Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:716

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-02-2022
Datum publicatie
09-03-2022
Zaaknummer
20-000852-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2 Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

Niet horen verbalisant niet in strijd met Keskin-jurisprudentie.

Opzet niet bewezen, ook niet in voorwaardelijke vorm. Hof veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van € 1.000 met een proeftijd van 1 jaar.

Volstaan met constatering schending redelijke termijn hoger beroep.

Afwijzing vordering tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000852-19

Uitspraak : 23 februari 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 7 maart 2019, parketnummer 01-993292-17 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 21-000595-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] .,

statutair gevestigd te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte is bij vonnis, waarvan beroep, ter zake van het overtreden van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, veroordeeld tot een geldboete van € 3.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van 15 september 2016 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opgelegde voorwaardelijke veroordeling tot betaling van een geldboete van

€ 2.500,00 is de proeftijd met een jaar verlengd.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de vordering tot tenuitvoerlegging. Gevorderd is dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete, ter hoogte van € 2.000,00. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging is gevorderd deze gedeeltelijk ten uitvoer te leggen in die zin dat de betaling van een bedrag van € 1.000,00 tenuitvoergelegd dient te worden en de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Door en namens verdachte is betoogd dat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken nu a) het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] ten onrechte is gebezigd voor het bewijs en geen sprake is van een verdachte transactie, b) verdachte in ieder geval geen opzet had op het niet melden van de verdachte transactie, en c) enig strafbaar handelen niet aan haar kan worden toegerekend. Subsidiair is gesteld dat d) verdachte een beroep toekomt op de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld.

Ten slotte zijn opmerkingen gemaakt over de straftoemeting en de vordering tot tenuitvoerlegging.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de economische politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2016 tot en met 31 december 2016 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, als marktdeelnemer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk de bevoegde instanties niet onverwijld in kennis heeft gesteld van een of meer voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen als omschreven in bijlage 1 van de Verordening nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, die er op kunnen wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht worden misbruikt door verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen, hebbende zij, verdachte, opzettelijk (aan [bedrijf] ) (een) hoeveelhe(i)d(en) zwavelzuur (totaal 19.000 kg) en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) zoutzuur (totaal 3.678 kg) verkocht en/of afgeleverd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op in de periode van 1 april 2016 tot en met 31 december 2016 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, als marktdeelnemer de bevoegde instanties niet onverwijld in kennis heeft gesteld van voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen als omschreven in bijlage 1 van de Verordening nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, die er op kunnen wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht worden misbruikt door verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen, hebbende zij, verdachte, aan [bedrijf] een hoeveelheid zwavelzuur (totaal 19.000 kg) en een hoeveelheid zoutzuur (totaal 3.678 kg) verkocht en afgeleverd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van bijlagen van het stamproces-verbaal van de Belastingdienst, Douane Groningen/Team Precursoren, Strategische goederen en Sanctiewetgeving/Locatie Zwolle, dossiernummer 87154, gesloten d.d. 26 juni 2017, nader te noemen: het procesdossier.

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan.

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 augustus 2016 (bijlage 1), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Inleiding:

Door de medewerkers van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen, onderdeel van de Politie Landelijke Eenheid (LFO) worden foto’s gemaakt tijdens het ontmantelen van productieplaatsen en opslagplaatsen van synthetische drugs. Daarnaast wordt in zogenaamde incidentformulieren beschreven wat is aangetroffen op een bepaalde locatie. Ik, verbalisant, ben belast met het onderzoeken van deze foto’s en incidentformulieren.

Bevinding:

Op 11 augustus 2016 las ik een incidentformulier waarop stond dat op 17 juli 2016 aan de [adres 2] een productielocatie voor synthetische drugs, tevens een op- en overslaglocatie van chemicaliën voor synthetische drugs is aangetroffen.

Deze locatie is door het LFO onderzocht.

Vervolgens heb ik een onderzoek ingesteld naar de foto’s in de bestandsmap [adres 2] . Op de foto’s zag ik:

1.delen van een aantal Intermediate Bulk Containers (hierna: IBC) met etiketten van

[verdachte]

1. IBC [verdachte]

Op de foto’s van de etiketten zag ik onder andere de volgende gegevens:

- [verdachte] , [adres 1]

- Zwavelzuur 96% tech.

- Netto: 1840 kg.

