Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:66

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
200.279.721_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf

Zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 13 januari 2022

Zaaknummer: 200.279.721/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/336515 FA RK 17-5585

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. F.L. Donders,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof.

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende in deze zaak is aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 maart 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 juni 2020, heeft de vader het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van zijn verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en tot vaststelling van een contactregeling tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en alsnog toe te wijzen zijn verzoek om te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben en gerechtigd zijn tot het hebben van contact met de moeder gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 19:00 uur en elke woensdagmiddag na school tot 19:00 uur.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 augustus 2020, heeft de moeder het hof verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans dit beroep als ongegrond dan wel onbewezen af te wijzen.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 augustus 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de beschikking waarvan beroep in stand te laten.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 maart 2021.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Donders;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. G. Demir, die waarnam voor mr. Van Kerkhof;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 16 februari 2021;

- het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vader van 18 februari 2021.

2.6.

Van de mondelinge behandeling d.d. 1 maart 2021 is een verkort proces-verbaal opgemaakt. Hieruit volgt dat er bij de rechtbank een procedure aanhangig is onder zaaknummer C/02/379382. In deze procedure heeft de moeder verzocht om wijziging van het gezag over de kinderen. De rechtbank heeft de behandeling van deze zaak aangehouden in afwachting van de resultaten van een onderzoek door de raad.

Het hof heeft de raad verzocht om het onderzoek naar het gezag uit te breiden naar een onderzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de zorgverdeling ten aanzien van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Het hof heeft vervolgens de verdere behandeling van de zaak vier maanden aangehouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Het hof heeft overwogen dat in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek de huidige situatie van de kinderen in stand blijft en heeft iedere verdere beslissing pro forma aangehouden tot 1 juli 2021.

3 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

3.1.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 november 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Donders;

-de moeder, bijgestaan door mr. G. Demir als waarnemer voor mr. Van Kerkhof;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] .

3.1.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] opnieuw in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Op verzoek van [minderjarige 1] was haar persoonlijk begeleidster van [instantie 1] daarbij aanwezig. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren

3.2.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het raadsrapport van 30 juli 2021;

- het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 10 augustus 2021;

- de brief van de GI d.d. 13 augustus 2021;

- het V8-formulier van de advocaat van de vader d.d. 23 augustus 2021;

- het V8-formulier van de advocaat van de vader d.d. 15 november 2021.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen hebben tot ongeveer 2009 een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. In 2012 hebben partijen nog gedurende korte tijd opnieuw een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn geboren:

- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006;

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ,

hierna tezamen ook aangeduid als de kinderen.

De vader heeft de kinderen erkend.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

4.2.

De kinderen staan sinds 14 januari 2019 onafgebroken onder toezicht van de GI.

4.3.

Partijen hebben bij de verbreking van hun relatie in 2009 uitsluitend mondelinge afspraken over de kinderen gemaakt. Sinds het uiteengaan van partijen stonden de kinderen ingeschreven op het adres van de moeder. Partijen hebben daarbij afgesproken dat de kinderen in het kader van de zorgregeling bij de vader verblijven iedere week op woensdagmiddag uit school tot 19:00 uur, eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot zondag 19:00 uur en gedurende in onderling overleg te bepalen periodes tijdens vakanties en feestdagen.

Bij beschikking van de rechtbank van 19 maart 2020 is door de rechtbank bepaald dat [minderjarige 3] zijn hoofdverblijf bij de vader heeft.

4.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank - voor zover in hoger beroep aan de orde - het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem te bepalen met een zorgregeling tussen de moeder en die kinderen afgewezen en een contactregeling vastgesteld waarbij de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar wekelijks op woensdag na school tot 19.00 uur, eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur - de rechtbank begrijpt hierbij dat de drie kinderen elk weekend bij elkaar verblijven, afwisselend bij de vader of bij de moeder - en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, nader in onderling overleg door partijen te regelen.

4.5.

De vader kan zich met de afwijzing van zijn verzoek - tot bepaling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem met een zorgregeling tussen de moeder

en die kinderen - niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

4.6.

De vader voert, kort samengevat, in zijn beroepschrift het volgende aan.

