Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:7

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-01-2022
Datum publicatie
05-01-2022
Zaaknummer
200.299.679_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2021:5375
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Beroep op voorkeurrecht van koop. Procedurele voorvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.299.679/01

arrest van 4 januari 2022

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , België,

appellant,

verder: [appellant] ,

advocaat: mr. I. Langenhuizen te Valkenswaard,

tegen:

[management] Management B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

verder: [geintimeerde] ,

advocaat: mr. T.R. Schelfaut te ’s-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 augustus 2021 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats

’s-Hertogenbosch, gewezen vonnis in kort geding van 4 augustus 2021 tussen [appellant] als gedaagde en [geintimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/371851 / KG ZA 21-358)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van [appellant] van 30 augustus 2021 met grieven;

  • -

    de schriftelijke conclusie van eis van 14 september 2021;

  • -

    de memorie van antwoord van [geintimeerde] van 26 oktober 2021 met producties.

Het hof heeft uitspraak bepaald op heden. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De feiten

3.1

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 4 augustus onder 2. een aantal feiten vastgesteld. Deze vaststelling luidt als volgt:

2.1.

[geintimeerde] is de holdingvennootschap waarin de bedrijfsactiviteiten van mevrouw [persoon A] (hierna te noemen: [persoon A] ) plaatsvinden. [persoon A] is de enig bestuurder en aandeelhouder van [geintimeerde] .

2.2.

Omstreeks 2007/2008 heeft [persoon A] de woning op het perceel aan de [straatnaam] [huisnummer 1] te ( [postcode] ) [plaats] laten bouwen, waarin zij met haar gezin is gaan wonen. [persoon A] was tevens mede-eigenaar van de naastgelegen loods, aan de [straatnaam] [huisnummer 2] te ( [postcode] ) [plaats] . Het gaat hier om twee afzonderlijke percelen met ieder een aparte kadastrale aanduiding. Deze loods werd door [geintimeerde] gebruikt voor de bedrijfsactiviteiten (verkoop kinderkleding via de onderneming [onderneming 1] en na 2014 voor de verkoop dameskleding via een andere onderneming van [geintimeerde] , [onderneming 2] B.V.).

2.3.

[persoon A] en [appellant] kregen in 2015 een relatie en zijn gaan samenwonen op het woonadres van [persoon A] . De partners gingen ook op zakelijk gebied samenwerken doordat [appellant] in datzelfde jaar een 50 % aandelenbelang in [onderneming 2] B.V. verwierf. Het bedrijf bleek echter niet winstgevend. Om een faillissement te voorkomen is het perceel [straatnaam] [huisnummer 2] in 2017 aan [appellant] verkocht en geleverd voor € 210.000,00. De levering heeft plaatsgevonden op 28 juni 2017. [appellant] drijft sindsdien in de loods zijn onderneming [straalbedrijf] Straalbedrijf .

2.4.

In de notariële akte tot levering van de loods1 hebben [geintimeerde] en [appellant] een voorkeurrecht/koopoptie opgenomen. Voor zover hier relevant luidt de bepaling als volgt:

“VOORKEURRECHT / KOOPOPTIE

A. VOORKEURRECHT TOT KOOP

De comparant sub 2 verklaarde het voorkeurrecht tot koop te verlenen van het verkochte, hierna te noemen “het registergoed”, tot één juli tweeduizend drieëntwintig, aan genoemde vennootschap ‘ [geintimeerde] B .V.”.

De comparant sub 2 en de comparant sub 1, handelend in zijn sub b gemelde hoedanigheid, verklaarden dat dit voorkeurrecht tot koop zal worden beheerst door de volgende:

BEPALINGEN :

1. a. Indien de comparant sub 2, vóór één juli tweeduizend drieëntwintig, voornemens is over te gaan tot vrijwillige vervreemding van (een gedeelte van) het registergoed, (anders dan ingevolge het bepaalde in artikel 3:268 van het Burgerlijk Wetboek) en in die hoedanigheid hierna ook te noemen “ voorkeurplichtige ”, is hij verplicht het verkochte tegen een op na te melden vast te stellen prijs aan genoemde vennootschap “ [geintimeerde] B.V.”, hierna ook te noemen “ voorkeurgerechtigde ”, te koop aan te bieden in onbeperkte en onbezwaarde eigendom. (…)

2. De voorkeurgerechtigde dient binnen twee maanden na gedaan aanbod aan de voorkeurplichtige te kennen te geven of hij van bedoeld aanbod gebruik wenst te maken. Indien echter de voorkeurgerechtigde binnen voormelde termijn bedoelde wens niet te kennen heeft gegeven, is de voorkeurplichtige definitief vrij zijn gehele aandeel in het verkochte aan derden te vervreemden;

3. Indien de voorkeurgerechtigde op de wijze als hiervoor sub 2 vermeld, te kennen heeft gegeven van bedoeld aanbod gebruik te maken, zal de vaststelling van de koopprijs geschieden in onderling overleg en wel binnen één maand na het verstrijken van de hiervoor sub 2 vermelde periode.

