Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:970

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-03-2022
Datum publicatie
01-04-2022
Zaaknummer
200.294.750_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2022-0085
VFP 2022/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.294.750/01

zaaknummer rechtbank : C/03/266763/ FA RK 19-2641

beschikking van de meervoudige kamer van 24 maart 2022

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. L.A.P. van Haperen te Breda,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] (België),

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. L.E. van Hevele te Oostburg.

1 De procedure in het kort.

In deze zaak gaat het om de vraag of toepasselijkheid van het tussen partijen in hun huwelijkse voorwaarden overeengekomen finaal verrekenbeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

2 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 30 januari 2020 en 26 februari 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

3 Het geding in hoger beroep

3.1.

De vrouw is op 20 mei 2021 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen van 30 januari 2020 en 26 februari 2021.

3.2.

De man heeft op 21 juli 2021 een verweerschrift ingediend.

3.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg;

- de e-mail van 27 september 2017 van de notaris ten overstaan van wie de huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt aan de man en de e-mail van 28 september 2017 van de man aan deze notaris.

Deze stukken zijn ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aan het hof overgelegd.

3.4.

De mondelinge behandeling heeft op 20 oktober 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

4 De beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om het volgende.

4.1.1.Partijen zijn op 3 oktober 2017 in Nederland gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

4.1.2.

In de huwelijkse voorwaarden is onder meer het volgende opgenomen:

“Artikel 1

Algehele uitsluiting

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

(…)

Artikel 10

Finaal verrekenbeding

1. Ingeval het huwelijk door echtscheiding (…) wordt ontbonden vindt er verrekening plaats zo, dat ieder van de echtgenoten (…) gerechtigd zijn tot een waarde gelijk aan die, waartoe zij gerechtigd zijn indien er een wettelijke algehele gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten had bestaan.

2. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van de (…) indiening van het verzoek tot echtscheiding (…) (peildatum).

3. De beschrijving en waardering van de vermogens zal plaats hebben binnen zes maanden na de peildatum.

4. De verrekening heeft plaats doordat de ene partij aan de andere partij een bedrag uitkeert, zo, dat ieder van hen de helft geniet van het vermogen als omschreven in lid 1 van dit artikel.

5. (…)

(…)

SLOTVERKLARINGEN

De verschenen personen verlangen geen omschrijving van de door hen ten huwelijk aangebrachte goederen.

(…)

SLOT

(…)

De verschenen personen zijn mij, (toegevoegd) notaris, bekend.

De inhoud van de akte is aan hen opgegeven en toegelicht. De verschenen personen hebben verklaard op volledige voorlezing van de akte geen prijs te stellen, van de inhoud van de akte te hebben kennis genomen en met de inhoud in te stemmen.”

4.1.3.

De vrouw heeft op 17 juli 2019 het verzoekschrift tot echtscheiding ingediend.

De procedure bij de rechtbank

De verzoeken van de vrouw en het verweer van de man

4.2.1.

Tegelijk met het verzoek tot echtscheiding heeft de vrouw

het verzoek gedaan tot benoeming van een deskundige om een beschrijving en waardering van het vermogen van de man op te stellen en vervolgens de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen een bedrag ter hoogte van de helft van de waarde van dit vermogen.

4.2.2.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw tot veroordeling van hem tot betaling aan de vrouw van een bedrag ter grootte van de helft van de waarde van zijn vermogen.

De man heeft aangevoerd dat het de vrouw in het huwelijk niet om hem te doen was, maar louter om zijn geld. Dit blijkt uit de vele uitgaven die hij voor de vrouw heeft gedaan en geacht werd te doen. De vrouw heeft, met valse beloftes en valse voorwendselen (zij zou nooit van de man scheiden, op korte termijn bij hem komen wonen en met de man kinderen willen) de man een valse toekomst voorgehouden en hem bewogen een huwelijk aan te gaan, waarbij thans vaststaat dat de vrouw nimmer de intentie heeft gehad haar beloftes na te komen of aan haar richting de man uitgesproken toekomstplannen enig gevolg te geven. Gezien de valse voorwendselen om met de man te huwen, de korte duur van het huwelijk, het moreel verwerpelijke gedrag van de vrouw, het feit dat partijen nimmer een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, het feit dat partijen gezamenlijk geen vermogen hebben opgebouwd, het feit dat de man 40 jaar lang heeft geboerd en vermogen heeft opgebouwd (waaronder vermogen van zijn ouders) en de vrouw daar niets aan heeft bijgedragen en geen gezamenlijke kinderen heeft opgevoed, maakt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat het in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding door de man moet worden nagekomen. De man is bewust onder algehele uitsluiting van ieder gemeenschap met de vrouw gehuwd en heeft zich de aard en strekking van het finaal verrekenbeding bij echtscheiding onvoldoende gerealiseerd.

Indien de rechtbank de man niet volgt in zijn standpunt dat toepassing van het finaal verrekenbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dient, naast een beschrijving van het vermogen van de man, ook een beschrijving gemaakt te worden van het vermogen van de vrouw. Van het vermogen van de man dient het vermogen verkregen door schenkingen en nalatenschappen, te worden uitgezonderd.

4.2.3.

De vrouw heeft gesteld dat zij zelf geen (noemenswaardig) vermogen heeft en dat zij krachtens de huwelijkse voorwaarden recht heeft op de helft van het vermogen van de man. Anders dan de man over het huwelijk stelt, is volgens haar een warme liefdesrelatie tussen partijen ontstaan, waarin de man de vrouw cadeaus heeft gegeven, maar andersom is dat ook gebeurd. Zij is uit liefde met de man getrouwd en partijen hebben het uitvoerig over de toekomst gehad. Zij zouden gaan samenwonen in Nederland, maar gaandeweg bleek dat de man niet wilde verhuizen en niet wilde meewerken aan de gezamenlijk gemaakte toekomstplannen. Daarop is het huwelijk stukgelopen. De vrouw heeft de man twee jaar lang bezocht in België (wel 40 tot 50 keer), maar heeft de familie van de man nooit leren kennen. Juist op initiatief van de man hebben partijen huwelijkse voorwaarden gemaakt. De vrouw betwist uitdrukkelijk dat zij een “gold digger” is. Maar zelfs als dit anders zou zijn, zou dat ertoe kunnen leiden dat het verrekenbeding buiten toepassing zou moeten blijven? Volgens geldende jurisprudentie van de Hoge Raad luidt het antwoord hierop ontkennend. Voor afwijking van hetgeen partijen zijn overeengekomen bestaat dan ook geen aanleiding. In de huwelijkse voorwaarden is bijvoorbeeld ook niet opgenomen dat het verrekenbeding niet van toepassing is indien er geen kinderen worden geboren en er eerst een goed, tien jaar durend, huwelijk moet zijn geweest.

Op de stellingen van partijen wordt voor zover in hoger beroep van belang hierna nader ingegaan.

De rechtbank

4.2.4.

