Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:78

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
200.287.630_01 en 200.294.020_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2021:3263
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind

Curatele

Mentorschap

benoeming deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 13 januari 2022

Zaaknummers: 200.287.630/01 en 200.294.020/01

Zaaknummer eerste aanleg: 8735167 BM VERZ 20-3950 en 8735168 MS VERZ 20-860

in de zaken in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in principaal hoger beroep en

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.B.G. Gelissen,

tegen

[de dochter] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal hoger beroep en

verzoekster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de dochter,

advocaat: mr. A.J.T.M. Hendriks (voordien: mr. D.J.M. Kuppens),

en

[de broer] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal hoger beroep,

hierna te noemen: de broer.

5 De beschikking d.d. 28 oktober 2021

Bij die beschikking heeft het hof uiteengezet waarom het hof behoefte heeft aan een deskundigenonderzoek om te beslissen over de voorliggende vraag of de vader al of niet onder curatele moet worden gesteld, dan wel dat al of niet bewind en/of mentorschap nodig is. In het dictum van die beschikking zijn partijen verzocht zich binnen veertien dagen uit te laten over de te benoemen deskundige en de te stellen vragen.

Iedere verdere behandeling en beslissing van de zaak heeft het hof met dat doel pro forma aangehouden.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft nadien kennisgenomen van de inhoud van:

- een brief met producties van de advocaat van de dochter d.d. 8 november 2021;

- een V-formulier met akte van uitlating en productie van de advocaat van de vader d.d. 11 november 2021.

7 De verdere beoordeling

De persoon van de deskundige

7.1.

In de tussenbeschikking van 28 oktober 2021 heeft het hof kenbaar gemaakt voornemens te zijn als deskundige dr. P.L.J. Dautzenberg, klinisch geriater in het [ziekenhuis] Ziekenhuis te [plaats] , te benoemen.

7.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de te benoemen deskundige.

Mr. Hendriks heeft het hof bij voornoemd bericht van 8 november 2021 bericht dat de dochter en de broer kunnen instemmen met benoeming van dr. Dautzenberg als deskundige.

Mr. Gelissen heeft het hof bij voornoemd bericht van 11 november 2021 bericht dat, na eigen onderzoek, de vader geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de deskundigheid van dr. Dautzenberg.

7.3.

Het hof zal, nu partijen geen bezwaren hebben tegen de persoon van de te benoemen deskundige, dr. Dautzenberg als deskundige benoemen. Dr. Dautzenberg heeft zich bereid verklaard het deskundigenonderzoek te verrichten.

De aan de deskundige te stellen vragen

7.4.

In de tussenbeschikking van 28 oktober 2021 heeft het hof een aantal door de deskundige te beantwoorden vragen geformuleerd en partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.

7.5.

Beide partijen hebben aanpassingen voorgesteld. Op grond daarvan heeft het hof aanleiding gezien de in de tussenbeschikking weergegeven vragen gedeeltelijk aan te passen en de hierna volgende vragen aan de deskundige te stellen.

Het hof bepaalt dat de deskundige gemotiveerd en zo nauwkeurig mogelijk antwoord dient te geven op de volgende vragen:

  1. Lijdt de vader aan een lichamelijke of geestelijke stoornis, zoals bijvoorbeeld dementie of een andere aandoening?

  2. Is de vader, al dan niet als gevolg van een stoornis of aandoening, in staat zelfstandig zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen, zoals zijn vermogen te beheren, bankzaken te regelen, betalingen te verrichten, belastingaangifte te doen, geld te pinnen? Heeft de vader er weet van dat hij een levenstestament heeft opgesteld en heeft herroepen en wat de inhoud van het levenstestament is? Heeft de vader inzicht in wat zijn betrokkenheid bij het bedrijf (de maatschap met de dochter) is (geweest) en of en zo ja welke afspraken over een bedrijfsoverdracht zijn gemaakt? Heeft de vader inzicht in welke afspraken met betrekking tot zijn gronden in het kader van een ruilovereenkomst zijn gemaakt?

  3. Is de vader in staat zelfstandig dan wel met de nodige hulp zijn persoonlijke belangen te behartigen, zoals hulp vragen bij gezondheids- en andere problemen, mensen of diensten bellen die hij nodig heeft, een afspraak maken met de huisarts, tandarts of medisch specialist en daar ook verschijnen, een huishouding voeren en huishoudelijke apparaten bedienen, zijn persoonlijke dagelijkse verzorging uitvoeren?

  4. Is de vader voor bepaalde handelingen afhankelijk van derden, en zo ja, voor welke handelingen, en in hoeverre?

  5. Is de vader in staat om de essentie van belangrijke mondelinge en schriftelijke communicatie te onthouden en op een later moment te reproduceren?

  6. Indien de deskundige nog andere informatie heeft verkregen die voor de beantwoording van de door het hof gestelde vragen van belang is, hoe luidt deze informatie en wat is de herkomst daarvan?