Hij vindt het erg belangrijk dat de kinderen bij elkaar kunnen opgroeien. [minderjarige 3] verblijft al geruime tijd bij hem en hij zou graag zien dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook bij hem komen wonen. Daarnaast heeft de vader zorgen over de kinderen in de opvoedingssituatie bij de moeder. Door de partnerkeuzes van de moeder heeft zij de kinderen in het verleden regelmatig in onveilige situaties gebracht. [minderjarige 1] gaat naar een kinderpsycholoog en geeft ook zelf aan dat zij graag bij de vader wil wonen. De vader kan de kinderen een stabiele thuissituatie bieden en hij vindt het contact tussen de moeder en de kinderen zeer belangrijk.

Indien het hof het verzoek van de vader ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toewijst, verzoekt de vader om een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen te bepalen.

4.7.

De moeder voert, kort samengevat, in haar verweerschrift het volgende aan.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich goed bij haar. Volgens de moeder is de thuissituatie van de vader niet geschikt voor drie kinderen. Hij heeft twee huurders in huis. De moeder is altijd beschikbaar geweest voor de kinderen en het is de vader geweest die het al een keer een lange periode heeft laten afweten. De moeder meent dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder is. Een nieuwe zorgregeling zoals de vader verzoekt is in dat geval niet aan de orde.

4.8.1.

De raad geeft te kennen dat, zoals uit het raadsrapport van 30 juli 2021 volgt, beide ouders sterke punten hebben op opvoedingsgebied, maar ook hun zwakheden kennen.

De ouders zouden elkaar goed kunnen aanvullen en de kinderen zouden hier hun voordeel mee kunnen doen, indien de ouders elkaar meer in hun waarde laten en meer de positieve intenties van de ander zouden kunnen zien. Dit zou de kinderen, die beide ouders hard nodig hebben, veel spanning en onrust schelen en hen kunnen helpen in hun loyaliteitsconflict, aldus de raad.

Voor het wegnemen van de zorgen voor het veilig opgroeien van de kinderen is het volgens de raad nodig dat de volgende doelen behaald worden:

  • -

    de kinderen hebben een onbelast contact met beide ouders en hebben de ruimte om loyaal te zijn aan hen;

  • -

    de kinderen ontwikkelen zich optimaal in een opvoedingssituatie die veilig en voorspelbaar is en die aansluit bij hun behoefte.

De raad concludeert verder dat er zo snel mogelijk duidelijkheid moet komen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Beide ouders dienen dit te accepteren en toestemming te geven aan de kinderen om loyaal te kunnen zijn aan hen beiden. De voortdurende onduidelijkheid maakt dat [minderjarige 1] zich niet gehoord en gezien voelt en zich steeds meer lijkt terug te trekken in een isolement. De raad maakt zich hier zorgen over.

Ook zal er nog steeds zicht moeten komen op beide opvoedingssituaties en zal er vervolgens hulp geboden moeten worden aan de ouders in het vormgeven van de opvoeding.

Bij de vader dient er aandacht te zijn voor het bieden van structuur aan de kinderen, voor het maken en bijhouden van een planning voor alle verantwoordelijkheden rondom de kinderen en voor het opstellen van leeftijdsadequate regels en het stellen van grenzen aan de kinderen.

Bij de moeder is er aandacht nodig voor de wijze waarop zij emotioneel bij de kinderen aansluit en in hoe zij tegemoet kan komen aan de behoeften van de kinderen.

Zo zal er met de moeder gekeken worden hoe zij meer in verbinding kan komen met [minderjarige 1] en tegemoet kan komen aan wat [minderjarige 1] van haar nodig heeft.

De raad acht het van belang dat de persoonlijke begeleiding van beide ouders doorloopt.

Voor [minderjarige 1] dient de hulpverlening vanuit [instantie 1] te worden ingezet, zodat zij beter in contact leert komen met haar gevoelens en hier op gepaste wijze uiting aan kan geven.

Extra aandacht dient er voor [minderjarige 2] te komen omdat hij klem zit tussen de ouders en zijn broer en zus en hij lijkt deze last alleen te dragen. Hij heeft een plek nodig waar hij zijn gevoelens en gedachten kan uiten zonder dat hij bang is dat hij daar iemand mee kwetst.