Informatie over leverancier [verdachte]

Ik zag in het uittreksel van de Kamer van Koophandel dat [verdachte] een besloten vennootschap is, gevestigd te [adres 1] . De economische activiteiten zijn: Groothandel in chemische grondstoffen en chemicaliën voor industriële toepassing en vervaardiging van overige anorganische basischemicaliën.

2. Het stamproces-verbaal genoemd in de aanhef, van de Belastingdienst, Douane/Groningen/Team Precursoren, Strategische goederen en Sanctiewetgeving/Locatie Zwolle, dossiernummer 87154, gesloten d.d. 26 juni 2017, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

(pg. 4)

Naar aanleiding van de informatie van [verbalisant 2] heb ik opdracht gekregen een zogenoemd back-track onderzoek in te stellen bij [verdachte] teneinde de afnemers in kaart te brengen en om een onderzoek in te stellen om vast te stellen of bij [verdachte] mogelijk ongebruikelijke of verdachte voorvallen met geregistreerde stoffen van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën hebben plaatsgevonden, die gemeld hadden moeten worden bij de Belastingdienst/FIOD/Meldpunt verdachte transacties.

(pg. 6)

Het is mij ambtshalve bekend dat de stoffen Zoutzuur en Zwavelzuur, waarover in dit proces-verbaal wordt gesproken, vele legale toepassingen hebben en daarnaast illegaal gebruikt kunnen worden bij de productie van synthetische drugs. Mierenzuur is een relevante niet-geregistreerde stof. Deze stof is niet genoemd in de bijlage van Verordening EG 273/2004. Echter marktdeelnemers wordt dringend verzocht om ongebruikelijke of verdachte voorvallen met deze stoffen te melden omdat levering van deze stoffen in sommige gevallen een strafbaar feit zoals genoemd in artikel 10a Opiumwet kan opleveren.

(pg. 8)

Naar aanleiding van mijn vraag aan het meldpunt bij de Belastingdienst/FIOD of er meldingen van [verdachte] zijn binnengekomen over het bedrijf [bedrijf] , heeft [getuige 1] , medewerker Meldpunt Verdachte Transacties, verklaard dat er geen meldingen over het bedrijf [bedrijf] bij het meldpunt zijn binnengekomen van [verdachte]

(pg. 9)

Ten behoeve van het onderzoek heb ik op 14 maart 2017 een bezoek gebracht aan het bedrijf [verdachte] te Apeldoorn. Ter plaatse sprak ik met mevrouw [vertegenwoordiger van de verdachte] , directrice van [verdachte] Mevrouw [vertegenwoordiger van de verdachte] verklaarde dat de op het adres [adres 2] aangetroffen chemicaliën zijn geleverd aan [bedrijf] te [adres 3] . Tijdens het onderzoek toonde mevrouw [vertegenwoordiger van de verdachte] op een scherm via een computer een overzicht van de totale transacties met [bedrijf] . Mevrouw [vertegenwoordiger van de verdachte] heeft een afdruk van het getoonde scherm met het overzicht aan mij gemaild.

Mevrouw [vertegenwoordiger van de verdachte] verklaarde dat [bedrijf] voor het eerst in 2016 stoffen als Mierenzuur, Zoutzuur en Zwavelzuur heeft besteld. [bedrijf] had voor april 2016 alleen de stoffen Formaldehyde en Natriumhypochloriet besteld.

(pg. 10)

Onderzoek facturen, afleverbonnen en betaaloverzichten

Op vrijdag 17 maart 2017 heb ik een bezoek gebracht aan [verdachte] te Apeldoorn en heb ik de facturen, de bijbehorende afleverbonnen en de betaaloverzichten van de zendingen in 2016 aan [bedrijf] opgehaald.

In het onderstaande overzicht heb ik de gegevens overgenomen van de facturen met leveringen van Mierenzuur, Zwavelzuur en Zoutzuur.