Indien partijen hieromtrent niet tot overeenstemming kunnen komen, zal de vaststelling van de koopprijs bindend geschieden door een commissie van drie beëdigde taxateurs, waarvan één lid wordt aangewezen door de voorkeurplichtige, één lid door de voorkeurgerechtigde en het derde lid door de beide leden tezamen. Indien deze commissie niet binnen één maand na het verstrijken van voormelde periode van onderling overleg is samengesteld, zal de benoeming van vorenbedoelde een of meer taxateur(s) plaatsvinden door de voorzitter van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie op verzoek van de meest gerede partij. De taxatie zal geschieden op basis van een onverhuurd registergoed, in volle en onbezwaarde eigendom.

4. De voorkeurgerechtigde, die op de wijze als sub 2 vermeld te kennen heeft gegeven, dat hij van het aanbod tot koop gebruik wenst te maken, is vervolgens verplicht binnen één maand na vaststelling van de koopprijs op voormelde wijze aan de voorkeurplichtige mede te delen dat hij het aanbod tot koop al dan niet accepteert. (…)”

2.5.

In 2019 hebben [persoon A] en [appellant] hun relatie beëindigd. In 2020 kreeg [persoon A] een relatie met haar huidige partner, [persoon B] .

2.6.

In september 2020 is namens [geintimeerde] aan [appellant] medegedeeld dat zij plannen had om haar woonhuis te verkopen. Zij heeft [appellant] gevraagd of hij genegen was om de loods aan [geintimeerde] te verkopen, zodat [geintimeerde] beide percelen als geheel kan verkopen, hetgeen gunstiger zou zijn voor de verkoop gelet op de ligging van de loods ten opzichte van de woning.

2.7.

[appellant] heeft zich hierop door zijn makelaar laten informeren over de marktwaarde van de loods.

2.8.

Bij e-mailbericht van 4 december 20202 heeft [appellant] [persoon A] het volgende bericht gestuurd:

“Betreft de loods [straatnaam] [huisnummer 2] die ga ik te koop aanbieden voor een bedrag van € 260000,00. Jij hebt eerste recht van koop. Laat even weten of jij de loods [straatnaam] terug wilt kopen

M vr grt [appellant] ”

2.9.

Bij e-mailbericht van 7 december 20203 heeft [geintimeerde] hierop als volgt geantwoord:

“Hoi [appellant] ,

Heb bijgaande reactie ook doorgestuurd naar [persoon C] van [notaris] Notarissen. Nu jij te kennen hebt gegeven om de loods in de markt te gaan zetten, wil ik gebruik maken van mijn voorkeursrecht. Aangezien ik de notariskeuze heb i.v.m. de K.K. laat ik me door [notaris] Notarissen begeleiden. Zij hebben tenslotte het voorkeursrecht in de koopakte opgenomen.

Groet, [persoon A] ”.

Onder het e-mailbericht is de tekst opgenomen van het onder 2.8 aangehaalde bericht van [appellant] aan [persoon A] .

2.10.

Bij e-mailbericht van 22 december 2020 heeft [persoon B] namens [geintimeerde] aan [appellant] medegedeeld dat [geintimeerde] de loods voor een bedrag van € 210.000,00 wil kopen.

2.11.

Hierop is volgens [geintimeerde] door [appellant] niet meer gereageerd. Volgens [appellant] heeft hij hierop wel gereageerd en heeft hij op 30 december 2020 een briefje in de brievenbus van het woonhuis van [persoon A] gestopt. Ter zitting heeft [persoon A] verklaard dat zij dit briefje niet heeft ontvangen en daarvan thans in dit kort geding voor het eerst kennis neemt. De bewuste - ongedateerde - brief is door [appellant] als productie 4 overgelegd en luidt - voor zover hier relevant - als volgt:

“Bij deze reageer ik op de mail d.d. 29-12-2020 van jullie. Het aanbieden van de loods is niet het initiatief mijnerzijds, maar een repliek op jullie vraagstelling of ik bereid ben de loods eventueel te verkopen en wat dan de vraagprijs zou zijn. Hiertoe is [persoon B] op 16 september jongsleden bij mij binnengelopen met deze vraagstelling. Sinds september zijn jullie aan het inventariseren of het pand in zijn geheel verkoopbaar is. Hiertoe zijn er verschillende makelaars door jullie benaderd voor een waardebepaling van het geheel, dus inclusief de loods. Echter is de loods van mij en is er van jullie uit geen wens de loods over te nemen voor de 260.000 euro die ik genoemd heb naar aanleiding van jullie vraagstelling. Voor mij houdt het dan op, ik heb jullie willen helpen, maar indien er geen behoefte is om de loods over te nemen op dit moment voor dit bedrag, dan houd ik hem zelf, omdat ik deze uit eigen beweging niet van de hand wens te doen. Evenmin ben ik, voor alle duidelijkheid,

voornemens de loods thans te verkopen. Als dat wel het geval is, zal ik de loods, conform het

opgestelde contract, als eerste aanbieden aan de directie van [geintimeerde] BV..”

