Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:67

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
200.292.467_01 en 200.292.467_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 13 januari 2022

Zaaknummers: 200.292.467/01 en 200.292.467/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/361601 / FA RK 19-3925

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A. Mudde-Zeevaart.

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ; en

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Zuidwest Nederland, Locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 maart 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 april 2021, heeft de moeder het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de uitbreiding van de zorg - en contactregeling, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de zorg- en contactregeling tussen de vader, [minderjarige 2] en [minderjarige 1] niet verder zal worden uitgebreid dan de regeling zoals bepaald in de tussenbeschikking van 12 december 20219 en dat de regeling uit de tussenbeschikking van 12 december 2019 derhalve zal worden gehandhaafd.

Bij wijze van voorlopige voorziening verzoekt zij het hof te bepalen dat werking van de (tussen)beschikking d.d. 19 maart 2021 zal worden geschorst hangende de hoger beroepsprocedure. Kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 juni 2021 en aangepast in de brief van 15 november 2021, heeft de vader het hof verzocht:

I de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel haar verzoek ongegrond te verklaren dan wel af te wijzen;

II aan de moeder een dwangsom op te leggen van € 250,- per dag voor iedere dag dat zij zich niet aan de zorgregeling houdt zoals vastgesteld bij de bestreden beschikking, met een maximum van € 10.000,-.

III aan de moeder een dwangsom op te leggen van € 250,- per dag voor iedere dag, met een maximum van € 10.000,- dat zij zich niet houdt aan de bestreden beschikking, met betrekking tot de begeleiding van de kinderen door het Sociaal Wijkteam, nader uitgewerkt:

- door het aanmelden van de kinderen binnen een week na de uitspraak van het hof bij het Sociaal Wijkteam, althans het (zorg)loket van de gemeente [woonplaats] ;

- door toestemming te verlenen voor toezending van het raadsrapport aan het Sociaal Wijkteam dan wel de begeleiding op eerste verzoek.

IV de moeder te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vader te voldoen de geliquideerde kosten, waaronder het salaris van de advocaat ad. €1.114,- per punt, het griffierecht, de na te melden explootkosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijk rente ex artikel 6:119 BW daarover, te rekenen vanaf de 15e dag na de uitspraak van het hof;

V de moeder te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen aan de vader de na dit vonnis te maken kosten, welke nakosten dienen te worden begroot op € 163,-, te vermeerderen met € 85,- in geval van betekening, indien betaling niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover, te rekenen vanaf de 15e dag na de uitspraak van het hof;

althans een (voorlopige) voorziening te treffen als het hof juist acht.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 6 juli 2021, heeft de moeder het hof verzocht om het incidenteel hoger beroep van de vader af te wijzen. Kosten rechtens.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 november 2021.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Hendrikx-Heeren;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Mudde-Zeevaart;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 22 februari 2021;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de vader d.d. 15 november 2021;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 16 november 2021;

  • -

    de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de moeder overgelegde pleitnotitie.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel hoger beroep:

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit die relatie zijn geboren

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Partijen hebben op 1 april 2013 een ouderschapsplan opgesteld. Volgens dit ouderschapsplan verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de week van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de vader.

3.3.

Bij beschikking van 12 december 2019 (schriftelijk uitgewerkt op 30 december 2019) heeft de rechtbank bepaald dat de ouders voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Verder heeft de rechtbank het ouderschapsplan van 1 april 2013 voorlopig zo gewijzigd dat de vader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar de ene week van vrijdagavond 18:30 uur tot maandag naar school, de andere week van maandag uit school tot dinsdag naar school, met inachtneming van hetgeen in die beschikking onder rechtsoverweging 4.3. is overwogen.

De rechtbank heeft partijen verwezen voor (jeugd)hulpverlening naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost en heeft de raad verzocht, indien de eindrapportage van de in te zetten zorgaanbieder daartoe aanleiding geeft, de rechtbank te adviseren ter beantwoording van de in de beschikking vermelde vragen. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

3.4.