(pg. 11)

Datum

Factuurnummer

Vrachtbriefnummer

Omschrijving

Hoeveelheid

Totaal

Factuurbedrag

06-04-2016

1604208

-

Mierenzuur 85%

1.200 kg

1.163.34

21-04-2016

1605084

-

Zoutzuur 30% T

138 kg

460,55

28-04-2016

1605472

20160422172

Zwavelzuur 96% Tech inkl emballage

5.520 kg

1.522,86

02-06-2016

1607757

20160530145

Zwavelzuur 96% Tech inkl emballage

2.800 kg

772,46

01-07-2016

1609638

20160628038

Zwavelzuur 96% Tech inkl emballage

3.680 kg

1.015,24

08-07-2016

1610047

-

Mierenzuur 85%

1.200 kg

1.185,00

02-09-2016

1613666

20160831025

Mierenzuur 85%

1.200 kg

1.335,84

23-09-2016

1614752

Zwavelzuur 96% Tech

1.400 kg

512,57

03-10-2016

1615286

20160929053

Zwavelzuur 96% Tech inkl emballage

1.400 kg

386,23

13-10-2016

1615868

20161011032

Zwavelzuur 96% Tech inkl emballage

4.200 kg

1.158,70

21-12-2016

1619126

20161219093

Zoutzuur 36% CZ inkl. emballage

3.540 kg

1.627,69

Op de bijbehorende afleverbonnen behorende bij de facturen met nummers 1607757 en 1609638 zag ik staan:

Aan

[bedrijf]

[adres 2]

Bij alle overige afleverbonnen zag ik staan:

Aan

[bedrijf]

[adres 3]

Op de afleverbon behorende bij de factuur met nummer 1609638 zag ik in het vakje ‘handtekening geadresseerde voor goede ontvangst’ zag ik staan ‘1-7-2016 NAW neergezet voor’.

Op de vrachtbrief behorende bij de factuur met nummer 1609638 zag ik in het vakje ‘handtekening geadresseerde voor goede ontvangst’ staan: ‘Datum: 1-7-2016 NAW neergezet voor roldeur i.o. v. [bedrijf] gebeld.’

3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 19 april 2017 (bijlage 9), voor zover inhoudende als weergave van de verklaring van getuige [getuige 2] :

Wat is uw functie binnen [verdachte] ?

Ik ben chauffeur bij [verdachte]

Wij tonen u een verkoopfactuur met daarop factuurnummer 1607757 en vrachtbriefnummer 20160530145 en de bijbehorende afleverbon met ordernummer 20160530145. Heeft u deze zending afgeleverd in [adres 2] ?

Ja, ik heb deze zending geleverd. Ik herken dat ook aan het handschrift van de datum op de afleverbon.

Was er iemand afwezig (het hof: aanwezig) die de zending in ontvangst heeft genomen? Zo ja, wie was deze persoon?

Ik ben via een hek dat voor het huis links van de schuurtjes stond naar binnen gegaan. Daar binnen was een vrouw. Deze mevrouw heeft iemand opgebeld. Na ongeveer een kwartier kwamen er een oudere man en een jonge man. Ze kwamen met een auto. Deze personen hebben de levering aangenomen.

Hebben deze personen de afleverbon getekend?

Volgens mij heeft de jongere man de bon afgetekend. Ik kan mij niet herinneren dat ik deze mannen ooit bij [bedrijf] ben tegengekomen.

Wij tonen u een verkoopfactuur met daarop factuurnummer 1609638 en vrachtbriefnummer 20160628038 en de bijbehorende afleverbon met ordernummer 20160628038. Heeft u deze zending afgeleverd op het adres [adres 2] ?

Ja, ook hier herken ik dat aan het handschrift van de datum op de afleverbon. Deze heb ik geleverd.

Was er iemand aanwezig om die zending in ontvangst te nemen?

Nee.

Wat heeft u vervolgens gedaan?

Ik denk dat ik eerst [getuige 3] heb gebeld, dat is de planner bij [verdachte] . Ik wou de zwavelzuur technisch niet zomaar neerzetten zonder dat iemand het aannam. Ik denk dat [getuige 3] mij vervolgens het telefoonnummer [telefoonnummer] heeft doorgegeven. Vervolgens heb ik dat telefoonnummer gebeld. De persoon aan de telefoon vertelde mij de Zwavelzuur daar neer te zetten. Dat heb ik vervolgens gedaan.

Heeft u behalve de door ons hiervoor aangehaalde twee zendingen, geleverd op het adres [adres 2] ?

Nee, ik ben er maar twee keer geweest.