De raad vindt het tot slot van belang dat er nog steeds uitvoering wordt gegeven aan de ondertoezichtstelling. Het is de GI niet gelukt om in voldoende mate aan te sluiten bij de ouders. De raad acht het daarom raadzaam om de ondertoezichtstelling over te dragen aan de William Schrikker Stichting (WSS) ook omdat er op dit moment geen invulling wordt gegeven aan de ondertoezichtstelling met betrekking tot [minderjarige 3] en de raad hiervoor geen mogelijkheden ziet bij de huidige gezinsvoogden.

4.8.2.

De raad adviseert het hof, voor zover in deze zaak van belang, om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de moeder te bepalen.

4.8.3.

Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen [minderjarige 1] en de moeder adviseert de raad een regeling waarbij [minderjarige 1] een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag (na school) tot zondagavond 19:00 uur, en de helft van de vakanties en feestdagen bij de moeder verblijft. Daarnaast beveelt de raad aan dat [minderjarige 1] doordeweeks naar de moeder toe gaat wanneer zij daar behoefte aan heeft (minimaal één keer per week).

Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige 2] adviseert de raad een regeling waarbij [minderjarige 2] een zeer uitgebreide contactregeling heeft met de vader waarbij hij de ene week van vrijdagmiddag (na school) tot en met vrijdagochtend voor school bij de moeder is en de andere week van vrijdagmiddag (na school) tot en met vrijdagochtend (voor school) bij de vader is.

4.8.4.

De raad adviseert de vader verder met klem om zijn woning op korte termijn beter aan te passen op drie kinderen en te stoppen met het verhuren van kamers in zijn huis.

De raad heeft tot slot overwogen dat de GI er voor dient te zorgen dat de contactregeling tussen de ouders en de kinderen gelijk loopt, waardoor zij in de weekenden samen bij de ouders zijn. De raad adviseert de ouders om de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte te verdelen, waarbij de kinderen zoveel als mogelijk samen zijn.

4.9.

De vader heeft in zijn reactie op het raadsrapport nogmaals benadrukt dat hij de kinderen het liefst niet uit elkaar wil halen. Het blijft zijn wens dat de kinderen bij hem komen wonen en dat zij één keer in de veertien dagen een weekend bij de moeder zijn.

De vader heeft ter (voortgezette) mondelinge behandeling daaraan toegevoegd dat hij graag ziet dat het hoofdverblijf van alle kinderen bij hem komt en dat de kinderen een weekendregeling met de moeder krijgen, en dat [minderjarige 1] en de moeder daarnaast ook op de woensdagmiddag omgang hebben. Hij licht toe dat de ouders de co-ouderschapsregeling na de zomervakantie van 2021 conform het raadsadvies zijn gaan uitvoeren omdat zij dachten dat dit de bedoeling was. Ze hebben hiermee de GI onbedoeld gepasseerd. [minderjarige 1] woont ook sinds die tijd bij de vader. De vader zou graag zien dat [minderjarige 2] weer naar zijn vorige school kan gaan. Hij heeft de indruk dat [minderjarige 2] het daar meer naar zijn zin had.

4.10.

De moeder heeft in haar reactie op het raadsrapport laten weten dat zij instemt met het advies van de raad ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder acht het op dit moment niet van belang en niet opportuun dat, zoals de raad ten aanzien van [minderjarige 3] heeft geadviseerd, contactherstel tussen haar en [minderjarige 3] zal plaatsvinden. Zij verzoekt het hof dan ook om geen omgangsregeling tussen haar en [minderjarige 3] vast te stellen.

De moeder heeft ter (voortgezette) mondelinge behandeling daaraan toegevoegd dat het haar wens is dat de juridische procedures stoppen. Zij heeft daarom haar verzoek bij de rechtbank inzake het gezag ingetrokken. Zij vreest echter dat de vader zal blijven doorgaan met procederen totdat alle kinderen bij hem wonen.