De rechtbank heeft bij beschikking van 30 januari 2020 de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 20 mei 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Over het verweer van de man dat toepassing van het finaal verrekenbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, heeft de rechtbank in de beschikking van 30 januari 2020 het volgende overwogen:

“(…)Vooropgesteld moet worden dat het zo kan zijn dat een – als gevolg van tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden – geldende contractuele regel buiten toepassing dient te blijven indien die toepassing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient de rechter tal van omstandigheden te betrekken, waaronder de aard en inhoud van de huwelijkse voorwaarden en de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen. Bij de toetsing van een en ander dient de rechter de nodige terughoudendheid te betrachten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende feiten en omstandigheden gesteld en dient hij, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, die feiten en omstandigheden te bewijzen. Concreet komt het erop neer dat de man de gelegenheid krijgt om te bewijzen door alle middelen rechtens, allereerst door getuigen, dat de vrouw, met valse beloftes en onder valse voorwendselen als zou zij nooit uit de echt scheiden, dat zij op korte termijn bij de man zou komen wonen en met de man kinderen zou willen, de man heeft bewogen een huwelijk aan te gaan terwijl zij nimmer de intentie heeft gehad om haar beloftes na te komen of aan haar richting de man uitgesproken toekomstplannen enig gevolg te geven.

In het licht van dit verweer van de man staat tussen partijen vast dat partijen op initiatief van de man, vóór hun huwelijk, huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan omdat de man een algehele uitsluiting van gemeenschap van goederen opteerde. Verder staat vast dat partijen nooit hebben samengewoond, geen gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, dat de vrouw geen enkele bijdrage heeft geleverd aan de opbouw van het vermogen van de man, dat de man zijn vermogen tijdens zijn arbeidzaam leven als boer gedurende circa 40 jaar heeft opgebouwd en dat partijen – op initiatief van de vrouw – de notaris, ten overstaan van wie de huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt, niet hebben ingelicht over wat zij aan vermogen hadden(...)”

De rechtbank heeft de man in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de vrouw, met valse beloftes en onder valse voorwendselen als zou zij nooit uit de echt scheiden, dat zij op korte termijn bij de man zou komen wonen en met de man kinderen zou willen, de man heeft bewogen een huwelijk aan te gaan terwijl zij nimmer de intentie heeft gehad om haar beloftes na te komen of aan haar richting de man uitgesproken toekomstplannen enig gevolg te geven.

4.2.5.

Om te voldoen aan de bewijsopdracht heeft de man heeft de man vier getuigen doen horen:

- ( oud)-notaris [de eerste notaris] (hierna: de eerste notaris)

- notaris [de tweede notaris] (hierna: de tweede notaris)

- de man zelf (partijgetuige);

- de vrouw.

Van de getuigenverklaringen is proces-verbaal opgemaakt.

De vrouw heeft afgezien van contra-enquête.

4.2.6.

Het hof laat de getuigenverklaringen hier volgen:

Getuigenverklaring eerste notaris

De eerste notaris heeft het volgende verklaard.

“(…) Ik herinner mij beide partijen. Mevrouw is als eerste bij mij gekomen. Zij vertelde dat ze binnen twee weken in ondertrouw zou gaan met meneer en dat zij huwelijkse voorwaarden wilde afsluiten. (…) Mevrouw gaf aan dat zij graag huwelijkse voorwaarden wilde maken en dat zij een ontwerpakte wilde laten opmaken. Mevrouw gaf uit haarzelf aan wat zij in die akte wilde, namelijk: algehele uitsluiting, jaarlijkse verrekening van het overgespaarde bedrag, finaal verrekenbeding bij het einde van het huwelijk. Wat dat laatste beding betreft gaf ik aan: bij het overlijden? Nee, gaf mevrouw aan. Ook bij echtscheiding. Ik heb toen aan haar gevraagd met wie zij ging trouwen en zij vertelde mij de voornaam van meneer. Op doorvragen van mijn kant kon zij mij niet de achternaam van meneer en ook niet het adres vertellen. Mevrouw heeft mij ook de leeftijd van meneer verteld, ik dacht dat zij 63 jaar heeft genoemd. Mevrouw wist niet de geboortedatum van meneer. Ik heb aan mevrouw gevraagd wat meneer deed, en zij vertelde mij dat hij een bedrijf had maar zij kon mij niet vertellen wat voor soort bedrijf. (…) Mevrouw gaf aan dat zij over twee weken de akte wilde kunnen tekenen samen met meneer en dat alles met meneer was besproken. (…) Ik heb mevrouw eigenlijk niets hoeven uit te leggen over wat zij in de akte wilde hebben. Zij bleek mij goed op de hoogte. Wij hebben nog wel gesproken over het finaal verrekenbeding en daarbij bleek mij dat zij goed wist wat de betekenis daarvan was. Ik heb de consequenties van het finaal verrekenbeding verteld en uit haar reactie kon ik opmaken dat zij goed op de hoogte was. Ik heb bij het begin van het gesprek aan mevrouw gevraagd naar haar leeftijd en geboortedatum en daarbij bleek mij dat ze begin 20 was. (…)

Er is een tweede gesprek geweest waarbij ook meneer aanwezig was. Mevrouw was bij die gelegenheid alleen met meneer. In het gesprek voerde mevrouw hoofdzakelijk het woord. Eigenlijk voerde zij bijna alleen het woord. Zij vertelde mij dat ze gingen trouwen en dat er huwelijkse voorwaarden moesten komen en wel met de inhoud die in het eerste gesprek met mij was besproken. Ik heb aan meneer uitgelegd wat die huwelijkse voorwaarden precies inhielden en met name over de consequenties bij echtscheiding, overlijden zowel met als zonder kinderen. Ik heb aan meneer verteld dat hij bij echtscheiding de helft van zijn bedrijf kwijt zou zijn. Ik heb dit inderdaad in ronde taal en duidelijk aan hem verteld. U vraagt aan mij hoe meneer hierop reageerde: niet meneer maar mevrouw reageerde in de trant van wij gaan niet scheiden, wij houden veel te veel van elkaar. Ik heb aan mevrouw gezegd laat meneer ook eens reageren want meneer reageerde eigenlijk bijna niet in het gesprek. Meneer reageerde eigenlijk alleen met een lachje. Ik heb ook verteld dat bij overlijden van een van hen waarbij gelet op de leeftijd van meneer heb aangegeven dat zijn overlijden waarschijnlijk het eerst zich zou voordoen, het hele vermogen van meneer, als zij geen kinderen hadden, naar mevrouw zou gaan. Meneer heeft daarop gereageerd: “Ik wil dat mijn familie dan ook wat krijgt.” Mevrouw heeft toen gereageerd: “Dan gaat het toch naar de kinderen want die komen er toch.” Meneer reageerde wederom met een lachje. Partijen zaten tegenover mij op een normaal gebruikelijke afstand van elkaar. Mevrouw legde regelmatig haar hand op die van meneer tijdens het gesprek. Ik beschouwde dit als een normaal gebruikelijk intake gesprek en het zal tussen drie kwartier en een uur hebben geduurd, dat is gebruikelijk. Ik heb in dat gesprek overigens de volledige persoonsgegevens van meneer genoteerd. Van het tweede gesprek heb ik ook notities gemaakt. Ik heb in het gesprek geweigerd om huwelijkse voorwaarden te maken. Ik heb geweigerd een akte huwelijkse voorwaarden op te maken. Ik heb tegen beiden gezegd dat ze naar huis moesten gaan en nog maar eens goed moesten nadenken. Ik had er geen goed gevoel bij. Ik vond dat nog lang niet duidelijk was of de heer [de man] zich bewust was van de consequenties van de gewenste huwelijkse voorwaarden en of hij die consequenties ook wilde. Ik heb het in die trant ook aan beiden uitgelegd. Ik heb een ministerieplicht en dan moet ik een goede reden hebben waarom ik aan hetgeen wordt gevraagd niet wil voldoen. Ik vond dat ik een goede reden had. U vraagt mij of ik een reactie van meneer en/of mevrouw heb gehad: ik kan mij dit eigenlijk niet herinneren, volgens mij was het gesprek met mijn weigering ten einde. Ik heb geen nieuwe afspraak gemaakt, met mijn weigering had ik duidelijk gemaakt dat het initiatief tot een volgende afspraak bij mij bij hen lag. U vraagt mij of ik mijn opmerking dat ik er geen goed gevoel bij had nog handen en voeten kan geven. Ik kan u vertellen dat ik een jonge vrouw bij mij op bezoek had die huwelijkse voorwaarden wilde laten maken met een 40 jaar oudere man waarvan zij alleen de voornaam kent en ongeveer de leeftijd. Dan gaan bij mij de alarmbellen rinkelen en daarom heb ik een tweede gesprek gevraagd. Overigens zou ik altijd een gesprek met beiden hebben gewild voordat ik huwelijkse voorwaarden zou opmaken. U vraagt mij of in het gesprek ter sprake is gekomen dat partijen zouden gaan samenwonen: ik kan daar eigenlijk geen antwoord op geven. (…) Daarna heb ik niks meer van partijen gehoord. (…) U vraagt mij nog of in het gesprek waarbij meneer aanwezig was nog gesproken is over zijn bedrijf of zijn vermogen: ik herinner mij dat hij een agrarisch bedrijf had en ik dacht mij te herinneren dat hij veel koeien had.”