4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 23 mei 2017 (bijlage 10), voor zover inhoudende als weergave van de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, [vertegenwoordiger van de verdachte] :

Wij tonen u de facturen met factuurnummers 1604208,1605084, 1605472, 1607757, 1609638, 1610047, 1613666, 1614752, 1615286, 1615868, 1619126, met de bijbehorende afleverbonnen en de betaaloverzichten van de zendingen in 2016 aan [bedrijf] . Volgens deze facturen heeft [verdachte] in 2016 onder andere totaal 3.600 kilogrammen Mierenzuur 85%, 3.678 kilogrammen Zoutzuur 36% en 19.000 kilogrammen Zwavelzuur 96% geleverd aan [bedrijf] te [adres 3] . Klopt dit?

Als [verdachte] zijnde kan ik zeggen: dit komt uit onze systemen. Wat uit onze systemen komt is tot nu altijd juist gebleken.

5. De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, [vertegenwoordiger van de verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 9 februari 2022, voor zover inhoudende:

Het is juist dat ik niet betwist dat in de tenlastegelegde periode de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheden Zoutzuur en Zwavelzuur aan [bedrijf] is geleverd.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Standpunt verdediging

Door en namens verdachte is betoogd dat de processen-verbaal opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden. [verbalisant 1] heeft immers een selectie van de uitspraken die [vertegenwoordiger van de verdachte] , directeur-eigenaar van de verdachte, heeft gedaan tijdens een onaangekondigd bezoek van [verbalisant 1] aan de verdachte, belastend uitgelegd en achteraf alle transacties betreffende categorie 3 stoffen tussen verdachte en [bedrijf] over een periode van ruim 6 maanden als verdacht bestempeld. De verdediging heeft in hoger beroep verzocht tot het horen van [verbalisant 1] , maar dat verzoek is afgewezen door de Poortraadsheer. Zonder medeweten van de verdediging is volstaan met het door [verbalisant 1] laten opmaken van een aanvullend proces-verbaal. Daarmee is inbreuk gemaakt op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, en in het bijzonder de notie van ‘the overall fairness of the trial’. De verdediging heeft daarbij verwezen naar de Keskin-jurisprudentie. De processen-verbaal van [verbalisant 1] kunnen volgens de verdediging dan ook niet voor het bewijs worden gebezigd. Voor het geval het hof aan dat verweer voorbij gaat, dan geldt dat de verdediging voorwaardelijk verzoekt tot het horen van [verbalisant 1] . Voor zover het hof daaraan voorbij gaat, wordt de juistheid van de door [verbalisant 1] opgemaakte processen-verbaal betwist.

Daarnaast is gesteld dat de in de tenlastelegging genoemde transacties niet aan te merken zijn als een of meer voorvallen die gemeld hadden moeten worden, omdat de betreffende transacties met [bedrijf] niet wezen op een mogelijk misbruik van de stoffen door [bedrijf] , terwijl in de jurisprudentie met name rechtspersonen worden vervolgd die in een meer direct verband staan met de productie van drugs c.q. het misbruik van de stoffen.

Mocht het hof van oordeel zijn dat verdachte de voorvallen wel had moeten melden, dan geldt dat verdachte geen opzet had op het niet melden van de voorvallen, hetgeen tot vrijspraak van de verdachte dient te leiden.
Mocht het hof aan dat verweer voorbij gaan, dan geldt het niet melden van de voorvallen niet aan de verdachte kan worden toegerekend.

Standpunt openbaar ministerie

Volgens het openbaar ministerie is het door verbalisant [verbalisant 1] opgemaakt proces-verbaal bruikbaar voor het bewijs. Dit proces-verbaal is immers niet het enige bewijsmiddel voor het tenlastegelegde, nu het optreden van [verbalisant 1] tevens heeft geleid tot andere bewijsmiddelen, waaronder getuigenverklaringen. De aan het proces-verbaal van [verbalisant 1] ten grondslag liggende processen-verbaal komen bovendien inhoudelijk overeen met het door [verbalisant 1] opgemaakte proces-verbaal.

Voorts is gesteld dat de verdachte de in de tenlastelegging bedoelde voorvallen bij de autoriteiten had moeten melden, nu aan [bedrijf] een grote hoeveelheid chemicaliën is geleverd, terwijl dat niet is gemeld. De catalogus is in het dossier genoemd en daaruit blijkt dat in geval sprake is van het leveren van een optelsom van chemicaliën, melding gemaakt moet worden van de levering daarvan.