[minderjarige 2] is volgens de moeder een ander kind dan de twee oudste kinderen. Hij toont zijn emoties en is gevoelig. De moeder is niet enthousiast over de co-ouderschapsregeling waaraan partijen sinds het einde van de zomervakantie uitvoering geven. Het probleem is dat de ouders niet met elkaar communiceren. [minderjarige 2] is beter af met rust, regelmaat en ritme. De moeder ziet dat het voor hem erg vermoeiend is om elke keer om te gaan met de overgang van de ene ouder naar de andere ouder. [minderjarige 2] zit meer op zijn plek bij haar. Wat betreft de overgang naar een andere school geeft de moeder aan dat hij daar meer op zijn plaats is en hij het goed doet op de nieuwe school. Bovendien is deze school dichter bij haar huis en is het halen en brengen naar deze school beter uitvoerbaar voor de moeder.

De moeder verzoekt ten aanzien van [minderjarige 2] daarom primair om het hoofdverblijf bij haar te bepalen met daarnaast een weekendregeling met de vader. Subsidiair verzoekt de moeder om een co-ouderschapsregeling conform het raadsadvies. De moeder vreest echter dat zij in dat geval, door de slechte communicatie tussen de ouders, door de vader niet goed wordt geïnformeerd en wordt buitengesloten.

Ten aanzien van [minderjarige 1] geeft de moeder aan dat de contacten met [minderjarige 1] goed verlopen in de weekenden dat zij bij haar is. De moeder zou het fijn vinden als [minderjarige 1] ook door de week bij haar langskomt en dat dit wordt vastgelegd.

4.11.

De GI kan zich niet geheel vinden in het advies van de raad ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] . De GI vindt daarnaast de door de raad voorgestelde regeling een bijzondere aangezien deze ouders nauwelijks met elkaar communiceren. De GI ziet onvoldoende meerwaarde in een 50-50 regeling. De GI stemt in met het advies van de raad voor een overdracht naar de WSS. De GI heeft hier al de nodige stappen voor gezet en wacht op een bereidverklaring en zal daarna een verzoek neerleggen bij de rechtbank.

De GI heeft ter (voortgezette) mondelinge behandeling daaraan toegevoegd dat het niet de bedoeling was dat het advies van de raad direct werd uitgevoerd. Hierdoor zijn de GI en de hulpverleners door de ouders gepasseerd.

Ten aanzien van [minderjarige 1] merkt de GI op dat zij het aan de ene kant bezwaarlijk vindt dat [minderjarige 1] bij de vader woont omdat de vader nog steeds kamers in zijn huis verhuurt. Deze situatie acht de GI niet wenselijk. Aan de andere kant woont [minderjarige 1] al enige tijd bij de vader en de GI wil deze feitelijke situatie niet verstoren.

Ten aanzien van [minderjarige 2] benadrukt de GI dat het huidige advies van de raad haaks staat op het raadsrapport van 3 december 2018. De GI plaatst hier vraagtekens bij.

Hoewel de situatie op dit moment rustiger is, zal de vader niet rusten voordat alle kinderen bij hem wonen. De ouderstrijd blijft op de achtergrond aanwezig.

De vader heeft verder weliswaar toestemming gegeven voor de hulpverlening van [instantie 1] maar niet voor hulp van [instantie 2] . [instantie 2] heeft verder aangegeven dat de hulpverlening slechts kleine stapjes kan maken bij de vader thuis en niet te kritisch mag zijn, omdat de vader daar negatief op reageert.

Dit maakt dat de beoogde opvoedondersteuning in de situatie van de vader niet is gelukt.

De GI maakt zich daarom veel zorgen omdat de vader veel ondersteuning nodig heeft en hulpverlening echt aanwezig dient te zijn totdat de kinderen de achttienjarige leeftijd hebben bereikt. Bovendien dreigt de moeder buitenspel te komen staan door de houding van de vader. Zij wordt door hem over bepaalde zaken niet geïnformeerd.

Dit alles maakt dat de GI niet kan instemmen met co-ouderschap. Daarvoor is het immers nodig dat de ouders onderling (kunnen) communiceren. De GI vraagt zich dan ook af waar de raad het huidige advies op baseert. Temeer nu in een eerdere fase het solo parallel ouderschap is misgelopen. De geadviseerde week op-week af regeling is volgens de GI niet in het belang van [minderjarige 2] .