Getuigenverklaring tweede notaris

De tweede notaris heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“(…) Ik ben de notaris ten overstaande van wie de huwelijkse voorwaarden van partijen zijn verleden. (…) Op 26 september 2017 heb ik een gesprek met beide partijen gevoerd en dat was bij mij op kantoor. (…) Uit mijn dossieraantekeningen (die ik voor mij heb liggen) maak ik op dat meneer mij verteld heeft dat hij de Belgische nationaliteit heeft en dat mevrouw mij vertelde dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft. Verder hebben ze mij verteld dat ze niet samenwoonden en dat dat voorlopig ook niet de bedoeling was. Meneer heeft mij verteld dat hij in een melkfabriek werkt en mevrouw heeft mij verteld dat zij als kapster werkt, dat blijkt ook uit mijn aantekeningen. Meneer heeft mij verteld dat hij geen kinderen heeft. Meneer heeft mij verteld dat hij een vermogen zou hebben van €20.000 euro en mevrouw heeft mij verteld dat zij een vermogen zou hebben van €6.000 euro. Ik leid uit mijn aantekeningen af dat ik vervolgens de systematiek heb verteld en wel zoals volgens het Nederlands recht ze bij een huwelijk in wettelijke gemeenschap van goederen zouden trouwen (bij een huwelijk vóór 1 januari 2018). Ik zie dat ik iets heb verteld over een finaal verrekenbeding. Ik kan mij herinneren dat het niet een zeer gestructureerde bespreking was omdat er werd afgestevend op een finaal verrekenbeding zowel bij overlijden als bij echtscheiding. Ik herinner mij dat beide partijen dat wilden (…) Ik heb na de bespreking een memo gemaakt en daarin zie ik staan dat ze mij in het gesprek hebben verteld dat ze met een collega-notaris in [plaats 1] of een gesprek of in ieder geval contact hadden gehad en dat dat kantoor op zo een korte termijn geen tijd had voor een vervolgbespreking. Ze hadden mij aan het begin van het gesprek verteld en dat wil ik ook weten dat zij op 3 oktober 2017 in [plaats 2] in het huwelijk zouden treden en daar leid ik uit af dat mijn kantoor niet veel tijd kreeg om te doen wat ze eventueel van mij wensten. Overigens een memo maak ik wel vaker op na een bespreking, daar is voor mij niets bijzonders aan. In het gesprek bleek mij dat er weinig ruimte was om iets anders met partijen te bespreken want zij wilden een finaal verrekenbeding bij overlijden en bij echtscheiding. Verder hebben ze mij in het gesprek verteld dat ze niet van plan waren om te scheiden en dat ze kinderen wilden. (…) Dat over dat niet scheiden en kinderen willen is volgens mij door zowel mevrouw als meneer aan mij verteld. Ik heb inderdaad uitgelegd hoe zo’n finaal verrekenbeding werkt en dat heb ik (ook in dit geval) gedaan aan de hand van tekeningetjes die ook in mijn aantekeningen genoteerd staan. Die tekeningetjes maak ik natuurlijk in het bijzijn van de cliënten in het gesprek. Het kwam op mij over dat het voor beiden klip-en-klaar was. Ik zie dat ik ook heb gesproken aan de hand van een tekening over de erfrechtelijke consequenties en in het tekeningetje zie ik een stippellijntje naar ten minste één kind. Ik teken dat niet tijdens een gesprek als er niet over kinderen wordt gesproken.

Ik ga nu met u naar 27 september 2017. Op die dag heb ik om 10:43:28 uur een e-mail gestuurd naar zowel mevrouw als meneer met als onderwerp huwelijkse voorwaarden. U toont mij die e-mail en u blijkt daar al over te beschikken. Ik heb op 27 september 2017 nog telefonisch gesproken met de heer [de man] (ik herkende hem aan zijn stem en zijn, voor mij, unieke accent) en heb nog gewezen op de gevolgen van het finaal verrekenbeding. Ik heb hem gevraagd of hij onder enige vorm van dwang stond en daarbij doelde ik op de huwelijkse voorwaarden en op het mogelijk onder dwang staan van mevrouw. Meneer heeft toen geantwoord: “Nee, ik ben oud en wijs genoeg om de gevolgen te overzien.” Ik heb hem overigens gebeld en niet hij mij. Ik heb hem verteld dat ik hem belde in het kader van mijn zorgplicht. (…).

2.4.1.

Op 28 september 2017 om 13:58 uur krijg ik een e-mail van de heer [de man] en deze heeft u ook voor u liggen waarin hij volledig akkoord gaat met deze huwelijkse voorwaarden. Voor zover ik weet heb ik geen reactie op mijn e-mail van de kant van mevrouw gehad. Ik heb ook nog in mijn computersysteem gekeken en ik heb geen reactie van de kant van mevrouw gevonden.

We komen dan inderdaad bij 2 oktober 2017. Ik heb voor mij liggen de akte huwelijkse voorwaarden. Beide partijen zijn bij mij op kantoor geweest die dag. De bespreking is ten overstaan van mij gebeurd en er waren geen andere mensen bij aanwezig. Over het passeermoment van de akte staat mij niet zoveel bij. Ik zal waarschijnlijk, zoals gebruikelijk, aan de hand van tekeningetjes nog een keer de inhoud van de huwelijkse voorwaarden hebben uitgelegd. (…) U vraagt mij of er nog gesproken is over het ‘nooit scheiden en samen kinderen willen’, ik weet niet of dat op 2 oktober 2017 nog is besproken. Mij staat in ieder geval bij dat zij mij hebben verteld dat ze nooit uit elkaar wilden gaan, dat het echte liefde was en dat er kinderen zouden komen. (…)

Tijdens de bespreking van 26 september 2017 is mij gebleken dat mevrouw wel beter wist waar zij het over had. In dat gesprek was zij mondiger dan meneer. Meneer beaamde wat mevrouw zei. Zij voerde meer de boventoon op het onderwerp finaal verrekenbeding maar meneer was het daar ook mee eens.