Nu [bedrijf] op enig moment overging van het bestellen van niet geregistreerde stoffen op het bestellen van geregistreerde stoffen, daarbij geen officieel e-mailadres gebruikte en stoffen soms onbeheerd zijn achtergelaten zonder een handtekening voor ontvangst op te vragen, heeft verdachte niet correct gehandeld. De leveringen over die periode zijn dan ook onterecht niet gemeld. Het openbaar ministerie heeft daarbij geabstraheerd van de vraag of voor de plicht om te melden het leveren van een combinatie van chemicaliën doorslaggevend is. Volgens het openbaar ministerie had verdachte ook het leveren van 1000 liter van één bepaalde stof aan een eindgebruiker in een verdachte setting moeten melden. De advocaat-generaal heeft dan ook gevorderd dat het hof de bewezenverklaring van de economische politierechter zal bevestigen.

Bij repliek heeft de advocaat-generaal aanvullend gesteld dat bovendien het totaal van de levering van de bedoelde stoffen in een bepaalde periode aanleiding had moeten zijn voor het melden van die leveringen door verdachte.

Het oordeel van het hof

Ten aanzien van het standpunt van de verdediging dat de door [verbalisant 1] opgemaakte processen-verbaal niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden omdat zij niet in de gelegenheid is gesteld [verbalisant 1] over die inhoud te ondervragen overweegt het hof als volgt.

In de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen heeft het hof de inhoud van onder meer door [verbalisant 1] opgemaakte processen-verbaal voor het bewijs gebezigd. Het hof stelt vast dat, voor zover het hof die processen-verbaal tot het bewijs heeft gebezigd, de verdachte de inhoud van die processen-verbaal niet heeft betwist. Door verdachte is immers niet betwist dat zij aan [bedrijf] geregistreerde stoffen heeft geleverd op de in het dossier genoemde data, noch dat zij tweemaal aan het adres [adres 2] heeft geleverd

- waarbij de bestelling eenmaal onbeheerd is achtergelaten - en alle overige keren aan het adres [adres 3] . Voor zover de verdediging heeft bedoeld te stellen dat de gehele inhoud van (mede) door [verbalisant 1] opgemaakte processen-verbaal wordt betwist, mist het verweer dan ook feitelijke grondslag, althans vindt het geen steun in het dossier.

Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat het horen van [verbalisant 1] niet noodzakelijk is, zodat het hof aan het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het horen van [verbalisant 1] voorbij gaat.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of in de tenlastegelegde periode sprake was van voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen als omschreven in bijlage I van de Verordening nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, die er op kunnen wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt door verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen.

In dat verband luidt de regelgeving, voor zover thans van belang, als volgt:

Verordening (EG) 273/2004

Artikel 8

Verstrekking van informatie over geregistreerde stoffen aan de bevoegde instanties

1. De marktdeelnemers stellen de bevoegde instanties onverwijld in kennis van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen.

Artikel 2 onder a Wet voorkoming misbruik chemicaliën

Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften gesteld bij of krachtens.

a. de artikelen (..) 8, eerste en tweede lid van de Verordening nr. 273/2004.

In de regelgeving is het begrip ‘voorval’ niet nader gedefinieerd, behalve hetgeen daarover is opgemerkt onder het eerste lid van artikel 8 van de Verordening nr. 273/2004, namelijk dat het kan gaan om ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen.

In het informatieblad van de Douane, Belastingdienst, Drugsprecursoren, dat door de verdediging bij de stukken is gevoegd, is opgenomen dat melden verplicht is bij verdachte of ongebruikelijke transacties van drugsprecursoren, of de voorbereiding op zo’n transactie of een ander voorval met drugsprecursoren. Als voorbeelden worden genoemd: diefstal van drugsprecursoren, ongewone orders, afleveradressen, ongebruikelijke transacties.

Onder het kopje: “ Hoe herken ik verdachte of ongebruikelijke transacties?” is een aantal indicatoren opgenomen dat behulpzaam kan zijn bij het herkennen van dergelijke transacties, waaronder levering op een ongebruikelijk afleveradres of afleverlocatie en orders van meer dan één precursor of essentiële stof.