Bij de bestreden (tussen)beschikking van 19 maart 2021 heeft de rechtbank nader bepaald dat de vader en de kinderen met ingang van 19 maart 2021 voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

- de ene week van donderdag 18:30 uur tot maandag naar school;

- de andere week van maandag uit school tot woensdag naar school;

waarbij de minderjarigen eveneens worden begeleid door het Sociaal Wijkteam dan wel een soortgelijke instantie. Onder die begeleiding zal verder worden toegewerkt naar een co-ouderschapsregeling. De rechtbank heeft de advocaten van partijen verzocht om uiterlijk

7 september 2021 de rechtbank nader te informeren. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

3.5.

De moeder kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen (zaaknummer 200.292.476/01). De moeder heeft verder om schorsing van de werking van deze beslissing verzocht (zaaknummer 200.292.476/02).

De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd en op zijn beurt de hierboven omschreven zelfstandige verzoeken gedaan.

Ten aanzien van het schorsingsverzoek (200.292.476/02)

3.6.

Nu het hof in deze beschikking uitspraak doet in de hoofdzaak heeft de moeder geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van haar schorsingsverzoek. Dit brengt met zich dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het schorsingsverzoek.

In de hoofdzaak (zaaknummer 200.292.476/01)

3.7.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

De rechtbank heeft in haar beschikking van 19 maart 2021 ten onrechte de zorgregeling tussen de vader en de kinderen verder uitgebreid. Er is onvoldoende gewicht toegekend aan het hoorrecht van de kinderen. Daarnaast zijn hun belangen onvoldoende in acht genomen en heeft de rechtbank het belang van de vader ten onrechte laten prevaleren. De moeder kan zich op verschillende punten niet vinden in het advies van de raad en stelt dat de rechtbank dit advies niet had moeten volgen.

De moeder benadrukt dat de kinderen geen veranderingen willen. Zij willen rust en dat de regeling zo blijft. Zij vraagt zich af waarom de raad de huidige stabiele situatie wil veranderen. De vader zou zich juist moeten aansluiten bij de behoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

3.7.1.

Ter mondelinge behandeling van het hof heeft de moeder daar nog het volgende aan toegevoegd.

Zij vindt het jammer dat de vader niet lijkt te willen inzien dat hij daadwerkelijk aansluiting bij de kinderen dient te zoeken. Het gaat immers om de kwaliteit en niet om de kwantiteit van het contact tussen hem en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het is daarom van belang dat de vader met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] buiten zijn kerngezin activiteiten gaat ondernemen en bijvoorbeeld komt kijken bij de sportactiviteiten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het moet om de kinderen gaan en niet wat de ouders willen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten zo de kans krijgen om zich te gaan ontwikkelen op een manier die bij hun leeftijd past.

3.8.

De vader voert, kort samengevat, in zijn verweerschrift het volgende aan.

Hij benadrukt in de eerste plaats dat de moeder van meet af aan niet meewerkt aan een uitbreiding van de omgang. Zij heeft geen vertrouwen in hem en wijst hem aan als boosdoener. Zij heeft onvoldoende inzicht in haar eigen rol en heeft bijvoorbeeld ook in het kader van het uniform hulpaanbod aangegeven geen behoefte te hebben aan een individuele coaching sessie. De moeder heeft geen inzicht in haar aandeel in de problematiek en heeft een groot wantrouwen jegens de vader. Daarnaast blijft de moeder de vader verwijten maken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maken deel uit van zijn gezin en hij betwist dat er geen één op één contact is met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

De vader vindt niet dat er onvoldoende gewicht is toegekend aan het hoorrecht van de kinderen. Zij hebben wel degelijk een stem gekregen, maar die stem hoeft niet

doorslaggevend te zijn. Hij betwist dat er niet geluisterd is naar de kinderen. De moeder projecteert haar eigen weerstand op de kinderen en onderschat wat haar weerstand bij hen teweegbrengt.

De vader maakt zich zorgen om de toekomst. De raad ging er in zijn rapport van uit dat de ouders uitvoering zouden geven aan het raadsadvies. Dit is niet het gebeurd. De vader vraagt zich daarom af of het niet nodig is om een beschermingsonderzoek te doen.

