Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:74

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
200.300.491_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 13 januari 2022

Zaaknummer : 200.300.491/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/290842 / FA RK 21-1414

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.H.S. Brinkman,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
    hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    [de vader] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vader;

  • -

    Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te [vestigingsplaats] , de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 juli 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 oktober 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het verzoek van de raad af te wijzen, voor zover dit verzoek ziet op de gezagsbeëindiging van de moeder, althans een voorziening te treffen die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 november 2021, heeft de GI verzocht om de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 december 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Brinkman;

  • -

    de vader;

  • -

    [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad;

  • -

    [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.

2.3.1.

Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden is met hem gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 24 juni 2021 (bij V6-formulier van 14 oktober 2021 ingezonden door de advocaat van de moeder);

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 12 oktober 2021;

  • -

    de brief met bijlagen van de GI d.d. 18 november 2021.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.

Tot aan de bestreden beschikking oefenden de ouders gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.

3.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op 11 juli 2019 (voorlopig) onder toezicht van de GI gesteld en met een daartoe strekkende spoedmachtiging uit huis geplaatst bij [accommodatie jeugdhulp] , een accommodatie jeugdhulp te [plaats] . Op 6 augustus 2019 zijn de kinderen vanuit de crisisopvang overgeplaatst naar behandelgroep [behandelgroep] van [accommodatie jeugdhulp] .

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de ouders beëindigd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen - voor zover haar gezag over de kinderen is beëindigd - en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

De standpunten

3.5.

De moeder voert, samengevat, het volgende aan.

Zij is in staat om de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich te nemen. De moeder is betrokken en zij kijkt kritisch naar zaken. Zij heeft nooit enige toestemming geweigerd wat betreft de belangen van de kinderen.

De moeder heeft weliswaar een onrustige periode achter de rug, maar zij beschikt over zelfstandige woonruimte; de vader de woning heeft verlaten. Voor haar financiële zaken wordt de moeder ondersteund door een bewindvoerder. Verder is de reclassering bij de moeder betrokken en krijgt de moeder hulpverlening van [instantie 1] en [instantie 2] .

Het perspectief van de kinderen ligt nog steeds bij de moeder. De moeder beseft evenwel dat de kinderen niet meteen naar huis kunnen en dat er sprake moet zijn van een opbouwende regeling.

De kinderen hebben er geen last van indien de moeder het gezag behoudt. Bovendien verkeren zij nu ook in onduidelijkheid over hun perspectief, aangezien zijn op een behandelgroep verblijven, hetgeen een tijdelijke oplossing is.

Over het recente stuk van de GI merkt de moeder het volgende op. Er wordt ten onrechte gesuggereerd dat zij recent is aangehouden. Dit is niet juist. Er zijn door de wijkpatrouille enkel vragen gesteld toen de moeder met bekenden onderweg was. Vervolgens is iedereen uiteen gegaan. Indien de moeder onder invloed zou zijn geweest, dan was de reclassering erbij betrokken vanwege een schending van de voorwaarden van haar proeftijd.

3.6.

De raad voert, samengevat, het volgende aan.

Uit het raadsonderzoek komt naar voren dat een gezagsbeëindiging van de moeder op zijn plaats is. Een grote zorg is dat deze kinderen naar beide ouders toe enorm loyaal zijn. Dit remt de ontwikkeling van de kinderen. De kinderen kunnen niet ‘landen’ zolang er geen duidelijkheid is over hun toekomstperspectief. Zij hebben veel last van de huidige situatie.

Een uithuisplaatsing op vrijwillige basis, waarbij de moeder het gezag zou behouden, is in deze situatie niet op zijn plaats.

Er is niet gebleken dat de moeder duidelijke positieve stappen heeft gezet, de moeder is ambivalent en weinig transparant in haar gedrag en tussen de ouders is er sprake van een ingewikkelde dynamiek. Daarbij is gezien dat de ouders zelf regie gaan voeren met betrekking tot de contacten tussen hen en de kinderen.

3.7.

Onder verwijzing naar de inhoud van het raadsrapport van 8 april 2021 voert de GI, samengevat, het volgende aan. Er zijn extreem veel zorgen over de kinderen.

De grootste zorg van de GI is de onduidelijkheid die de kinderen ervaren over hun perspectief. Er zijn grote zorgen over de identiteitsontwikkeling van de kinderen. De kinderen zijn zeer loyaal aan de ouders en blijven de hoop houden dat ze weer thuis kunnen wonen. Hierdoor worden ze keer op keer teleurgesteld, hetgeen voor veel verdriet zorgt. De kinderen zitten volledig vast en willen niet praten.