Uit het dossier blijkt dat in dit geval een aantal transacties heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [bedrijf] , waarbij geregistreerde stoffen zijn verhandeld, waarvan een deel nadien is aangetroffen in een productielaboratorium en overslaglocatie voor synthetische drugs. In de periode daaraan voorafgaand is door [bedrijf] , in meerdere transacties, in totaal een hoeveelheid geregistreerde stoffen, te weten: 3.678 kilogram Zoutzuur 36% en 19.000 kilogram Zwavelzuur 96% geleverd aan [bedrijf] en daarnaast nog een hoeveelheid van een ongeregistreerde stof, te weten: 3.600 kilogram Mierenzuur 86%. Deze stoffen zijn voor 2016 nooit besteld door [bedrijf] .

Daarbij werd op enig moment verzocht om twee bestellingen te leveren op een afwijkend afleveradres, te weten [adres 2] , terwijl uit openbare bronnen blijkt dat op dat adres onomstotelijk geen (neven)vestiging van [bedrijf] is gevestigd. Bij één van deze leveringen werd de bestelling bovendien, op verzoek, onbeheerd achtergelaten. Eerdere bestellingen werden steeds geleverd op het adres [adres 3] , op welk adres [bedrijf] onmiskenbaar is gevestigd.

Het hof is op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden van oordeel dat sprake is van een of meer voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen als omschreven in bijlage 1 van de Verordening nr. 273/2004 die er op kunnen wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht worden misbruikt door verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen.

De vertegenwoordiger van de verdachte heeft in hoger beroep nog verklaard dat de hoeveelheden die zijn geleverd voor haar niet zijn te kwalificeren als grote hoeveelheden. Het hof wil aannemen dat dit zo is als het gaat om levering van die stoffen in het kader van de normale bedrijfsvoering van de verdachte en haar gebruikelijke afnemers. Het is een feit van algemene bekendheid, maar naar het hof aanneemt zeker in het geval van bedrijven die zich op de productie en transport van de tenlastegelegde stoffen toeleggen, dat door malafide afnemers (al dan niet na doorlevering) met de door verdachte geleverde combinaties en hoeveelheden van geregistreerde stoffen een aanzienlijke hoeveelheid synthetische drugs geproduceerd kan worden. Nu de regelgeving levering van geregistreerde stoffen voor deze illegale doeleinden beoogt tegen te gaan en de verdachte zich juist bezig houdt met onder meer levering van deze stoffen, had het op de weg van verdachte gelegen de verkoop en aflevering van de tenlastegelegde hoeveelheid stoffen te melden. Daarbij is niet leidend wat door verdachte naar eigen maatstaven gezien wordt als veel, maar wat gegeven de soort stof, eventueel in combinatie met andere stoffen, zou kunnen betekenen voor de (omvang van de) productie van synthetische drugs.

Door in de tenlastegelegde periode niet over te gaan tot melding van de verkoop en aflevering van de in de tenlastelegging genoemde geregistreerde stoffen heeft verdachte niet voldaan aan haar wettelijke meldplicht.

Anders dan de advocaat-generaal en de economische politierechter is het hof echter van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte daarbij opzettelijk, waaronder begrepen voorwaardelijk opzettelijk, heeft gehandeld. Het hof betrekt daar bij dat sprake is van meerdere afzonderlijke transacties die wellicht niet allemaal ieder op zich als voorval gekwalificeerd kunnen worden doch na verloop van tijd en in combinatie gezien, in het bijzonder wanneer sprake is van bijvoorbeeld ook nog Mierenzuur, alsmede gelet op het zich eventueel voordoen van, zoals in casu, een extra indicator in de vorm van een afwijkend afleveradres, tot de conclusie hadden moeten leiden dat deze in circa een jaartijd geleverde stoffen gemeld hadden moeten worden. Voorts betrekt het hof daarbij dat

bij de onderneming van de verdachte een zogenaamde quality en ICT-coördinator is aangesteld die zich bezighoudt met het vertalen van de wetgeving die van toepassing is op onder meer de chemische branche naar de systemen en worden medewerkers binnen de onderneming van de verdachte geschoold over drugsprecursoren en (het herkennen van) verdachte transacties. In geval van twijfel vindt overleg plaats of wordt niet geleverd. In dit geval is dat niet gebeurd zoals blijkt uit het verhoor van de quality en ICT-coördinator, [getuige 4] bij de rechter-commissaris, noch is aan hem gemeld dat de chauffeur gebeld had met de planner over het achterlaten van de zendingen op het adres [adres 2] , wat volgens [getuige 4] wel als ongebruikelijk kan worden aangemerkt. Een en ander is naar het oordeel van het hof wel verwijtbaar doch lijkt sprake te zijn van een situatie waarbij door onvoldoende alertheid een en ander er door heen is geglipt. In de regel wordt door de verdachte veel gemeld, aldus [getuige 4] . Bij deze stand van zaken ontbreekt naar het oordeel van het hof het bewijs dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij zou handelen in strijd met de wet- en regelgeving.