Hij heeft ten aanzien van zijn zelfstandige verzoeken een spoedeisend belang. De vastgestelde uitbreiding van de omgang dateert van 19 maart 2021 en is niet uitgevoerd door de moeder. Daarbij komt dat de vader al tien jaar bezig is om de zorgregeling te wijzigen. Voor de rust van het gezin is het van belang dat er aan de laatste beschikking van de rechtbank uitvoering wordt gegeven. Omdat de moeder geen enkele bereidheid heeft getoond om deze regeling uit te voeren is een dwangsom op zijn plaats. Een dwangsom is voorts van belang om te zorgen voor het in gang zetten van de door de raad geadviseerde hulpverlening door het Sociaal Wijkteam. Neutrale begeleiding zou [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen helpen en is in hun belang. Omdat de moeder deze beroepsprocedure onnodig is gestart, dient zij te worden veroordeeld in de proceskosten en de nakosten.

3.8.1.

Ter mondelinge behandeling van het hof heeft de vader daaraan het volgende toegevoegd. Hij blijft zich zorgen maken om de kinderen, ook gelet op de manier waarop zij zich uiten tegen de vader, de moeder en het hof. De vader verwijst naar de door hem beschreven concrete zaken/situaties in de brief van 15 november 2021. Er is door de rechtbank niet voor niets aangegeven dat er wat betreft de zorgregeling een kleine uitbouw per week dient plaats te vinden met daarnaast een vorm van begeleiding en om vervolgens te bekijken of er een verdere uitbreiding mogelijk is. De moeder heeft daarvoor geen toestemming gegeven; de kinderen mogen van de moeder niet naar het Sociaal Wijkteam maar wel naar het hof.

De vader blijft bij zijn standpunt dat de kinderen beïnvloed worden door de moeder. Er wordt nu een beeld gecreëerd dat de kinderen de gelegenheid krijgen om op extra momenten naar de vader te gaan. Deze incidentele momenten zijn er echter alleen als de moeder het goed vindt.

De moeder blijft verder zeggen dat zij de beschikking van de rechtbank en de begeleiding nakomt, maar zij doet dit vervolgens niet. Daarom is het nodig dat er een dwangsom wordt opgelegd. De vader betwist dat hij geen tijd heeft voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

De vader wenst een concreet vastgelegde ruime zorgregeling omdat hij er in de praktijk niets van merkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de vrijheid voelen om buiten de regeling om naar hem toe te gaan wanneer zij dit zelf willen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten in elk geval het gevoel hebben dat ze overal mogen zijn.

3.9.

De moeder heeft de grieven van de vader in het incidenteel hoger beroep gemotiveerd betwist. Zij ontkent dat er sprake is van een weigerachtige houding aan haar kant.

Zij benadrukt nogmaals dat er onvoldoende is gekeken naar de belangen van de kinderen en er onvoldoende gewicht is toegekend aan hetgeen zij bij de rechtbank heeft verteld. Daarom heeft zij hoger beroep ingesteld. Er dient volgens de geldende jurisprudentie tenslotte zeer terughoudend met een veroordeling tot een dwangsom, proceskosten en nakosten te worden omgegaan, aldus de moeder. Zij verzoekt het hof om de verzoeken van de vader in het incidenteel hoger beroep af te wijzen.

3.10.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling benadrukt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] last hebben van de loyaliteit die zij voelen jegens beide ouders. Hierdoor willen zij het liefst niets veranderen aan de zorgregeling. Daarnaast hebben zij ook behoefte aan autonomie.

De raad vindt, gelet op de leeftijd van de meiden, dat zij een deel van de regie ook wel aankunnen. Zij zijn verstandig genoeg. De raad adviseert daarom een verruiming in de regeling en daarbij een stukje autonomie bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] neer te leggen. De raad benadrukt dat het daarbij ook belangrijk is dat de kinderen serieus worden genomen door de ouders. De ouders zijn hun even lief maar dat betekent niet dat de regeling gelijk moet zijn.

Het opleggen van een dwangsom is volgens de raad niet passend.

3.11.

Het hof overweegt het volgende

3.11.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.11.2.