2.12.

Op 19 april 2021 en op 7 mei 2021 is [appellant] namens [geintimeerde] gesommeerd om de bepalingen uit de notariële leveringsakte omtrent het voorkeursrecht na te komen, inhoudende dat [appellant] meewerkt aan de prijsbepaling conform hetgeen de akte daarover bepaald.

2.13.

Op 25 mei 2021 heeft de advocaat van [appellant] op de sommaties gereageerd en [geintimeerde] medegedeeld dat geen sprake is geweest van een situatie waarop de bepalingen van het overeengekomen voorkeurrecht tot koop van toepassing zijn. [appellant] is niet langer voornemens om de loods te verkopen.

Met zijn eerste grief heeft [appellant] aangevoerd dat de onderdelen 2.11 - 2.13 van de feitenvaststelling onvolledig zijn en verwezen naar grief 4. Daarmee is de juistheid van de opgenomen feiten op zich niet bestreden, zodat het hof hiervan uitgaat. Op de grieven wordt in een later stadium ingegaan.

Bevoegdheid/toepasselijk recht

3.2

[appellant] woont/woonde in België, zodat het geschil internationale aspecten heeft. De voorzieningenrechter is terecht en onbestreden uitgegaan van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter (r.o. 4.2.) en van toepasselijkheid van Nederlands recht (r.o. 4.3.).

De procedure in eerste aanleg

3.3

Bij dagvaarding van 29 juni 2021 heeft [geintimeerde] het onderhavige kort geding tegen [appellant] aanhangig gemaakt. Daarin stelt [geintimeerde] dat de e-mail van 4 december 2020 van [appellant] inhoudt dat hij het voornemen heeft tot vrijwillige verkoop van de loods en dat hij aan [geintimeerde] een aanbod heeft gedaan dat door [geintimeerde] is geaccepteerd. Partijen hebben daarmee overeenstemming bereikt over de verkoop van de loods aan [geintimeerde] , maar nog niet over de koopprijs. Volgens artikel 3 van de bepalingen hierover in de leveringsakte dienen partijen een externe commissie van beëdigde taxateurs aan te wijzen om een bindende verkoopprijs te bepalen. Op grond hiervan vordert [geintimeerde] , samengevat, veroordeling van [appellant] om deze bepalingen na te komen en zijn medewerking te verlenen aan het aanwijzen van een taxateur zoals in die akte is bepaald, op verbeurte van een dwangsom.

3.4

[appellant] heeft vordering van [geintimeerde] bestreden. Volgens hem is geen sprake van een voornemen tot verkoop van de loods en heeft hij alleen op instigatie van [geintimeerde] een mogelijke verkoopprijs laten weten. Voor medewerking aan de taxatie bestaat daarom volgens [appellant] geen grond.

3.5

De mondelinge behandeling heeft op 21 juli 2021 plaatsgevonden. Bij vonnis van 4 augustus 2021 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [geintimeerde] , met matiging van de gevorderde dwangsom, toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten met nakosten.

De omvang van het hoger beroep

3.6

Bij dagvaarding in hoger beroep van 30 augustus 2021 heeft [appellant] tegen het vonnis van 4 augustus 2021 zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis, tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geintimeerde] en tot ongedaan making van hetgeen ter uitvoering van het vonnis is gedaan/betaald. Tevens vordert [appellant] schadevergoeding.

3.7

[geintimeerde] heeft de grieven van [appellant] bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van 4 augustus 2021.

Mondelinge behandeling in hoger beroep?

3.8

Bij het aanbrengen van de zaak in hoger beroep heeft [appellant] gevraagd om behandeling als spoedappel, om pleidooi en om mondelinge behandeling. Beide partijen hebben toen verhinderdata overgelegd. Behandeling als spoedappel is op de rol geweigerd en een mondelinge behandeling na aanbrengen is niet bepaald. Op de rol van 23 november 2021 heeft [geintimeerde] arrest gevraagd en gefourneerd. [appellant] heeft toen eveneens gefourneerd, zonder zich uit te laten over zijn eerdere verzoek voor pleidooi en/of mondelinge behandeling. Het is het hof niet duidelijk of [appellant] hiermee dat verzoek heeft ingetrokken, zodat het hof hem in de gelegenheid zal stellen zich hierover bij akte uit te laten. [geintimeerde] zal hier bij antwoordakte op kunnen reageren. Deze aktewisseling is niet voor enig ander doel bestemd.

Conclusie

3.9

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van [appellant] en iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 18 januari 2022 aan de zijde van [appellant] met het hiervoor onder 3.8 vermelde doel, waarna antwoordakte van [geintimeerde] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, T.J. Dorhout Mees en B.A. Meulenbroek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 januari 2022.

griffier rolraadsheer