Voor zover opzet aan verdachte is tenlastegelegd, zal het hof verdachte daar dan ook van vrijspreken.

Vervolgens rijst de vraag of het niet melden van een of meer voorvallen met betrekking tot, kort gezegd, geregistreerde stoffen een gedraging betreft die in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.
Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. In dat verband is van belang of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich de navolgende omstandigheden voordoen:

  1. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  2. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  3. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  4. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Ad 1) Het hof stelt vast dat door de medewerkers en directeur-groot aandeelhouder is verzuimd een of meerdere voorvallen te melden bij de bevoegde autoriteiten, zodat sprake is van het nalaten door iemand die uit hoofde van een dienstbetrekking dan wel uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon.

Ad 2) De bewezenverklaarde gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, nu de verdachte, zoals hiervoor reeds is overwogen, leverancier is van chemicaliën.

Ad 3) Het hof stelt vast dat de tenlastegelegde gedraging dienstig was binnen de onderneming van de verdachte, nu de voorval(len) transactie(s) betrof(fen) waarbij verdachte chemicaliën leverde aan een derde.

Ad 4) Het hof is van oordeel dat de rechtspersoon, ondanks het feit dat binnen de onderneming maatregelen zijn getroffen inzake de melding van voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen, niet die zorg heeft betracht die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Zoals hierna nog zal worden overwogen geldt dat binnen de administratie van de onderneming van de verdachte kennelijk geen gebruik wordt gemaakt van een adequaat meldingssysteem met betrekking tot (een) geregistreerde stof(fen). Door het ontbreken van een adequaat meldingssysteem en door ook niet op andere wijze te controleren of van meldingsplichtige transacties sprake was, heeft verdachte niet de zorg betracht die redelijkerwijze van haar kon worden gevergd ter voorkoming van de gedraging.

Nu aan voornoemde criteria niet is voldaan, is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat de bewezenverklaarde gedraging(en) aan de verdachte dien(t)(en) te worden toegerekend.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, begaan door een rechtspersoon.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt verdediging

Volgens de verdediging heeft de verdachte er alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat zij voldoet aan de wet- en regelgeving en verdachte transacties meldt. Verdachte heeft een zogenaamde KAM-coördinator aangesteld die naziet op de naleving van de wet- en regelgeving. Verdachte probeert bovendien middels trainingen van medewerkers, handleidingen, instructies en checklists ervoor te zorgen dat de verkoopmedewerkers zoveel mogelijk handvatten hebben om transacties te beoordelen. Indien medewerkers twijfelen, wordt er gemeld of niet verkocht.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt en dat verdachte de voorvallen had kunnen melden.

Het oordeel van het hof

Beoordeeld dient te worden of verdachte de maximaal van haar te vergen zorg heeft betracht die redelijkerwijze van haar kan worden gevergd, om te voorkomen dat zij de autoriteiten niet onverwijld in kennis zou stellen van het in de handel brengen van geregistreerde stoffen die erop kunnen wijze dat deze stoffen wellicht worden misbruikt om daarmee verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen.

Zoals reeds overwogen is onbetwist dat binnen de onderneming van de verdachte een zogenaamde quality en ICT-coördinator is aangesteld, die zich bezighoudt met het vertalen van de wetgeving die van toepassing is op onder meer de chemische branche naar de systemen. Evenmin onbetwist is dat de medewerkers binnen de onderneming van de verdachte worden geschoold met betrekking tot drugsprecursoren en (het herkennen van) verdachte transacties.