Het hof stelt het volgende voorop. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de gelijkwaardigheid van de ouders als bedoeld in artikel 1:247 BW, niet verplicht tot een 50/50 verdeling van de tijd die een kind bij de ouders doorbrengt. De door de wetgever tot uitgangspunt genomen gelijkwaardigheid tussen beide ouders brengt niet mee dat bij een beslissing over de zorgregeling het belang van het minderjarige kind niet het zwaarst zou mogen wegen (vgl. HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7407). Het hof overweegt verder dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] er het meest bij zijn gebaat wanneer zij onbelast contact met hun beide ouders kunnen hebben. Dat wil zeggen dat beide ouders de minderjarigen de emotionele toestemming kunnen geven om het fijn te hebben bij de andere ouder. Daarnaast zijn kinderen gebaat bij rust, structuur en duidelijkheid.

3.11.3.

De regeling zoals deze door de rechtbank in de bestreden beschikking voorlopig is bepaald, is feitelijk nooit uitgevoerd. De lopende regeling is nog steeds die, zoals voorlopig bepaald in de beschikking van 12 december 2019. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] willen dat dit de formele regeling blijft en dat zij daarbuiten zogezegd hun eigen ruimte mogen benutten.

Het hof begrijpt het standpunt van de raad dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kampen met een loyaliteitsprobleem; zij willen het liefst geen van beide ouders teleurstellen. Anderzijds ziet het hof evenals de raad dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoefte hebben aan autonomie en dat zij verstandig genoeg zijn om die aan te kunnen. Het hof ziet twee intelligente, veerkrachtige en daadkrachtige meiden, die in staat zijn gebleken om veranderingen in hun leven goed op te vangen. Zij kunnen goed omgaan met de twee verschillende thuissituaties. Dit betekent echter niet vanzelf dat moet worden toegewerkt naar een co-ouderschapssituatie. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zeer uitdrukkelijk gezegd dat zij dit niet willen en dat zij op dit punt nu eindelijk gehoord willen worden.

Het hof heeft er vertrouwen in dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , als zij vaker naar de vader toe willen, dit kunnen bespreken met hun ouders en hun wensen kunnen vormgeven. Het belangrijkste is nu dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rust krijgen in hun leven en ongedwongen leren ervaren dat zij zowel bij de moeder als de vader kunnen verblijven. Het is aan beide ouders om hun dochters daarin zo goed mogelijk te ondersteunen.

Voor de onderhavige zaak, waarin de rechtbank een deelbeschikking heeft gewezen en waarin de zaak door het ingestelde hoger beroep in zijn geheel naar het hof is overgebracht, heeft de devolutieve werking van het appel tot gevolg dat het hof de zaak aan zich houdt en nu in een eindbeslissing afdoet.

Het hof acht het belang van de kinderen het meest gediend met een beslissing zoals hieronder in het dictum vermeld. De verzoeken van de vader acht het hof niet in het belang van de kinderen en zal het hof afwijzen. Het voorgaande betekent ook dat het hof geen plaats ziet voor dwangsommen en geen nader raadsonderzoek nodig vindt.

3.11.4.

Het missen van tijd met de kinderen is voor een deel inherent aan het uiteengaan van ouders. Dat neemt niet weg dat het hof begrijpt dat de vader meer tijd met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wenst door te brengen dan eerder het geval was. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangegeven dat zij graag ook buiten de vastgelegde zorgregeling om en dan liefst ook op initiatief van de vader activiteiten met hem willen ondernemen. Het hof gunt het [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de ouders op het punt van de onderlinge communicatie meer toenadering zullen zoeken zodat er meer flexibiliteit ontstaat aan beide kanten en de ouders beter kunnen omgaan met incidentele afwijking van de regeling, in het voordeel van de kinderen.

Proceskosten

3.11.5.

De proceskosten zullen worden gecompenseerd aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.292.467/02:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 maart 2021;

in de zaak met zaaknummer 200.292.467/01:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 maart 2021

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt het ouderschapsplan van 1 april 2013 in die zin dat de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , beiden geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voortaan gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

  • -

    de ene week van vrijdagavond 18:30 uur tot maandag naar school;

  • -

    de andere week van maandag uit school tot dinsdag naar school,

waarbij de vader ervoor zorgt dat de spullen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer bij de moeder komen na afloop van het verblijf bij hem;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, J.C.E. Ackermans-Wijn en P.M.M. Mostermans en is op 13 januari 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.