Ik denk dat ik mevrouw telefonisch heb gesproken en dat naar aanleiding van dat gesprek de eerste bespreking op 26 september 2017 tot stand is gekomen. Mevrouw heeft verteld dat er over huwelijkse voorwaarden met mij gesproken zou gaan worden. Ik ben nogal kort aan de telefoon, dus ik denk dat zij mij niet meer dan dat verteld heeft. U vraagt of mij door partijen is uitgelegd in het eerste gesprek waarom zij de aangegeven specifieke huwelijkse voorwaarden wilden. Ze gaven aan dat er sprake was van echte liefde en dat er kinderen zouden komen en, zoals ik al verteld heb, stevenden zij in het gesprek af op die huwelijkse voorwaarden, dat wil zeggen het finaal verrekenbeding. Ik heb letterlijk opgeschreven dat de man in een melkfabriek werkt. In mijn aantekeningen staat dat meneer in België zou blijven wonen en dat mevrouw in Nederland zou blijven wonen en ook na het huwelijk zouden ze (voorlopig) geen gemeenschappelijke huishouding gaan voeren. (…)”.

Getuigenverklaring man

De man heeft als partijgetuige het volgende verklaard:

“Op een gegeven moment hebben mevrouw en ik besloten met elkaar te gaan trouwen. Zij heeft mij verteld dat wij bij elkaar zouden blijven en dat wij kinderen zouden krijgen. U vraagt aan mij hoe vaak zij dat verteld heeft vóór het huwelijk, dat weet ik niet precies. Zij heeft het wel een aantal keren aan mij verteld dat wij ook een gezinnetje zouden stichten. Ik, van mijn kant, heb haar verteld dat ik graag een gezinnetje met twee kinderen zou willen. Daarop heeft zij instemmend gereageerd. U vraagt aan mij of er voor het huwelijk gesproken is over na het huwelijk van elkaar te scheiden: nee, dat is niet besproken tussen ons. Het was de bedoeling om te trouwen en getrouwd te blijven. Voor het huwelijk hebben wij allebei gezegd dat we na het huwelijk op enig moment zouden gaan samenwonen bij mij in België. Op enig moment heeft zij mij verteld dat ze (…) naar mij toe zou komen om met mij te komen samenwonen. Dat zou in het voorjaar van 2018 zijn. Ze ging in januari naar Kroatië en kwam eind januari/begin februari terug. Na Kroatië, ik denk een half jaar later, heeft zij de nodige kleding van haarzelf en wat serviesgoed meegenomen naar mij in België en bij mij achtergelaten. Daarbij heeft ze verteld dat ze die dan niet meer hoefde mee te nemen als ze definitief bij mij zou komen wonen. Ze heeft kleding bij twee gelegenheden naar mij toegebracht en bij mij achtergelaten. Een deel van die kleding zit in een valies van haar, die staat nog steeds bij mij. U vraagt aan mij of ze nog andere signalen heeft gegeven dat ze bij mij zou komen wonen: wij omhelsden elkaar, wij hielden van elkaar, ze vroeg aan mij dingen over de koeien en over hoelang een zwangerschap van een koe duurt en ze vertelde dat ze dat allemaal wilde weten met het oog op het komen wonen bij mij door haar. (…) Als ik haar belde en vroeg om toch bij mij te komen wonen gaf ze aan dat ze niet veel tijd had om met mij te praten, dat ze de bus op moest om naar haar werk te gaan. Ik had bijna de moed opgegeven dat ze bij mij zou komen wonen. Ik denk dat ze misschien omme nabij de tien keer bij mij in België is gekomen, waarvan een aantal keer met haar tante [tante] en ook een aantal keer met haar moeder. Ze is nooit alleen naar mij toegekomen. In 2019 is ze in mijn herinnering drie keer bij mij geweest in België: in januari, met Pasen en in juni. Met Pasen is zij bij mij blijven slapen en dan sliepen wij samen. U vraagt aan mij wanneer ik heb gehoord en ook op welke wijze dat zij van mij wilde scheiden: ik vond daarover post in mijn brievenbus en ik ben toen verschoten. Het ging om het verzoekschrift echtscheiding dat ik ontving. Ik heb van haar tevoren nooit gehoord of signalen gekregen dat zij van mij wilde scheiden. Tijdens ons huwelijk hebben wij veelvuldig telefonisch contact met elkaar gehad, praktisch dagelijks, een enkele dag uitgezonderd. Veelal twee keer per dag, ’s middags en ’s avonds. We spraken met elkaar over de dagelijkse beslommeringen zoals eten en werken. Soms heb ik ook aangekaart over het samenwonen en daarmee gaf ik aan “het blijft maar duren”. Het was eigenlijk altijd zo dat ze niet veel tijd had om te praten en dat ze de bus op moest. (…) Nadat ik de echtscheidingspapieren had ontvangen heb ik haar wel vijftig keer proberen te bellen op haar gsm en ik heb haar ook ge-sms’t. Ik heb haar niet meer aan de lijn gekregen en ook geen reactie gekregen op mijn sms’en. Ik heb ook nog per e-mail gereageerd maar ook daarop heb ik geen reactie gekregen. De echtscheiding kwam voor mij onverwacht.