Verloop onderzoek

7.6.

Het hof overweegt als volgt.

Bij het onderzoek en het uit te brengen rapport dient de ‘Leidraad deskundigen in civiele zaken’ te worden gevolgd. Deze is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. In het kader van hoor en wederhoor zal het hof, zoals uit de leidraad ook volgt, bepalen dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van het concept-rapport – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken. Partijen zijn ingevolge art. 198 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verplicht mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

De griffier zal aan de deskundige de relevante processtukken doen toekomen, zoals in het dictum weergegeven, zodat de deskundige zich aan de hand van de processtukken een beeld kan vormen van de context van de aan hem gestelde vragen.

Het hof ziet aanleiding om een raadsheer-commissaris te benoemen tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier, dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft.

Kosten deskundigenonderzoek

7.7.

Het hof bepaalt het voorschot van de kosten van de thans te benoemen deskundige op het door de deskundige, gespecificeerde, begrote bedrag van € 4.600,- inclusief BTW.

Gelet op het door de deskundige ingediende overzicht van zijn werkzaamheden (zoals inlezen dossier, onderzoek van de vader, spreken van partijen en opmaken rapport) en de daarmee gemoeide tijdsbelasting van 21 uur, komt het hof dit bedrag niet onredelijk voor.

Het hof zal het voorschot, anders dan is overwogen in zijn beschikking van 28 oktober 2021, ten laste van alle belanghebbenden brengen, in die zin dat de vader € 2300,- , de dochter € 1150,- en de broer € 1150,- voor hun rekening nemen.
Indien de deskundige voorziet dat de kosten hoger gaan uitvallen dan het begrote bedrag, dient de deskundige daartoe vooraf, met begroting van de meerkosten, schriftelijk toestemming van het hof te vragen.
In de eindbeschikking zal een definitieve beslissing worden genomen over de betaling van de kosten van de deskundige.

7.8.

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

8 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep:

8.1.

gelast een deskundigenonderzoek ter beantwoording van de in deze beschikking onder rechtsoverweging 7.5. geformuleerde vragen;

8.2.

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

dr. P.L.J. Dautzenberg, klinisch geriater,

verbonden aan het [ziekenhuis] Ziekenhuis te [plaats] ,

postbus [postbus] ,

[postcode] te [plaats] ;

8.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking en van de tussenbeschikking van 28 oktober 2021 aan de deskundige toezendt, alsmede een kopie van de navolgende processtukken (inclusief producties) in de zaak 200.287.630/01:

- het beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2020;

- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 februari 2021;

- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep tevens houdende een wijziging van het verzoek in hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 30 maart 2021;

- een brief met bijlage van de advocaat van de dochter van 30 maart 2021;

- een V-formulier van de advocaat van de vader van 19 april 2021;

- een V-formulier met een brief van de advocaat van de dochter van 17 mei 2021;

- een V-formulier met akte van de advocaat van de vader van 26 mei 2021;

- een V-formulier met antwoordakte van de advocaat van de dochter van 11 juni 2021;

- een V-formulier met akte van de advocaat van de vader van 16 juni 2021;

- een brief met producties van de advocaat van de dochter d.d. 8 november 2021;

- een V-formulier met akte van uitlating en productie van de advocaat van de vader d.d. 11 november 2021;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof d.d. 6 april 2021;

en in de (gevoegde) zaak 200.294.020/01:

- het beroepschrift met producties;

- het verweerschrift met producties.

8.4.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 4.600,-- inclusief BTW;

bepaalt dat € 2.300,- van dit voorschot ten laste komt van de vader, € 1150,- ten laste van de dochter en € 1150,- ten laste van de broer;

bepaalt dat de vader € 2300,- en de dochter en de broer ieder € 1150,- dienen te voldoen in verband met de betaling van het voorschot, waartoe zij ieder een nota met betalingsinstructie van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zullen ontvangen;

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

8.5.

wijst de deskundige erop dat de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis dient te nemen van de “Leidraad deskundigen in civiele zaken”, te raadplegen op rechtspraak.nl en hij deze leidraad dient te volgen;

bepaalt dat de plaats en de tijd waar en wanneer de deskundige tot het onderzoek zal overgaan, zullen worden vastgesteld door de deskundige in overleg met de advocaten van de partijen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van het concept-rapport – de advocaten van partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken, een en ander zoals aangegeven in paragraaf 5.3. van de Leidraad deskundigen;

bepaalt dat partijen binnen twee weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed rapport, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het rapport aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijke, ondertekende rapport ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier aan de deskundige is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

8.6.

benoemt mr. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier van het team familie- en jeugdrecht van het hof dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

8.7.

bepaalt dat partijen binnen vier weken na ontvangst van het definitieve deskundigenrapport hun reactie schriftelijk aan het hof kenbaar kunnen maken;

8.8.

houdt iedere verdere beslissing aan tot 15 april 2022 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.M. Bossink en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.