De GI acht het van belang dat de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling doorloopt, temeer nu er bij de vader in het gezin een bepaalde vorm van controle over emoties bestaat. Volgens de GI uit dit zich in het niet laten zien van emoties bij zowel de vader als de kinderen. Er hebben zich heftige incidenten voorgedaan waar de kinderen nauwelijks op reageerden of iets over loslieten of zeiden.

Omdat er bij de WSS sprake was van een cliëntenstop is er nog geen mogelijkheid geweest om de zaak vanuit de GI over te dragen aan de WSS, zoals de raad adviseert. Als tijdelijke oplossing is ervoor gekozen om deze zaak intern over te dragen aan een collega die eerder werkzaam was voor de WSS en derhalve ervaren is.

4.12.

De raad heeft tijdens de (voortgezette) mondelinge behandeling benoemd dat de relatie tussen [minderjarige 1] en de moeder eerder onder druk stond en daarom door de raad is geoordeeld dat het minder schadelijk zou zijn voor [minderjarige 1] om bij de vader te gaan wonen.

Gebleken is dat de ouders, al eerder dan de bedoeling was, uitvoering hebben gegeven aan de door de raad geadviseerde regeling en dat dit goed gaat, althans dat is de indruk op dit moment.

De raad plaatst daar de kanttekening bij dat uit hetgeen de GI heeft overgelegd en ter mondelinge behandeling heeft toegelicht, is gebleken dat de vader de gezinsvoogd in feite niet toelaat waardoor er weinig zicht is op de opvoedsituatie bij hem thuis. Daarbij komt dat de raad ten tijde van het raadsonderzoek vertrouwen had in de informatie die de vader gaf; te weten dat hij geen kamers meer zou verhuren aan derden. Nu blijkt dat de vader nog steeds aan twee huurders kamers verhuurt, lijkt het erop dat de vader de raad foutieve informatie heeft verstrekt. Dit baart de raad ernstige zorgen.

Verder benadrukt de raad dat de relatie tussen de kinderen en de moeder goed dient te blijven, waarbij de onderlinge communicatie tussen de ouders een aandachtspunt blijft.

Ten aanzien van [minderjarige 1] acht de raad het mede daarom in het belang van [minderjarige 1] dat zij ook door de week op één vaste dag naar de moeder gaat; de raad sluit aan bij de door [minderjarige 1] (in het kindgesprek) voorgestelde dag (woensdag).

Ten aanzien van [minderjarige 2] twijfelt de raad of de in het raadsrapport geadviseerde regeling niet te ruim is. Ten tijde van het opstellen van het raadsrapport is de veronderstelde opvoedondersteuning bij de vader meegewogen. Nu blijkt dat de vader dit niet heeft opgepakt acht de raad het van belang om deze regeling anders in te richten. De moeder biedt naar het oordeel van de raad meer structuur en de raad adviseert daarom nu om meer het accent bij de moeder te leggen, maar wel met een bepaalde structuur. Daarbij acht de raad het van belang dat [minderjarige 2] in het weekend bij de moeder is wanneer [minderjarige 1] er ook is en dat [minderjarige 2] aansluitend daarop nog twee dagen bij moeder blijft. Op de woensdag kan hij dan (samen met [minderjarige 1] ) weer naar de vader toe gaan tot en daar tot en met zondag blijven. Dit zal voor meer rust zorgen. Ook heeft [minderjarige 2] dan meer contact met [minderjarige 1] .

Hoofdverblijfplaats

5.1.

Ten aanzien van het hoofdverblijf overweegt het hof als volgt.

5.1.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

5.1.2.

Met de raad is het hof van oordeel dat er, ondanks de inzet van hulpverlening en de reeds lopende ondertoezichtstelling, ook op dit moment geen volledig beeld is van de opvoedingsomgeving en -vaardigheden van de ouders. Duidelijk is wel dat beide ouders iets waardevols te bieden hebben aan de kinderen en dat het ook de wens is van de kinderen om bij elkaar te wonen.

