Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1914:136

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-05-1914
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
4276
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Conclusie niet beschikbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1914, p. 774
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

De Hooge Raad der Nederlanden in de zaak (n°4276) van:

1° [eiser 1], tooneelspeler, zoo voor zich zelf als voor zoveel noodig tot bijstand en machtiging van zijne na te melden echtgenoote;

2° [eiseres 2], tooneelspeelster, voor zooveel noodig door harer echtgenoot bijgestaan en gemachtigd, beiden wonende te [woonplaats], eischers tot cassatie van een vonnis den 25sten Juni 1913 door de Arrondissements Rechtbank te Amsterdam tusschen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. H. Ligtenberg, advocaat bij den Hoogen Raad,

Tegen:

1° [verweerder 1] en

2° [verweerder 2], gezamenlijk handelende onder de benaming „[A]", beiden wonende te [woonplaats], verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J. Limburg, advocaat bij den Hoogen Raad.

Partijen gehoord;

Gehoord den Procureur-Generaal in zijne conclusie strekkende tot verwerping van het beroep met veroordeeling van de eischers in de kosten;

Gezien de stukken;

Overwegende dat, voor zoover thans van belang, uit het aangevallen vonnis en hetgeen daarin is overgenomen uit het vonnis door het Kantongerecht te Amsterdam op 28 October 1912 in deze zaak gewezen, blijkt:

dat de verweerders bij het Kantongerecht te Amsterdam eene vordering hebben aanhangig gemaakt, waarbij zij stellen, dat tusschen hen als gezamenlijk handelende onder de benaming „Het [A]" en de eischers, eene arbeidsovereenkomst heeft bestaan, krachtens welke de eischers als tooneelspelers rollen hadden te vervullen in tooneelstukken door de verweerders in hun schouwburg op te voeren; dat echter de eischers hadden nagelaten om, — niettegenstaande zij daartoe vooraf waren gesommeerd — aan gewichtige repetities van op te voeren tooneelstukken deel te nemen; dat daarop de verweerders de dienstbetrekking onmiddellijk hadden doen eindigen en nu van de eischers schadevergoeding vorderden op grond dat zij door hunne vooromschreven nalatigheid aan de verweerders ééne dringende reden hadden gegeven om de dienstbetrekking zonder opzegging of zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen te doen eindigen, van welke bevoegdheid de verweerders gebruik hadden gemaakt;

dat de eischers zich tegen deze vordering hebben verweerd door onder meer:

1° de niet-ontvankelijkheid der vordering te stellen op grond, dat de verweerders niet gezamenlijk onder de benaming „[A]" zouden handelen; dat er wel eene Naamlooze Vennootschap van dien naam zou bestaan, maar dan ook ten verzoeke dier Vennootschap had moeten zijn opgetreden;

2° te ontkennen, dat het niet bijwonen van repetities een dringende reden kan zijn om de dienstbetrekking tusschen tooneelspeler en tooneeldirecteur onmiddellijk te doen eindigen, terwijl in ieder geval de bevoegdheid tot het uitschrijven dier repetities, toe zou zijn gekomen niet aan deze verweerders in privé, maar aan de Naamlooze Vennootschap „Frascati Ensemble", zoodat de eischers zelfs niet verplicht waren naar aanleiding der van verweerders uitgegane sommatie aan die repetities deel te nemen;

dat de Kantonrechter het eerste middel van verweer ongegrond heeft geacht, omdat, wat er ook was van de latere oprichting eener Naamlooze Vennootschap als door eischers bedoeld, in ieder geval tijdens het aangaan der betrokken arbeidsovereenkomst zoodanige vennootschap nog niet bestond, zoodat de verweerders terecht waren opgetreden in de hoedanigheid waarin zij de overeenkomst hadden aangegaan;

dat ook het tweede middel van verweer ongegrond werd geoordeeld, omdat de gestelde nalatigheid in dit geval door de eischers onder zoo verzwarende omstandigheden werd gepleegd, dat zij wel degelijk als eene dringende reden in den zin van artikel 1639o en p van het Burgerlijk Wetboek was te beschouwen, en wijders de arbeidsovereenkomst door de eischers was gesloten niet met de voorbedoelde Naamlooze Vennootschap, maar met de verweerders in privé, zoodat deze wel degelijk bevoegd waren om de naleving ervan te vorderen;

dat ten slotte de Kantonrechter de vordering van verweerders heeft toegewezen, waarop de eischers in hooger beroep zijn gekomen bij de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam en daar tegen het beroepen vonnis onder meer als grieven hebben aangevoerd:

1° dat in het vonnis niets is beslist; aangaande de door de eischers opgeworpen disqualificatoire exceptie, subsidiair dat op de door den Kantonrechter aangevoerde overwegingen de ongegrondheid dier exceptie is aangenomen;

2° dat ten onrechte is aangenomen dat er voor verweerders eene dringende reden zou zijn geweest om de dienstbetrekking te beëindigen daar verweerders het houden van repetities niet konden vorderen daar zij: als „[A]" niet meer bestonden en omdat de in het verzoekschrift gemelde dringende reden het ontslag niet wettigde;

dat de Rechtbank naar aanleiding der eerste grief heeft overwogen, dat daarmede scheen bedoeld te zijn, dat de verweerders, nu na het sluiten der betrokken arbeidsovereenkomst, door hen de naamlooze vennootschap „[A]" was opgericht, in dit geding niet meer zouden kunnen optreden als gezamenlijk handelende onder de benaming het „[A]", wat onder die omstandigheden zou zijn eene „valsche hoedanigheid";

dat echter de verweerders in dit geding in geenerlei hoedanigheid waren opgetreden, zoodat de voorgestelde exceptie geen doel kan treffen en, al ware het ook op anderen grond, de beslissing van den Kantonrechter in deze juist werd geacht;

dat de Rechtbank voor wat betreft de tweede vooromschreven grief zich geheel met het beroepen vonnis heeft vereenigd en ten slotte met verwerping van nog andere door de eischers aangevoerde grieven, het vonnis van den Kantonrechter heeft bevestigd, tegen welke beslissing thans als middelen van cassatie zijn aangevoerd:

1° Schending en verkeerde toepassing der artikelen 45, 46, 48 en 59 n° 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met artikel 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie en artikel 161 der Grondwet, doordien bij het vonnis der Amsterdamsche Rechtbank geene beslissing is gegeven omtrent, althans de gronden eener uitspraak niet zijn opgenomen voor zooverre betreft, het verweer van appellanten gericht tegen de bevoegdheid der geïntimeerden in privé ten dage der sommaties en procedure te vorderen en ageeren, gelijk zij deden (haec actio tibi non competit) betwistende appellanten die bevoegdheid der geïntimeerden nadat zij geïntimeerden op 25 Juli 1912 bij acte van notaris Ritman te Amsterdam hadden opgericht de naamlooze Vennootschap Tooneelgezelschap Frascati Ensemble, waarop de Koninklijke bewilliging was verleend, en gepubliceerd in de Ned. Staatscourant van 27 Augustus 1912 n° 200 en waarbij geïntimeerden - oprichters zich zelven hadden aangewezen als directeuren tot het exploiteeren eener tooneelonderneming door het geven van tooneelvoorstellingen in den Frascati Schouwburg te Amsterdam, terwijl de Rechtbank desniettemin zonder eenige beslissing te geven omtrent het gemeld door appellanten voorgesteld niet-ontvankelijkheidsverweer, slechts heeft overwogen

dat waar geïntimeerden niet in eenige hoedanigheid doch voor zich zelven zijn opgetreden, uit dien hoofde als niet doeltreffend het verweer van appellanten werd verworpen, voorts de Rechtbank daaraan heeft toegevoegd dat zij alzoo op anderen grond de beslissing van den Kantonrechter in deze juist achtte derhalve verwierp de overweging des Kantonrechters dat geïntimeerden als eischers in prima terecht hunne vordering niet hebben ingesteld in hoedanigheid van directeuren der opgemelde naamlooze vennootschap maar als personen gezamenlijk handelende onder de benaming [A];