Binnen de administratie van de onderneming van de verdachte wordt kennelijk geen gebruik gemaakt van een (ICT)-systeem dat melding maakt wanneer

  • -

    zich een nieuwe afnemer meldt die (een) geregistreerde stof(fen) wil bestellen;

  • -

    zich een bekende afnemer meldt die -in afwijking van een voor deze afnemer gebruikelijk (bestel)patroon-

- (een) geregistreerde stof(fen) wil bestellen,

- (een) significant afwijkende hoeveelhe(i)d(en) van (een) geregistreerde stof(fen) wil bestellen,

- (een) geregistreerde stof(fen) wil bestellen waarbij sprake is van opmerkelijke omstandigheden, zoals aan de orde bij een combinatie van al dan niet geregistreerde stoffen die (al dan niet deels) tezamen bekend staan als grondstoffen voor het vervaardigen van precursoren of bijvoorbeeld sprake is van een afwijkend afleveradres.

Door dit niet te doen en ook op andere wijze niet te controleren of van dergelijke transacties sprake was, heeft verdachte niet de maatregelen genomen die redelijkerwijze van haar konden worden gevergd ten einde te voorkomen dat in strijd met het overschreden voorschrift werd gehandeld, zodat haar geen beroep toekomt op afwezigheid van alle schuld. Het verweer faalt.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, mede gelet op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Door en namens verdachte is verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a Sr. Verdachte is niet eerder veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten en is ook na 2016 niet voor het plegen van een soortgelijk feit veroordeeld. Daarnaast geldt dat verdachte er alles aan heeft gedaan om ervoor te zorgen dat verdachte transacties worden gemeld: medewerkers zijn uitgebreid geïnstrueerd over drugsprecursoren, verdachte transacties en de wijze waarop deze kunnen worden herkend. Bovendien meldt verdachte veelvuldig transacties bij de autoriteiten en helpt hen zelfs bij het herkennen van die transacties. Voor zover verdachte al een meldplicht had, is het niet nakomen daarvan te beschouwen als een incident. Het opleggen van een straf kan, mede gelet op het tijdsverloop, dan ook geen redelijk doel dienen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën door te verzuimen om transacties van grote hoeveelheden zoutzuur en zwavelzuur te melden aan de bevoegde autoriteiten. Daarmee heeft verdachte, hoewel niet opzettelijk, bijgedragen aan het faciliteren van de productie en overslag van synthetische drugs.

Het hof heeft bij de strafoplegging ten voordele van de verdachte meegewogen dat verdachte, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 december 2021, niet eerder ter zake van een soortgelijk feit is veroordeeld en dat zij ook na het plegen van het bewezenverklaarde feit niet is veroordeeld ter zake van een dergelijk feit.

Voorts is ter terechtzitting van het hof gebleken dat verdachte zich inspant om de geldende regelgeving na te leven, nu binnen de onderneming een quality en ICT-coördinator is aangesteld die zich bezig houdt met het vertalen van de wetgeving die van toepassing is op onder meer de chemische branche naar de systemen. Bovendien is gebleken dat de medewerkers worden geschoold over onderwerpen als drugsprecursoren en (het herkennen van) verdachte en/of niet gebruikelijke transacties en dat zulke transacties in het verleden ook daadwerkelijk zijn gemeld.

Het hof heeft in die omstandigheden aanleiding gezien om te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 1.000,00 met een proeftijd van 1 jaar. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde met zich brengt dat geen ruimte bestaat om over te gaan tot toepassing van artikel 9a Sr, zoals is verzocht door de raadsvrouw.

Het hof heeft geconstateerd dat tussen het instellen van het hoger beroep door de verdachte op 19 maart 2019 en het wijzen van het arrest door het hof op 23 februari 2022 een periode van 2 jaar en 11 maanden is verstreken, zodat de redelijke termijn met 11 maanden is overschreden. Nu het hof volstaat met het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf aan de verdachte, volstaat het hof met constatering van die overschrijding.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 september 2016 opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 2.500,00. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Door en namens verdachte is verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, gelet op hetgeen is aangevoerd in het kader van de straftoemeting. Daarbij is tevens opgemerkt dat de proeftijd van de voorwaardelijke veroordeling waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd (ten dele) nog niet was ingegaan ten tijde van het tenlastegelegde feit.

Op grond van hetgeen het hof hiervóór reeds heeft overwogen in het kader van de strafmotivering, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en artikel 8 van de Verordening (EG) 273/2004, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro).

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (een) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Oost-Brabant van 15 februari 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 september 2016, parketnummer 21-000595-15, voorwaardelijk opgelegde geldboete van 2.500,00 euro (tweeduizend vijfhonderd euro).

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 23 februari 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J. Platschorre is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.