De eerste notaris (…) Tijdens dat gesprek bij die notaris heeft mevrouw met name het gesprek gevoerd van onze kant, ze gaf aan dat ze finaal wilde verrekenen en het was de eerste keer dat ik dat woord hoorde. Ze gaf aan dat wij rap wilden trouwen, dat wij kinderen zouden krijgen en dat we niet zouden scheiden. De notaris heeft toen gezegd: maar wat als jullie wel uit elkaar zouden gaan? Mevrouw gaf aan wij gaan niet scheiden en wij willen samen kinderen. Ik van mijn kant heb ook gezegd wij willen samen kinderen. De notaris heeft toen gezegd “denkt u hier nog maar eens over na”, het gesprek was gedaan. De notaris heeft ons gewezen op ons leeftijdsverschil en wilde de akte niet zomaar opmaken. (…) De notaris ( [de tweede notaris] ) (toevoeging rechtbank: getuige 2) heeft mij inderdaad na de bespreking zelf gebeld. Zij vroeg aan mij of ik wel wilde trouwen. Ik heb gezegd: “ja, ik wil trouwen. Waarom niet?” Toen ik gebeld werd door de notaris zat ik samen met mevrouw ( [de vrouw] ) bij mij thuis op de zetel. De telefoon stond redelijk luid, maar niet op speaker. Ik denk dat [de vrouw] kon horen wat de notaris aan mij vroeg. [de vrouw] omhelsde mij. Ik heb de notaris geantwoord en de notaris vroeg ook iets van of ik onder dwang stond misschien ofzo. [de vrouw] knikte naar mij dat het goed was dat wij zouden trouwen. Ik heb tegen de notaris nog gezegd “ik ben oud en wijs genoeg”. U houdt mij voor dat volgens de notaris ik ook nog zou hebben gezegd “om de gevolgen te overzien”: dat laatste heb ik niet gezegd. Dat weet ik zeker. De moeder van [de vrouw] zat in een andere zetel en zei tegen mij dat ik goed had gesproken en dat ik een mooie jonge vrouw ging trouwen en dat ik blij mocht zijn en daar kinderen mee zou krijgen. (…) Het initiatief tot het trouwen kwam van mevrouw. Zij gaf aan rap te willen trouwen, dat kwam niet van mij. Ik denk dat bij onze derde ontmoeting (de eerste was in juni 2017) mevrouw aangaf dat zij met mij wilde trouwen. Wij konden het goed met elkaar vinden en wij hadden elkaar ook omhelsd bij de ontmoetingen. U vraagt of er nog andere redenen/excuses door mevrouw zijn gegeven om nog niet bij mij te komen wonen: niet dat ik mij kan herinneren. (…) Nadat we bij de eerste notaris (toevoeging rechtbank: getuige 1) naar buiten kwamen, dat gesprek had nog geen kwartier geduurd, stonden we buiten en gaf mevrouw bij mij aan “wil je dan niet met me trouwen?” en ze begon te huilen. Ik was terneergeslagen. Ik ben niet zo’n prater, ik ben meer iemand die met zijn handen werkt. Ik heb gezegd dat zij daarvoor niet moest huilen. Ik heb gezegd dat ik wel met haar wilde trouwen maar dat ik ook nog iets te zeggen wilde hebben. U vraagt wat ik daarmee bedoelde: ik doel op het finaal verrekenbeding, voor het gesprek bij de notaris had zij tegen mij gezegd die moet dat niet allemaal weten, je moet niet teveel praten. Die hoeven niet te weten wat wij allemaal hebben. Ik heb haar niet gevraagd waarom “die” dat niet allemaal hoefden te weten. Ik had haar voor het bezoek bij de notaris verteld dat ik een boerenbedrijf had met koeien (25-30 stuks) en dat ik grond had gepacht en dat ik ook een beetje eigen grond had. Ik weet niet wanneer, maar ik heb haar op enig moment ook verteld dat ik grond van mijn moeder zou erven als zij er niet meer zou zijn. Nadat mijn moeder was overleden heeft zij mij op enig moment gevraagd of “dat” allemaal geregeld was. Ik heb toen gezegd: we zijn ermee bezig. Toen wij buiten kwamen van de eerste notaris heeft zij op enig moment gezegd ik zal dan een andere notaris regelen. Ik heb haar dat laten regelen. Ze gaf over de eerste notaris aan dat zij “niet echt zo aan die man was”, daarmee bedoel ik dat zij niet zo enthousiast was over die man. Bij de eerste notaris was het gesprek eigenlijk zo klaar, want hij zei dat wij er nog maar eens goed over moesten nadenken. Ik weet niet precies maar na de eerste notaris en misschien ook na de tweede notaris heeft mevrouw tegen mij gezegd dat ze finaal wilde verrekenen en dat ze anders niet met mij wilde trouwen. Ze heeft ook gezegd tegen mij en ook bij beide notarissen dat zij met mij wilde trouwen om getrouwd te blijven en niet om te scheiden. (…)”

Getuigenverklaring vrouw

De vrouw heeft als getuige het volgende verklaard:

“Wij hebben elkaar leren kennen via een datingsite. In mei 2017 hebben wij telefonisch met elkaar contact gehad en inderdaad op 11 juni 2017 hebben wij elkaar voor het eerst ontmoet. Ik weet in ieder geval dat het in juni 2017 was. (…) Het kan kloppen dat wij op 19 september 2017 de trouwdatum 3 oktober 2017 in [plaats 2] hebben vastgelegd. Voor het huwelijk hebben wij met elkaar gesproken over het samenwonen, maar daar waren wij niet uitgekomen. Het was voorlopig Nederland en België en dat hebben we ook bij de notaris aangegeven. Ik ben bij de eerste notaris, die vandaag is gehoord, inderdaad zonder meneer geweest (…) Inderdaad wisten wij (meneer en ik) wat we wilden, namelijk: huwelijkse voorwaarden zoals ik bij de eerste notaris in het eerste gesprek heb aangegeven. (…) Meneer heeft meer verstand van notarissen en van hem komt het finaal verrekenen af. U vraagt mij in welke situatie dan verrekenen en of ik daar al met de eerste notaris over heb gesproken. Het klopt dat ik heb gezegd niet alleen bij overlijden maar ook bij echt scheiden, (…) Ik heb die notaris in het eerste gesprek wel degelijk de achternaam van meneer kunnen vertellen en ook zijn adres, want daar was ik immers al een aantal keer geweest. Ik ben heel slecht in cijfers en het kan goed zijn dat ik de notaris niet de geboortedatum van meneer heb kunnen vertellen. Ik geloof, althans ik neem aan, dat ik wel heb verteld dat meneer een melkbedrijf heeft. Dat heb ik immers gezien toen ik bij meneer was. Het gesprek met de notaris ging erg snel. Natuurlijk vond ik het begrijpelijk dat de notaris ook met meneer wilde spreken. Ik heb niet aangedrongen in het eerste gesprek op het opmaken van een akte binnen twee weken. (…) We zijn toen uitgekomen bij de tweede notaris die vandaag als getuige is gehoord. In het gesprek met de tweede notaris heeft meneer verteld dat hij iets met ‘melkfabriek/bedrijf’ deed, dat weet ik niet precies, en dat ik als kapster werkte. Het klopt dat we toen hebben verteld dat meneer €20.000 euro aan vermogen had en ik €6.000 euro. Het klopt dat we in het gesprek aan de notaris hebben verteld dat we een finaal verrekenbeding wilden. Er is ook gesproken over het krijgen van kinderen, dat wil zeggen: een kinderwens van ons beiden, en bij de erfrechtelijke gevolgen heeft de notaris een tekeningetje gemaakt en daar is ook een kindje getekend. Inderdaad hebben we ook aan die notaris verteld dat wij niet van plan waren om te scheiden en dat wij kinderen wilden. Ik heb gehoord dat de notaris heeft verteld en dat meneer [de man] heeft bevestigd dat de notaris een dag later meneer [de man] heeft gebeld. Meneer vertelde toen dat hij de notaris had gezegd dat hij oud en wijs genoeg was en dat hij wist wat hij deed. (…) Ik heb enkele weken voordat meneer het verzoekschrift echtscheiding via de post heeft ontvangen aangegeven dat ik de procedure zou starten omdat er geen beweging kwam in het gaan samenwonen. Wat de term finaal verrekenbeding betekent heb ik voor het eerst gehoord van de tweede notaris. De term zelf heb ik voor het eerst gehoord van meneer [de man] . Ik heb hem toen gevraagd wat dat betekende en hij heeft het toen aan mij uitgelegd.”

4.2.7.

Bij beschikking van 26 februari 2021 heeft de rechtbank beslist dat de man is geslaagd in het leveren van het aan hem opgedragen bewijs en dat onverkorte toepassing van de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De rechtbank heeft aldus het verzoek van de vrouw – inhoudende veroordeling van de man tot betaling van een bedrag ter hoogte van de helft van de waarde van het vermogen van de man – afgewezen.