Het lukt de moeder niet om volwassen zaken bij de kinderen weg te houden, maar dit is voor haar niet bespreekbaar. Vanwege recente ontwikkelingen is de omgang tussen de moeder en de kinderen volledig begeleid. Gebleken is dat de moeder en haar netwerk sinds oktober in het geheim contact met de kinderen hebben gehad. Bij de kinderen werd gezien dat ze stiekem en opstandig gedrag vertoonden. De omgang was eerder al teruggebracht van twee keer naar één keer per maand, omdat de kinderen er extreem veel last van hadden.

De moeder is niet in staat om haar leven duurzaam te verbeteren. Zij haakt af bij hulpverlening en er is sprake van terugkerend middelengebruik met heftige gevolgen. De moeder geeft bovendien geen zicht op hulpverlening, ondanks toezeggingen om dit wel te doen.
Door het eigen belaste verleden en de eigen problematiek is de moeder beschadigd en lukt het haar niet om tot daadwerkelijke verandering te komen, ondanks de wil hiertoe.

De kinderen hebben rust en duidelijkheid nodig. Er wordt dringend gezocht naar een geschikt gezinshuis, maar helaas liggen de plekken niet voor het oprapen.

De GI blijft waar mogelijk inzetten op de contacten met de ouders en met [halfbroer] , de halfbroer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

3.8.

De vader voert, samengevat, het volgende aan.

Hij heeft er geen vertrouwen in dat de kinderen in de toekomst weer bij de moeder kunnen wonen. De moeder heeft al twee keer een traject bij [instantie 3] beëindigd en er is bij haar nog steeds sprake van drugs- en drankgebruik, waarbij zij geregeld ook in aanraking komt met de politie. Binnen het netwerk van de moeder zijn drugs en drank eveneens aan de orde van de dag.
De vader heeft in het verleden ook terugvallen gehad, maar het gaat nu goed met hem.

Hij heeft echter nog geen vaste woonplaats en hij is bezig om een eigen woning te krijgen.

De contacten met de kinderen verlopen heel goed. De vader ziet de kinderen één keer per week zonder begeleiding.

De vader heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing om zijn gezag te beëindigen. Hij hoopt wel in de toekomst voor de kinderen te kunnen zorgen, maar hij beseft dat de kinderen duidelijkheid over hun perspectief nodig hebben en dat hij de kinderen nu niets kan beloven.

Het zou goed zijn als de kinderen snel binnen een gezinshuis kunnen worden geplaatst.

De motivering van de beslissing

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in

artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

de ouder het gezag misbruikt.

3.9.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en afweging overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodanig opgroeien, dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding voor hen te dragen binnen een voor hen aanvaardbaar te achten termijn.

3.9.3.

Het hof voegt hier op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is verklaard nog het volgende aan toe.

Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen hebben de kinderen een zeer belast verleden en groeiden zij op in een onstabiele, onveilige omgeving met huiselijk geweld, drank- en drugsgebruik en onvoorspelbaar gedrag van beide ouders.

De moeder is voor de kinderen in alle opzichten onvoldoende beschikbaar geweest, waardoor de kinderen bedreigd werden in hun basale gevoel van veiligheid en in hun sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling.

Ondanks de gebeurtenissen in het verleden blijven de kinderen zeer loyaal aan beide ouders en blijven zij zich zorgen maken over de ouders. Zij klampen zich ten onrechte vast aan iedere gebeurtenis die aanleiding zou kunnen geven om naar een thuisplaatsing toe te werken. Hierdoor komen zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] niet toe aan de verwerking van hun trauma’s en aan hun eigen ontwikkeling.

Niet gebleken is dat de moeder een dermate positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt dat zij in staat wordt geacht om binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn hun verzorging en opvoeding weer op zich te nemen.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door de GI naar voren gebracht, hetgeen door de moeder niet is betwist, dat recent is gebleken dat de moeder al enige tijd in het geheim contact met de kinderen heeft. Deze contacten vinden plaats op het moment dat de kinderen van en naar school gaan, buiten het zicht van de hulpverlening. Deze contacten hebben een grote impact op de kinderen, hetgeen zichtbaar is in hun gedrag.

Hieruit blijkt dat het de moeder nog steeds niet lukt om het belang van de kinderen op de eerste plaats te stellen en daarnaar te handelen.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn inmiddels al tweeëneenhalf jaar uit huis geplaatst en zij hebben behoefte aan duidelijkheid over hun toekomstperspectief, zodat zij gaan beseffen dat zij niet bij de ouders (en derhalve bij de moeder) kunnen opgroeien. De verwachting is dat deze duidelijkheid ertoe zal leiden dat zij meer rust zullen ervaren en dat zij weer toe zullen komen aan hun eigen ontwikkeling.

Het belang van de kinderen bij deze duidelijkheid dient zwaarder te wegen dan het belang van de moeder om haar gezag te behouden.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de aanvaardbare termijn, zoals bedoeld in artikel 1:266 BW voor zowel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verstreken.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd,

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van
8 juli 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.L. Schaafsma-Beversluis en
H. van Winkel en is op 13 januari 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.