), en onder aanhaling van het Koninklijk Besluit van 30 Juli 1914 n° 72 (Staatscourant de dato 1 Augustus 1914 n° 178, 2e Bijvoegsel), veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, welke straf, na vernietiging van gemeld vonnis in dat opzicht, werd gewijzigd in drie maanden gevangenisstraf;

Gehoord het verslag van den Raadsheer Savelberg;

Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan den requirant beteekend, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaald;

Gelet op de middelen van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij pleidooi, luidende:

1° Schending althans verkeerde toepassing, van artikel 143 van het Wetboek van Strafvordering, doordat ten onrechte is aangenomen, dat in de dagvaarding een plaats, waar het misdrijf gepleegd is, vermeld staat;

2° Alsvoren van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht door aan te nemen, dat het feit in Nederland is gepleegd, waar vaststaat en ten laste is gelegd, dat beklaagde, in Duitschland staande, het misdrijf pleegde;

3° Ten onrechte beslisten Rechtbank en Hof, dat het ten laste gelegde feit strafbaar is. Immers niet strafbaar is gesteld het naar het buitenland uitvoeren van paarden, doch goederen, waarvan de Kroon den uitvoer verboden heeft. Aan de ten laste legging ontbreekt dus een element van het delict, namelijk „waarvan de uitvoer naar het buitenland verboden was’’;

4° Schending althans verkeerde toepassing van artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht, doordat het Hof besliste, dat in casu geen verandering van wetgeving aanwezig was, niettegenstaande tijdens de berechting de uitvoer van het bewuste paard door intrekking van het vroeger verbod daaromtrent, niet strafbaar was;

Gehoord den Advocaat-Generaal Tak, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het ingetrokken beroep;

Overwegende, dat bij het, door het bestreden arrest bevestigde vonnis, met requirants schuld daaraan, bewezen is verklaard, dat hij omstreeks 7 September 1914 uit Vethuizen, gemeente Bergh, terwijl er oorlogsgevaar was, een paard over de Duitsche grens naar [geboorteplaats] (Duitschland) heeft uitgevoerd, door, staande aan de Duitsche zijde van het grenskanaal tusschen Nederland en Duitschland, terwijl bedoeld paard aan de overzijde van dat kanaal zich op Nederlandsch territoir bevond, opzettelijk door middel van een touw, waarmede dat paard om den hals was vastgeknoopt, dat dier door het water van gemeld kanaal, naar de plaats, waar hij stond, te trekken;

dat dit feit is gequalificeerd en de requirant deswege is veroordeeld, als hierboven is omschreven;

Overwegende ten aanzien van het eerste middel:

dat de daarin vervatte bewering bij het bestreden arrest terecht is verworpen op grond dat de dagvaarding, door te zeggen, dat beklaagde een paard heeft uitgevoerd uit Vethuizen, gemeente Bergh, over de Duitsche grens, naar [geboorteplaats] (Duitschland), volkomen duidelijk aangeeft, dat het delict is gepleegd te Vethuizen (gemeente Bergh), op een plaats waar Vethuizen aan Duitschland grenst;

Overwegende omtrent het tweede middel:

dat wel is waar de plaats van een misdrijf niet bepaald wordt door de plaats, waar het gevolg van des daders handelingen zich openbaart, in dien zin, dat, wanneer zich zoodanig gevolg in Nederland openbaart, die handelingen steeds geacht moeten worden in Nederland te zijn gepleegd, doch dat men anderzijds zeer goed, zich in het buitenland bevindende, hier te lande een misdrijf kan plegen en de vraag, wanneer zulks het geval is, bij gebreke eener bepaalde uitspraak door den strafwetgever, door den rechter aan wetenschappelijke beginselen moet worden getoetst;

dat zulks ook de opvatting was van de Regeering bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht, blijkens het door haar bij de schriftelijke gedachtenwisseling over artikel 2 op het Verslag der Tweede Kamer gegeven, en toen niet bestreden antwoord, waarin mede uitdrukkelijk werd verklaard, dat men zeer goed door tusschenkomst van een instrument kan handelen op eene andere plaats, dan waar men zich bevindt;

dat nu het Hof zonder schending van gemeld artikel heeft kunnen beslissen, dat de requirant door, terwijl hij zich op Duitsch grondgebied bevond, te trekken aan een touw, waaraan het zich op Nederlandsch grondgebied bevindend paard was bevestigd, tengevolge waarvan dat paard uit Nederland over de grens naar Duitschland kwam, op Nederlandsch grondgebied werkzaam was;

dat alzoo ook het tweede middel is ongegrond;

Overwegende dat het derde middel hierop afstuit, dat het eenig artikel van het Koninklijk Besluit van 3 Augustus 1914 (Staatsblad n° 367), waarbij de uitvoer van paarden als het onderhavige werd verboden, is een behoorlijk afgekondigde algemeenen maatregel van bestuur, steunende op artikel 1 der Wet van 3 Augustus 1914 (Staatsblad n° 344) en dat het in dit geval zoomin als in eenig ander, noodig is, dat de dagvaarding als grond van 's rechters onderzoek en beslissing melding maakt van zoodanige wettelijke voorschriften;

Overwegende ten aanzien van het vierde middel:

dat krachtens artikel 1 der gemelde Wet onder de daarin vermelde omstandigheden de uitvoer van bepaalde goederen bij algemeenen maatregel van bestuur tijdelijk kan worden verboden, terwijl artikel 2 dier wet tegen uitvoer in strijd met dat verbod straf bedreigt;

dat voormelde maatregelen, ofschoon in den vorm van een verbod gegeven, in werkelijkheid slechts inhouden de aanwijzing der goederen, wier uitvoer tijdelijk krachtens gemelde wet strafbaar zal zijn;

dat, waar reeds uit het tijdelijk karakter dier aanwijzing volgt, dat zij slechts voor een bepaalden tijd zal gelden, uit het vervallen of intrekken daarvan allerminst kan worden afgeleid, dat zij nu ook haar werking zou verliezen ten opzichte van de tijdsruimte, voor welke zij was gegeven;

dat wel verre, dat door intrekking van zoodanige aanwijzing — al werd zij ook in den vorm van een verbod gedaan — in den zin van artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht, verandering in de ten deze bedoelde wetgeving zou worden gebracht, die wetgeving juist medebrengt, dat achtereenvolgens uitvoer van dezelfde goederen naar gelang der omstandigheden strafbaar zal zijn en weer toegelaten, zonder dat van verandering in de opvatting des wetgevers omtrent de strafbaarheid van eenig vroeger gepleegd feit de rede is;

dat derhalve ook het vierde middel niet tot cassatie kan leiden;

Verwerpt het beroep.

Gewezen te Gravenhage bij de Heeren Mr Hanlo, President, Segers, Hesse, Savelberg en Jhr Feith, Raden, in bijzijn van den Griffier Mr Kist, die dit arrest hebben onderteekend, en door den President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van den zesden April 1915; in tegenwoordigheid van de genoemde Heeren, behalve van die Raadsheer Savelberg, die verhinderd was bij de uitspraak tegenwoordig te zijn en dit arrest te onderteekenen.