De procedure in hoger beroep

4.3.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen, onder aanpassing/vermeerdering van haar verzoek. Zij verzoekt het hof, onder aanvoering van zes grieven, de beschikkingen van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 30 januari 2020 en 26 februari 2021 te vernietigen (behoudens voor zover het betreft de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en, opnieuw rechtdoende:

  1. de primaire verzoeken van de vrouw in eerste aanleg toe te wijzen, zulks met inachtneming van de navolgende vermeerdering/aanpassing van eis;

  2. te bepalen dat de man zijn medewerking, zulks in de ruimste zin van het woord, dient te geven aan de totstandkoming van de boedelbeschrijving door een door het hof aan te wijzen notaris van het vermogen van zowel de man als de vrouw per 15 juli 2019;

  3. te bepalen dat de zaak weer op een nieuwe roldatum zal komen zodat partijen zich kunnen uitlaten over de inhoud van de boedelbeschrijving en de gevolgen daarvoor voor de uitwerking van het tussen partijen overeengekomen finaal verrekenbeding.

4.4.

De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren en haar verzoek af te wijzen dan wel ongegrond te verklaren, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het hoger beroep en van deze procedure, nakosten daarbij inbegrepen.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.5.

De man heeft de Belgische nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De zaak heeft daarom internationale aspecten. De rechtbank heeft terecht aangenomen dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding en daarmee ook ten aanzien van het verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Ook het hof heeft daarom rechtsmacht. De rechtbank heeft Nederlandse recht toegepast. Daartegen zijn (terecht) geen grieven gericht: ook het hof zal Nederlands recht toepassen.

De grieven en de beoordeling

4.6.

Met grief 1 keert de vrouw zich tegen een tweetal overwegingen van de rechtbank omtrent door de rechtbank als vaststaand aangenomen feiten. De grieven 2 t/m 6 keren zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de man in het aan hem opgedragen bewijs is geslaagd.

De man heeft de grieven weersproken.

Het hof is van oordeel dat de grieven niet kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden beschikkingen.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Staat vast dat de man voor uitsluiting van iedere gemeenschap opteerde?

4.7.

De eerste grief van de vrouw is (onder meer) gericht tegen de overweging door de rechtbank in de beschikking van 30 januari 2020 dat vaststaat dat

“partijen op initiatief van de man, vóór hun huwelijk, huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan omdat de man een algehele uitsluiting van gemeenschap van goederen opteerde”.

De rechtbank had niet tot deze vaststelling mogen komen omdat de man alleen heeft gesteld dat hij op huwelijkse voorwaarden wilde trouwen (en niet dat hij uitsluiting van gemeenschap wilde). Voorts heeft de vrouw deze door de rechtbank genoemde stelling van de man niet erkend.

4.8.

Het hof overweegt allereerst dat de vrouw – zoals de man terecht aanvoert – bij deze grief in zoverre geen belang heeft omdat de rechtbank in rov. 2.10.2. van de beschikking van 26 februari 2021 van deze vaststelling is “teruggekomen” door te overwegen dat:

”vóór de huwelijkssluiting de vrouw de initiatiefneemster (is) geweest (anders dan eerder door de rechtbank in de vorige tussenbeschikking op grond van het gevoerde debat werd aangenomen) om te komen tot het opmaken van huwelijkse voorwaarden met daarin de afspraken gescheiden vermogens en een finaal verrekenbeding bij overlijden én met name ook dat dit verrekenbeding bij echtscheiding zou gelden”.

Dat op initiatief van de vrouw huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt met daarin een finaal verrekenbeding bij echtscheiding, neemt echter niet weg dat de man met uitsluiting van gemeenschap wilde trouwen en dat de vrouw dit – naar het oordeel van het hof – ook wist, dan wel redelijkerwijze moest begrijpen. Zo stelt de vrouw in het beroepschrift dat zij het “prima” vond om onder huwelijkse voorwaarden te trouwen en dat zij “niet de behoefte” had om in algehele gemeenschap van goederen te trouwen. Het hof leidt hieruit af dat de vrouw, die op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat de man voorafgaand aan de bezoeken aan de notaris(sen) een finaal verrekenbeding wilde (waarover later meer), wist dat de man – die steeds heeft verklaard dat hij duidelijk de intentie had om met uitsluiting van gemeenschap te huwen en dit ook aan de vrouw had gezegd (hetgeen de vrouw onvoldoende heeft weersproken) – huwelijkse - voorwaarden wilde met uitsluiting van (iedere) gemeenschap. Het hof neemt dit dan ook als vaststaand aan.

Initiatief finaal verrekenbeding bij vrouw. Man ertoe bewogen in te stemmen?

4.9.1.

Uit de verklaring van de eerste notaris over het eerste gesprek dat hij voerde met alléén de vrouw (de man was daarbij niet aanwezig) blijkt het volgende:

“(..) Mevrouw gaf aan dat zij graag huwelijkse voorwaarden wilde maken en dat zij een ontwerpakte wilde laten opmaken. Mevrouw gaf uit haarzelf aan wat zij in die akte wilde, namelijk: algehele uitsluiting, jaarlijkse verrekening van het overgespaarde bedrag, finaal verrekenbeding bij het einde van het huwelijk. Wat dat laatste beding betreft gaf ik aan: bij het overlijden? Nee, gaf mevrouw aan. Ook bij echtscheiding(..)”

en:

“Ik heb mevrouw eigenlijk niets hoeven uit te leggen over wat zij in de akte wilde hebben. Zij bleek mij goed op de hoogte. Wij hebben nog wel gesproken over het finaal verrekenbeding en daarbij bleek mij dat zij goed wist wat de betekenis daarvan was. Ik heb de consequenties van het finaal verrekenbeding verteld en uit haar reactie kon ik opmaken dat zij goed op de hoogte was”

Over het tweede gesprek (waarbij de man wel aanwezig was) verklaart de eerste notaris als volgt:

“(..) In het gesprek voerde mevrouw hoofdzakelijk het woord. Eigenlijk voerde zij bijna alleen het woord. Zij vertelde mij dat ze gingen trouwen en dat er huwelijkse voorwaarden moesten komen en wel met de inhoud die in het eerste gesprek met mij was besproken. Ik heb aan meneer uitgelegd wat die huwelijkse voorwaarden precies inhielden en met name over de consequenties bij echtscheiding, overlijden zowel met als zonder kinderen. Ik heb aan meneer verteld dat hij bij echtscheiding de helft van zijn bedrijf kwijt zou zijn. Ik heb dit inderdaad in ronde taal en duidelijk aan hem verteld. U vraagt aan mij hoe meneer hierop reageerde: niet meneer maar mevrouw reageerde in de trant van wij gaan niet scheiden, wij houden veel te veel van elkaar. Ik heb aan mevrouw gezegd laat meneer ook eens reageren want meneer reageerde eigenlijk bijna niet in het gesprek. Meneer reageerde eigenlijk alleen met een lachje. Ik heb ook verteld dat bij overlijden van een van hen waarbij gelet op de leeftijd van meneer heb aangegeven dat zijn overlijden waarschijnlijk het eerst zich zou voordoen, het hele vermogen van meneer, als zij geen kinderen hadden, naar mevrouw zou gaan. Meneer heeft daarop gereageerd: “Ik wil dat mijn familie dan ook wat krijgt.” Mevrouw heeft toen gereageerd: “Dan gaat het toch naar de kinderen want die komen er toch.” Meneer reageerde wederom met een lachje (..)