De onderlinge slechte communicatie, althans het gebrek aan communicatie tussen de ouders en de (gevoerde) juridische procedures zorgen er echter al jaren voor dat de kinderen klem zitten tussen de ouders. Hierin heeft de (lopende) ondertoezichtstelling en verdere hulpverlening aan de ouders helaas weinig tot geen verandering kunnen brengen.

Ondanks het voorgaande is het hof, met de raad, van oordeel dat het op dit moment voor de kinderen van belang is om duidelijkheid te krijgen over hun hoofdverblijf.

Het hof oordeelt daarom als volgt.

[minderjarige 1]

5.1.3.

[minderjarige 1] is rond de afgelopen zomervakantie bij de vader gaan wonen. De ouders hebben dit onderling geregeld. Dit was al langere tijd een grote wens van [minderjarige 1] , vooral omdat haar relatie met de moeder enige tijd onder druk stond waardoor zij zich steeds meer terugtrok.

Op dit moment gaat het goed met haar. [minderjarige 1] krijgt ambulante begeleiding vanuit [instantie 1] en de in dat kader aangeboden weerbaarheidstraining heeft zij met goed gevolg afgesloten.

Haar begeleidster bij [instantie 1] praat ook met de ouders en maakt de vertaalslag naar de ouders voor wat [minderjarige 1] nodig heeft. Zij zorgt er ook voor dat [minderjarige 1] zo weinig mogelijk last heeft van de strijd tussen de ouders. Gelet op deze recente ontwikkelingen acht het hof het in het belang van [minderjarige 1] wenselijk dat de bestaande situatie wordt gehandhaafd en zij haar hoofdverblijf bij de vader heeft.

[minderjarige 2]

5.1.4.

[minderjarige 2] is een gevoelige jongen van 9 jaar. Uit het raadsrapport blijkt dat hij meer klem zit tussen de ouders dan voorheen werd gedacht. Hij heeft behoefte aan de steun van zijn broer en zus en heeft hen nodig; er is echter ook sprake van een relatief groot leeftijdsverschil tussen de oudste kinderen en [minderjarige 2] . Daarbij komt dat [minderjarige 2] , gezien zijn jonge leeftijd, ook meer afhankelijk van de moeder is dan zijn oudere broer en zus en hij bij de moeder meer rust, aandacht en structuur kan krijgen dan bij de vader.

Op grond van het voorgaande acht het hof het, conform hetgeen is beschreven in het raadsrapport, in het belang van [minderjarige 2] wenselijk dat hij zijn hoofdverblijf bij de moeder houdt.

Zorgregeling

5.2.1.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

[minderjarige 1] en de moeder

5.2.2.

[minderjarige 1] en de moeder hebben - sinds [minderjarige 1] bij de vader woont - éénmaal per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur contact met elkaar. Dit verloopt goed. Zoals besproken tijdens het kindgesprek met [minderjarige 1] , maar ook ter (voortgezette) mondelinge behandeling van het hof met de moeder, is er bij allebei behoefte om naast deze zogenoemde weekendregeling ook één vaste dag door de week vast te leggen. De moeder heeft ingestemd met het voorstel van [minderjarige 1] om dit op de woensdag (na school) te laten plaatsvinden. Het hof zal dit daarom zo vaststellen in deze beschikking.

[minderjarige 2] en de vader

5.2.3.

Uit hetgeen ter (voortgezette) mondelinge behandeling bij het hof naar voren is gekomen volgt dat de ouders uit zichzelf de in het raadsrapport geadviseerde regeling zijn gaan uitvoeren. Hierbij is (al dan niet bedoeld) zowel de GI als de hulpverlening gepasseerd. Desondanks lijkt de zorgregeling, waarbij [minderjarige 2] week op - week af bij vader respectievelijk de moeder verblijft, redelijk te verlopen. De raad heeft wel zorgen geuit over het feit dat er weinig tot geen zicht is op de opvoedingssituatie bij de vader. Dit terwijl ten tijde van het raadsonderzoek (op grond waarvan een relatief ruime contactregeling met de vader is geadviseerd) men ervan uitging dat er de nodige opvoedondersteuning bij de vader thuis zou zijn dan wel opgestart zou worden.

