Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1863:1

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-11-1863
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
223
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Heffing sluisgeld. Is deze heffing bij een wet geregeld?

Conclusie is niet meer voorhanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

De Hooge Raad den Nederlanden,

Op het beroep van den Officier van Justitie bij de Arrondissements Regtbank te ’s Hertogenbosch, requirant van cassatie tegen een vonnis van de Arrondissements Regtbank aldaar van den 19den Mei 1863, waarbij hoezeer op andere gronden, is bekrachtigd een vonnis van den Kantonregter aldaar dato 13 Februari jongstleden, bijwelk vonnis Johannes Verbruggen, oud 28 jaren, schipper, geboren en wonende te St. Michielsgestel, aangeklaagd van het weigeren van betaling der sluisgelden bij het doorvaren der Geertruisluis, behoorende tot de militaire defensiewerken te ’s Hertogenbosch, op den 25sten October 1862, is ontslagen van alle regtsvervolging;

Gehoord het verslag van den Raadsheer Jolles;

Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan den gerequireerden beteekend, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaalt;

Gelet op het middel van cassatie, door den requirant voorgesteld bij memorie, bestaande in:

Schending van artikel 11 der algemeene bepalingen van Wetgeving van het Koningrijk, artikel 4 van eht reglement, behoorende bij het Koninklijk Besluit van den 20sten Februari 1862 (Staatsblad n° 23/ en van het Koninklijk Besluit van den 20sten Februari 1862/ Staatsblad n° 24);

Gehoord den Advocaat-Generaal Karseboom, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusiën, strekkende tot vernietiging van het bestreden vonnis en dat de Raad opnieuw regtdoende, met vernietiging mede in zoover van het in eersten aanleg gewezen vonnis, op de als bewezen aangenomen feiten, den gerequireerde alsnog veroordeele in eene geldboete van tien gulden en in de kosten in beide instantien even als in cassatie gevallen, even als de boete ten behoeve van den Staat, invorderbaar bij lijfsdwang;

Overwegende dat de gerequireerde te regt heeft gestaan ter zake van het weigeren van betaling der sluisgelden, bij het doorvaren der Geertruisluis, behoorende tot de militaire defensiewerken te ’s Hertogenbosch den 25sten October 1862, dat zoowel de Regtbank te ’s Hertogenbosch, in hooger beroep, als de Kantonregter aldaar in eersten aanleg, bij bovengemelde uitspraken, de ten last gelegde feiten als bewezen hebben aangenomen, doch den gerequireerde van regtsvervolging ontslagen hebben; dat dit ontslag van regtsvervolging in het beklaagde vonnis daarop is gegrond, dat de heffing van het sluisgeld niet bij eene Wet is geregeld, oordeelende namelijk de Regtbank, dat de heffing van sluisgeld zou zijn belasting; dat dit onder anderen zou blijken uit artikel 238 der Gemeentewet, en dat in het tegenwoordig geval sprake is, van eene opbrengst aan ’s landskas, geheven van hen, die van eene sluis, gelegen in de Dieze te ’s Hertogenbosch (welke Dieze is eene verlenging van de bevaarbare en vlotbare rivier de Dommel), gebruik maken, en dat volgens artikel 171 der grondwet, belastingen den behoeve van ’s landskas, alleen uit kracht van eene wet worden geheven;

Overwegende te dien aanzien, in verband met het aangevoerde middel van cassatie, dat ten onregte, door den requirant wordt beweerd, dat hier sprake zou zijn, van schending van artikel 11 der algemeene bepalingen voor het Koninkrijk, uit hoofde wel de regter, volgens dat artikel de innerlijke waarde of billijkheid eener Wet niet mag beoordeelen, maar volkomen bevoegd, ja verpligt is, te onderzoeken, (gelijk blijkbaar bij de tegenwoordige beslissing heeft plaatsgevonden), of het onderwerp eener verordening ligt binnen de bevoegdheid der verordenende autoriteit;

Overwegende dat verder, in het beklaagde vonnis, tot staving van het onverbindbare der daarbij aangehaalde Koninklijke besluiten, een grond wordt aangevoerd uit artikel 238 der Gemeentewet;

Overwegende dat ofschoon, nu ook dit artikel op de onderwerpelijke zaak, van geene dadelijke toepassing kan worden geacht uit hoofde het alleen betrekking heeft, op de daarbij genoemde heffingen in naam der gemeente, en alhoewel in de wetgeving geene definitie van belasting gevonden wordt, alhier, waarzelfs van enkele doorvaart, bij openstaan der sluis, geld wordt gevorderd, niet bestaat eene recognitie of retributie voor eene bepaalde dienst of gebruik;

Overwegende daarentegen dat eene heffing, als in casu, die bevolen wordt door het staatsgezag, als staatsgezag, ten behoeve van de publieke dienst, en welke heffing aan allen wordt opgelegd, die zich in het geval bevinden of plaatsen, waarin de heffing is voorgeschreven, het karakter van belasting draagt en alzoo bij de wet behoort te zijn vastgesteld;

Overwegende dat alsnog de vraag ter behandeling overblijft, of hoe men ook de aard dezer heffing beschouwe, ten deze niet in elk geval overtreden is, artikel vier van het Reglement van politie op alle Rijks militaire sluizen en bruggen vastgesteld bij Koninklijk Besluit van den 20sten Februari 1862 n° 23, volgens welk artikel het verboden is, de betaling van sluis en bruggeld te weigeren, maar het vrijstaat daarvoor een schriftelijk bewijs van kwijting te vorderen;

Overwegende dat buiten twijfel bij Koninklijk Besluit kan worden vastgesteld een reglement van politie op ’s Rijks militaire sluizen en bruggen; dat evenwel de bevoegdheid om op dergelijke wijze de betaling der sluis en bruggelden te verzekeren, of te regelen, ophoudt, wanneer gelijk in casu, geene wettelijke bepaling de heffing der gelden heeft vastgesteld;

Overwegende dat op al deze gronden de Arrondissements Regtbank te ’s Hertogenbosch, te regt den gerequireerde van regtsvervolging heeft ontslagen, en het middel van cassatie is ongegrond;

Verwerpt het gedaan beroep, de kosten in cassatie gevallen te dragen door den Staat.

Gedaan en gewezen te ’s Gravenhage ter openbare terechtzitting van den 3den November 1863, bij de Heeren en Mr Jhr van den Velden, President, van IJsselsteijn, Foorduin, Huguenen en Jolles, Raden, die dit arrest hebben onderteekend, benevens den Griffier.