De tweede notaris heeft het volgende verklaard over het gesprek dat zij op 26 september 2017 met beide partijen voerde:

“Ik leid uit mijn aantekeningen af dat ik vervolgens de systematiek heb verteld en wel zoals volgens het Nederlands recht ze bij een huwelijk in wettelijke gemeenschap van goederen zouden trouwen (bij een huwelijk vóór 1 januari 2018). Ik zie dat ik iets heb verteld over een finaal verrekenbeding. Ik kan mij herinneren dat het niet een zeer gestructureerde bespreking was omdat er werd afgestevend op een finaal verrekenbeding zowel bij overlijden als bij echtscheiding. Ik herinner mij dat beide partijen dat wilden (…)

en:

“Tijdens de bespreking van 26 september 2017 is mij gebleken dat mevrouw wel beter wist waar zij het over had. In dat gesprek was zij mondiger dan meneer. Meneer beaamde wat mevrouw zei. Zij voerde meer de boventoon op het onderwerp finaal verrekenbeding maar meneer was het daar ook mee eens.”

De man heeft over dit gesprek met de tweede notaris verklaard:

“(…) Tijdens dat gesprek bij die notaris heeft mevrouw met name het gesprek gevoerd van onze kant, ze gaf aan dat ze finaal wilde verrekenen en het was de eerste keer dat ik dat woord hoorde. Ze gaf aan dat wij rap wilden trouwen, dat wij kinderen zouden krijgen en dat we niet zouden scheiden. De notaris heeft toen gezegd: maar wat als jullie wel uit elkaar zouden gaan? Mevrouw gaf aan wij gaan niet scheiden en wij willen samen kinderen. Ik van mijn kant heb ook gezegd wij willen samen kinderen. De notaris heeft toen gezegd “denkt u hier nog maar eens over na”, het gesprek was gedaan. De notaris heeft ons gewezen op ons leeftijdsverschil en wilde de akte niet zomaar opmaken. (…) De notaris ( [de tweede notaris] ) (toevoeging rechtbank: getuige 2) heeft mij inderdaad na de bespreking zelf gebeld. Zij vroeg aan mij of ik wel wilde trouwen. Ik heb gezegd: “ja, ik wil trouwen. Waarom niet?” Toen ik gebeld werd door de notaris zat ik samen met mevrouw ( [de vrouw] ) bij mij thuis op de zetel. De telefoon stond redelijk luid, maar niet op speaker. Ik denk dat [de vrouw] kon horen wat de notaris aan mij vroeg. [de vrouw] omhelsde mij. Ik heb de notaris geantwoord en de notaris vroeg ook iets van of ik onder dwang stond misschien ofzo. [de vrouw] knikte naar mij dat het goed was dat wij zouden trouwen. Ik heb tegen de notaris nog gezegd “ik ben oud en wijs genoeg”. U houdt mij voor dat volgens de notaris ik ook nog zou hebben gezegd “om de gevolgen te overzien”: dat laatste heb ik niet gezegd. Dat weet ik zeker. De moeder van [de vrouw] zat in een andere zetel en zei tegen mij dat ik goed had gesproken en dat ik een mooie jonge vrouw ging trouwen en dat ik blij mocht zijn en daar kinderen mee zou krijgen. (…) Het initiatief tot het trouwen kwam van mevrouw. Zij gaf aan rap te willen trouwen, dat kwam niet van mij. Ik denk dat bij onze derde ontmoeting (de eerste was in juni 2017) mevrouw aangaf dat zij met mij wilde trouwen. Wij konden het goed met elkaar vinden en wij hadden elkaar ook omhelsd bij de ontmoetingen. U vraagt of er nog andere redenen/excuses door mevrouw zijn gegeven om nog niet bij mij te komen wonen: niet dat ik mij kan herinneren. (…) Nadat we bij de eerste notaris) naar buiten kwamen, dat gesprek had nog geen kwartier geduurd, stonden we buiten en gaf mevrouw bij mij aan “wil je dan niet met me trouwen?” en ze begon te huilen. Ik was terneergeslagen. Ik ben niet zo’n prater, ik ben meer iemand die met zijn handen werkt. Ik heb gezegd dat zij daarvoor niet moest huilen. Ik heb gezegd dat ik wel met haar wilde trouwen maar dat ik ook nog iets te zeggen wilde hebben”

4.9.2.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze getuigenverklaringen in onderling verband bezien dat:

(i) op initiatief van de vrouw in de huwelijkse voorwaarden van partijen een finaal verrekenbeding is opgenomen en

(ii) de vrouw, teneinde het ertoe te leiden dat in de huwelijkse voorwaarden een finaal verrekenbeding bij echtscheiding zou worden opgenomen, de man ertoe heeft bewogen om in te stemmen met een finaal verrekenbeding bij echtscheiding, daarbij gebruik makend van de belofte niet te gaan scheiden en samen kinderen te krijgen.

4.9.3.

De verklaring van de man dat de vrouw kwam met het idee van het finaal verrekenbeding wordt ondersteund door de verklaring van de eerste notaris, terwijl ook de tweede notaris verklaart dat de vrouw de “boventoon” voerde. Daarbij komt dat de tweede notaris noodzaak heeft gezien om (zoals zij verklaart: in het kader van haar zorgplicht) een dag na het gesprek met partijen telefonisch contact op te nemen met de man teneinde hem te vragen of hij onder enige vorm van dwang stond waarbij zij – zoals zij als getuige verklaart – doelde op de huwelijkse voorwaarden en het mogelijk onder dwang staan van de man door de vrouw.

In de verklaringen van zowel de eerste notaris (“Ik heb aan meneer verteld dat hij bij echtscheiding de helft van zijn bedrijf kwijt zou zijn. Ik heb dit inderdaad in ronde taal en duidelijk aan hem verteld. U vraagt aan mij hoe meneer hier op reageerde: niet meneer maar mevrouw reageerde in de trant van wij gaan niet scheiden, wij houden veel te veel van elkaar. Ik heb aan mevrouw gezegd laat meneer ook eens reageren want meneer reageerde eigenlijk bijna niet in het gesprek. Meneer reageerde eigenlijk alleen met een lachje.”) als van de man komt naar voren dat, volgens de man op momenten waarop de notaris hem wees op de betekenis van een finaal verrekenbeding bij echtscheiding en de consequenties daarvan, de vrouw hem “geruststelde” door steeds te vermelden dat de man en de vrouw niet zouden gaan scheiden en dat zij samen kinderen zouden krijgen. Daarmee heeft de vrouw, naar het oordeel van het hof de man ertoe bewogen om in te stemmen met een finaal verrekenbeding, terwijl zij wist of moest weten dat dit niet overeenkomstig de wens en het belang was van de man, die uitsluiting van gemeenschap beoogde (en daarmee ook – gelet op de strekking en betekenis van een finaal verrekenbeding – niet kon instemmen met een finaal verrekenbeding). Dat de man onder invloed stond van de vrouw en haar beloftes van niet scheiden en samen kinderen krijgen, vindt ook steun in de verklaring van de man (zowel bij gelegenheid van het getuigenverhoor als bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep (en als zodanig niet door de vrouw weersproken) dat toen de tweede notaris hem belde en hem wees op de gevolgen van het finaal verrekenbeding en hem heeft gevraagd of hij onder dwang stond en hij tegen de notaris zei dat hij “oud en wijs” genoeg was, hij in een “zetel” zat met de vrouw, waarbij de vrouw hem omhelsde en zei dat het goed was dat ze gingen trouwen terwijl de aanwezige moeder van de vrouw zei dat de man goed had gesproken en dat hij een mooie jonge vrouw ging trouwen en dat hij blij mocht zijn en daar kinderen mee zou krijgen.