Het hof deelt deze zorgen van de raad. De vader stelt zich niet open voor de hulpverlening, de opvoedondersteuning van [instantie 2] is mislukt. Voorts is de vader behoorlijk zelfbepalend en zet hij de moeder buitenspel door niet met haar te communiceren. Daarbij komt dat de vader niet betrouwbaar is gebleken met betrekking tot de informatie die hij aan de raad gaf over de huurders in zijn huis. In tegenstelling tot zijn belofte aan de raad dat hij geen huurders meer in zijn huis zou opnemen is gebleken dat hij ook op dit moment nog steeds aan twee huurders kamers verhuurt.

Het hof ziet daarom reden om de in het raadsrapport voorgestelde contactregeling anders in te richten. Gelet op de leeftijd en de gevoeligheid van [minderjarige 2] is het hof van oordeel dat hij meer gebaat is bij een regeling waarbij hij kan profiteren van de structuur en rust die de moeder hem biedt en waarbij hij daarnaast tijdens zijn verblijf bij de vader of de moeder zoveel mogelijk contact kan hebben met [minderjarige 1] .

Het hof zal daarom, overeenkomstig het advies van de raad ter voortgezette mondelinge behandeling, bepalen dat [minderjarige 2] gerechtigd is tot omgang met de vader in de week aansluitend op het weekend dat [minderjarige 1] bij de moeder is geweest en wel vanaf woensdag om 19:00 uur tot en met zondag 19.00 uur. Op deze manier heeft hij in de weekenden, zowel bij de vader als de moeder contact met [minderjarige 1] en zijn er minder wisselmomenten.

Tot slot merkt het hof op dat van de vader wordt verwacht dat hij in het belang van de kinderen deze regeling accepteert en deze ruimhartig uitvoert, zodat er de nodige rust voor de kinderen komt, waardoor zij zich verder kunnen gaan ontwikkelen.

[minderjarige 3]

5.2.4.

Tijdens de mondelinge behandeling is het duidelijk geworden dat de moeder het vastleggen van een concrete omgangsregeling tussen haar en [minderjarige 3] op dit moment niet wenselijk vindt. De moeder heeft in haar reactie op het raadsrapport bij brief van 6 augustus 2021 en ter voortgezette mondelinge behandeling benadrukt dat zij aan [minderjarige 3] de ruimte wil geven om al dan niet contact met haar op te nemen. Het hof zal het verzoek van de moeder als een incidenteel appel opvatten, nu immers bij omgangszaken een uitzondering op de twee-conclusieregel wordt aanvaard ter voorkoming van een nieuwe procedure op grond van art. 1:377e BW (HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9226). Het hof zal daarom de in de bestreden beschikking opgenomen weekendregeling tussen de moeder en [minderjarige 3] vernietigen.

Vakanties en feestdagen

5.2.5.

Partijen hebben tijdens de voortgezette mondelinge behandeling te kennen gegeven het erover eens te zijn dat de vakanties en de feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld ten aanzien van de twee jongste kinderen. Nu partijen het hierover eens zijn en omwille van de duidelijkheid zal het hof deze regeling opnemen in het dictum.

Slotsom

5.3.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en als volgt bepalen.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 maart 2020 voor zover de rechtbank daarbij heeft beslist over

de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en over een contactregeling tussen de moeder en [minderjarige 3] en tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt het hoofdverblijf van [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008, bij de vader;

bepaalt het hoofdverblijf van [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2012, bij de moeder;

stelt de volgende contactregeling vast:

[minderjarige 1] en de moeder zijn gerechtigd tot het hebben van contact met elkaar:

  • -

    éénmaal per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur;

  • -

    iedere woensdag (na school) tot 19:00 uur;

[minderjarige 2] en de vader zijn gerechtigd tot het hebben van contact met elkaar:

- in de week aansluitend op het weekend dat [minderjarige 1] bij de moeder verblijft van woensdag 19:00 uur tot en met de zondag 19:00 uur;

- de vakanties en de feestdagen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden door de ouders in onderling overleg bij helfte verdeeld;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, H. van Winkel en P.M.M. Mostermans en is op 13 januari 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.