2° Schending en verkeerde toepassing der artikelen 1639o, 1639p, 1639q, 1639r en 1639t van het Burgerlijk Wetboek doordien de Rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de omstandigheden waaronder appellanten ondanks de sommaties de lite wegbleven op de door geïntimeerden in privé uitgeschreven repetities immers zooals die door geïntimeerden in privé waren uitgeschreven, eene legale en dringende reden was voor de geïntimeerden in privé om te doen eindigen de arbeidsovereenkomst die appellanten met het Frascati Ensemble hadden aangegaan en krachtens welke zij te verrichten hadden de prestaties uit zoodanige overeenkomst jegens het [A] voortvloeiende, bij welke beslissing de Rechtbank geheel over het hoofd zag dat geïntimeerden in privé nadat zij het [A] hadden omgezet in eene naamlooze vennootschap Tooneelgezelschap [A] waarvan zij directeuren waren en hunne functie als zoodanig uitoefenden, alles voor den dag der sommaties de lite, niet bevoegd waren noch voornemens voor eigen rekening tooneeluitvoeringen te geven, en ook de door hen in privé uitgeschreven repetities niet privé uitvoeringen hunnerzijds betroffen, onder welke omstandigheid appellanten volkomen gerechtigd waren weg te blijven van eene repetitie die of niet zou worden gehouden of waartoe zij niet behoorlijk van verwittigd werden in ieder geval waaromtrent zij in onzekerheid verkeerden;

Overwegende ten aanzien van het eerste middel:

dat dit klaarblijkelijk is gegrond op de bewering, dat de Rechtbank ten onrechte het bij de eerste grief tegen het beroepen vonnis gehandhaafde middel van verweer heeft opgevat als een disqualificatoire exceptie en als gevolg dier misvatting dat middel heeft verworpen op gronden die wellicht tegen eene zoodanige exceptie zouden kunnen worden aangevoerd, maar waaraan ter bestrijding eener exceptie als door de eischers bedoeld (haec actio tibi non competit) alle beteekenis moet worden ontzegd, zoodat zou moeten worden aangenomen, dat die exceptie is verworpen zonder dat het bestreden vonnis de gronden daarvoor inhoudt;

dat echter hierbij wordt over het hoofd gezien, dat de rechter in cassatie is gebonden aan wat door den rechter, die over de feiten oordeelt als strekking en beteekenis der beweringen van partijen is vastgesteld, zoodat in cassatie onherroepelijk vaststaat, dat het thans besproken verweer bedoelde te ontkennen, dat de verweerders de hoedanigheid bezitten, waarin zij in dit geding zijn opgetreden;

dat daarenboven de klacht, dat geene gronden voor de gegeven beslissing zijn aangevoerd, nu buiten twijfel het vonnis zoodanige gronden inhoudt, zijn feitelijken grondslag mist;

dat derhalve dit middel niet tot cassatie kan leiden;

Overwegende ten aanzien van het tweede middel:

dat, voor zoover daarbij wordt beweerd, dat het wegblijven van repetities door een tooneelspeler, die zich verbond om zekere rollen in op te voeren tooneelstukken te vervullen, nimmer kan zijn eene dringende reden om de desbetreffende arbeidsovereenkomst van den tooneelspeler onmiddellijk te doen eindigen zeker in hare algemeenheid is onjuist, terwijl de waag of dit in een bepaald geval moet worden aangenomen als van geheel feitelijken aard niet in cassatie kan worden onderzocht;

dat nog bij dit middel wordt beweerd, dat in dit geval dat wegblijven van repetities zeker niet eene dringende reden als voorbedoeld kon zijn, omdat de verweerders niet bevoegd zouden zijn geweest om de deelneming aan de repetities van de eischers te vorderen, maar deze bewering afstuit op de feitelijke en dus in cassatie onaantastbare beslissing, dat de arbeidsovereenkomst krachtens welke de deelneming aan de repetities gevorderd werd, was tot stand gekomen tusschen de eischers en de verweerders en niet tusschen de eischers en de in het middel genoemde naamlooze vennootschap „[A]";

dat derhalve ook dit middel niet tot cassatie kan leiden;

Verwerpt het beroep;

Veroordeelt de eischers in de kosten op het beroep in cassatie gevallen;

Begroot die kosten aan zijde van verweerders tot op de uitspraak van dit arrest op zes gulden zestig cent aan verschotten en op één honderd twintig gulden aan salaris.

Gedaan bij de Heeren Mr Jhr. Laman Trip, President, Gratama, Krabbe, Bosch en Nelissen, Raden, en door de raadsheer Mr Krabbe voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van den vijftienden Mei 1900 Veertien, in bijzijn van mr. Ledeboer, Advocaat-Generaal.