4.10.

Dat de vrouw ten koste van de man wilde bewerkstelligen dat een finaal verrekenbeding bij echtscheiding in de huwelijkse voorwaarden zou worden opgenomen, vindt naar het oordeel van het hof ook steun in het navolgende.

4.11.

De rechtbank heeft in de beschikking van 30 januari 2020 overwogen dat

“vaststaat dat partijen – op initiatief van de vrouw – de notaris ten overstaan van wie de huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt, niet hebben ingelicht over wat zij aan vermogen hadden”.

4.12.

Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 6 december 2019 blijkt dat de man heeft verklaard (blz. 3):

“We hebben niets verteld over onze bezittingen bij de notaris. De vrouw zei: dat hoeft de notaris allemaal niet te weten wat wij hebben. Wat er niet staat, komt niet aan bod”

en (blz. 6):

“De vrouw heeft gezegd: je moet zo weinig mogelijk zeggen over dat vermogen”

4.13.

De vrouw heeft deze stelling van de man – zoals de man in zijn verweerschrift in hoger beroep terecht aanvoert – niet (voldoende gemotiveerd) betwist zodat de rechtbank terecht als vaststaand heeft aangenomen dat partijen – op initiatief van de vrouw – de notaris ten overstaan van wie de huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt, niet hebben ingelicht over wat zij aan vermogen hadden. Het hof neemt dit daarom eveneens als vaststaand aan. De vrouw heeft ook geen plausibele verklaring kunnen geven voor haar initiatief tot het verzwijgen van de vermogens van partijen.

Ongeloofwaardige verklaringen vrouw. Intenties. Echtscheiding.

4.14.1.

Het hof is verder met de rechtbank van oordeel dat de vrouw ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over de bedoelingen van partijen en haar eigen intenties, en zij is er aldus niet in geslaagd af te doen aan het oordeel dat (i) op initiatief van de vrouw in de huwelijkse voorwaarden van partijen een finaal verrekenbeding is opgenomen en

(ii) dat de vrouw, teneinde het ertoe te leiden dat in de huwelijkse voorwaarden een finaal verrekenbeding bij echtscheiding zou worden opgenomen, de man ertoe heeft bewogen om in te stemmen met een finaal verrekenbeding bij echtscheiding, daarbij gebruik makend van de belofte niet te gaan scheiden en samen kinderen te krijgen.

Zo acht het hof het evenals de rechtbank, ongeloofwaardig en onaannemelijk dat “het finaal verrekenen” van de man afkwam, zoals de vrouw heeft verklaard.

De rechtbank heeft in dit verband overwogen:

“De vrouw heeft het initiatief genomen tot het eerste gesprek bij een notaris en in dat gesprek is uit de getuigenis van de notaris gebleken dat de vrouw precies wist wat zij wilde, (..) en dat zij ook goed de werking van dit beding kende. Niet is komen vast te staan, bijvoorbeeld uit het tweede gesprek met diezelfde notaris, waarbij ook de man aanwezig was, dat de man met het idee van het finaal verrekenbeding is gekomen of dat hij reeds op de hoogte was van de ins en outs van een dergelijk beding. Dat laatste is temeer onaannemelijk omdat de man, zoals de notaris, getuige 1 (toevoeging hof: de eerste notaris), ook heeft aangegeven, als degene met de Belgische nationaliteit en ook wonende in België, niet bekend pleegt te zijn met een dergelijk beding en daarover door de notaris uitleg heeft gekregen. Bij die uitleg bleek uit de reactie van de man, zoals de getuige 1 heeft verklaard, dat hij onaangenaam verrast was over de werking van dit beding bij overlijden van de man. Daaruit kan worden afgeleid dat juist de man niet op de hoogte was van de werking van dit beding. De man heeft ook zelf verklaard dat hij bij de eerste notaris voor het eerste hoorde van de woorden “finaal verrekenbeding”. Gelet op dit alles is het niet aannemelijk dat juist de man bij de vrouw met dit beding op de proppen zou zijn gekomen. Waarom de vrouw, als getuige gehoord, de rechtbank op dit punt iets anders wil doen geloven, heeft zij niet duidelijk gemaakt”

Het hof deelt dit oordeel van de rechtbank en de daartoe gebezigde motivering.

4.14.2.

Daarbij klemt temeer dat ook de wisselende verklaringen van de vrouw bij de rechtbank en in hoger beroep over de reden van de echtscheiding als ongeloofwaardig moeten worden aangemerkt. In hoger beroep heeft de vrouw aangevoerd dat de reden voor haar om te scheiden was gelegen in bepaalde seksuele wensen van de man terwijl zij als getuige bij de rechtbank heeft verklaard dat zij wilde scheiden omdat de man niet met haar in Nederland wilde samenwonen (“Ik heb enkele weken voordat meneer het verzoekschrift echtscheiding via de post heeft ontvangen aangegeven dat ik de procedure zou starten omdat er geen beweging kwam in het gaan samenwonen”).

4.14.3.

Het hof stelt vast dat de verklaring van de vrouw in eerste aanleg (dat zij wilde scheiden omdat de man niet met haar in Nederland wilde gaan samenwonen) sterk afwijkt van haar verklaring in hoger beroep, waarin zij het gedrag van de man als reden voor de scheiding aanwijst. De vrouw geeft weliswaar (als verklaring voor die tegenstrijdige standpunten) aan dat zij het door haar gestelde (door de man betwiste) gedrag van de man bij de rechtbank niet heeft durven uiten, - hetgeen overigens niet nodig was omdat zij kon volstaan met de stelling dat het huwelijk duurzaam was ontwricht - maar dat kan niet op aannemelijke, geloofwaardige wijze verklaren waarom zij bij de rechtbank zonder voorbehoud als reden voor de echtscheiding heeft genoemd dat de man niet met haar in Nederland wilde gaan samenwonen.

4.14.4.

De vrouw heeft nog aangevoerd dat zij ruim twee jaar met de man getrouwd is gebleven en eerst op 17 juli 2019 een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend. Als de vrouw slechts wilde profiteren van het finaal verrekenbeding had zij wel eerder echtscheiding aangevraagd, aldus de vrouw.

4.14.5.

Het hof passeert dit betoog van de vrouw als onvoldoende onderbouwd. De man heeft hier tegenover immers aangevoerd dat zijn moeder in 2019 is overleden en de vrouw bewust het overlijden van de moeder heeft afgewacht omdat de vrouw wist dat het vermogen van de man dan zou toenemen. Het tijdverloop tussen de datum van het huwelijk en de echtscheiding acht het hof dan ook van geen gewicht voor het oordeel of toepassing van het finaal verrekenbeding al dan niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.15.

Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat de vrouw van begin af aan de intentie heeft gehad om haar beloftes, gedaan ten tijde van de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden, niet na te komen of om aan haar tegen de man uitgesproken toekomstplannen enig gevolg te geven en de man met valse beloftes en voorwendselen heeft overgehaald om een finaal verrekenbeding bij echtscheiding overeen te komen. De toepassing van dit finaal verrekenbeding bij echtscheiding moet daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden geacht onaanvaardbaar te zijn.

4.16.

De slotsom is dat de grieven falen en dat de beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4.17.

Omdat partijen gewezen echtgenoten zijn zullen de proceskosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 26 februari 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en

T.J. Mellema-Kranenburg en is op 24 maart 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.