Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:65

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-01-2022
Datum publicatie
12-01-2022
Zaaknummer
20-001289-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontuchtige handelingen met 2 minderjarige (stief-)kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0068
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001289-21

Uitspraak : 12 januari 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 14 mei 2021, in de strafzaak met parketnummer 02-227024-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te ' [geboorteplaats en -datum] ,

wonende te [adres verdachte] ,

thans gedetineerd te PI Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek voor voorarrest, ter zake van:

  • -

    feit 1: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd;

  • -

    feit 2: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd;

  • -

    feit 3: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd.

Daarnaast heeft de rechtbank een contactverbod voor de duur van 5 jaren met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] opgelegd en daarbij bepaald dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang hoger beroep

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] integraal toegewezen tot een bedrag van € 5.062,44, bestaande uit € 62,44 aan materiële schade, en € 5.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich opnieuw in hoger beroep gevoegd voor de gehele vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente. In aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij d.d. 28 december 2021 deze vordering met € 90,08 verhoogd, zijnde een aanvulling op de parkeer- en reiskosten voor de terechtzitting in hoger beroep.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] integraal toegewezen tot een bedrag van € 15.068,90, bestaande uit € 68,90 aan materiële schade, en € 15.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich opnieuw in hoger beroep gevoegd voor de gehele vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente. In aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij d.d. 28 december 2021 deze vordering met € 83,74 verhoogd, zijnde een aanvulling op de parkeer- en reiskosten voor de terechtzitting in hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en verdachte zal veroordelen ten aanzien van het onder feit 1, 2 en 3 zowel primair als subsidiair tenlastegelegde. De advocaat generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, en dat er contactenverboden in de zin van artikel 38v Wetboek van Strafrecht zullen worden opgelegd. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen gevorderd, en tevens de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen ten aanzien van die vorderingen.

Namens de verdachte zijn de verweren in eerste aanleg herhaald, en is aanvullend een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 8 september 1998 tot 22 november 2005 te Axel en/of Den Haag, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] (geboren [slachtoffer 1 geboortedatum] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal

- zijn penis in de vagina/tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

- zijn vinger(s) in de vagina/tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht;

subsidiair
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 8 september 1998 tot 22 november 2005 te Axel en/of Den Haag, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] (geboren [slachtoffer 1 geboortedatum] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het betasten van de buik en/of de billen en/of de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het likken van de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het aan zijn, verdachtes, penis zitten;

2.
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 22 november 2005 tot 18 januari 2008 te Axel, gemeente Terneuzen, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte, meermalen, althans eenmaal - zijn penis in de vagina/tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

- zijn vinger(s) in de vagina/tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht;

subsidiair
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 22 november 2005 tot 18 januari 2008 te Axel, gemeente Terneuzen, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] (geboren [slachtoffer 1 geboortedatum] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het betasten van de buik en/of de billen en/of de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het likken van de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het aan zijn, verdachtes, penis zitten;

3.
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 6 november 1997 te Terneuzen, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2] (geboren [slachtoffer 2 geboortedatum] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte, meermalen, althans eenmaal

- zijn penis in de vagina/tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- zijn vinger(s) in de vagina/tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht;

subsidiair
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 6 november 1997 te Terneuzen, in elk geval in Nederland, met zijn dochter [slachtoffer 2] (geboren [slachtoffer 2 geboortedatum] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het betasten van de buik en/of de billen en/of de vagina van die [slachtoffer 2] en/of

- het likken van de vagina en/of de borsten van die [slachtoffer 2] en/of - het aan zijn, verdachtes, penis zitten en/of

- het trachten met zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 2] te komen, terwijl het feit is begaan tegen zijn kind.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

In dit verband overweegt het hof in het bijzonder nog het volgende.

In eerste aanleg is door de officier van justitie tijdens de zitting van 30 april 2021 ten aanzien van alle feiten, welke na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep primair zijn tenlastegelegd, op grond van artikel 312 van het Wetboek van Strafvordering mondeling tenlastegelegd de strafverzwarende omstandigheid dat de minderjarige aan de zorg en waakzaamheid van de verdachte was toevertrouwd.

In hoger beroep is ter terechtzitting van 29 december 2021 schriftelijk de wijziging van de tenlastelegging gevorderd met dien verstande dat deze strafverzwarende omstandigheid ten aanzien van de primair tenlastegelegde feiten niet zijn opgenomen en derhalve niet expliciet zijn gevorderd. Daarnaast heeft de advocaat-generaal eveneens ter terechtzitting niet expliciet gevorderd dat het hof de tenlastelegging alsnog wijzigt met voormelde strafverzwarende omstandigheid. Het hof heeft derhalve de in eerste aanleg gevorderde strafverzwarende omstandigheid niet als zodanig opgenomen in de tenlastelegging.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van het onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde

De verdachte is na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep onder 3 subsidiair tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 1 januari 1997 tot en met 6 november 1997 schuldig heeft gemaakt aan ontucht met zijn dochter die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, zoals strafbaar gesteld in artikel 247 Wetboek van Strafrecht (Sr) (oud).

Daarnaast is in de wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep de strafverzwarende omstandigheid van artikel 248, tweede lid, Sr, opgenomen te weten: ‘terwijl het feit is begaan tegen zijn kind’. Het op dit moment geldende artikel 248, tweede lid, Sr, waarin deze strafverzwarende omstandigheid staat opgenomen, is echter (pas) in werking getreden op 1 januari 2010. Het in artikel 1, eerste lid, Sr besloten ‘nulla poena sine lege’-beginsel, brengt tot uitdrukking dat het toepassen van een straf dient te zijn gebaseerd op een wet die voorafgaat aan het begane strafbare feit. De bepaling is, evenals het verwante art. 16 van de Grondwet, gebaseerd op het rechtszekerheidsbeginsel. De burger dient aan de hand van de wettekst te kunnen nagaan welk gedrag als strafbaar wordt aangemerkt en met welke sanctie dat gedrag wordt bedreigd. Hieruit vloeit ook voort dat het achteraf verzwaren van de bedreigde straf niet is toegestaan. Die verzwaarde strafdreiging mag dus niet van toepassing worden verklaard op feiten die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet zijn begaan.

Ter beoordeling staat vervolgens de vraag of het openbaar ministerie, gelet op de verjaringsbepalingen, in de vervolging van dit feit, dat in hoger beroep bij wijze van een wijziging aan de tenlastelegging is toegevoegd, kan worden ontvangen. Daarbij stelt het hof voorop dat volgens bestendige rechtspraak een wijziging van de tenlastelegging in de vorm van toevoeging van een feit dat ten tijde van de vordering tot wijziging is verjaard in het algemeen niet aan het vervolgingsrecht ten aanzien van dat feit in de weg hoeft te staan. Dan is immers de maatstaf dat de daad van vervolging ten aanzien van het reeds tenlastegelegde feit geacht kan worden ook de verjaring van het toegevoegde feit te hebben gestuit. Dat is anders in het geval het feit waarmee de tenlastelegging is uitgebreid al was verjaard ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding.

Het misdrijf als bedoeld in artikel 247 Sr werd ten tijde van de tenlastegelegde periode bedreigd met – voor zover hier relevant – een gevangenisstraf voor de duur van maximaal zes jaren. Ingevolge artikel 70 lid 1, aanhef en sub 3, Sr dat sinds de in de tenlastelegging opgenomen periode niet is gewijzigd, vervalt het recht op strafvordering door verjaring in twaalf jaren. Ingevolge art. 71, aanhef en sub 3, Sr vangt sinds de datum van inwerkingtreding van deze bepaling, te weten 1 september 1994, de termijn van verjaring bij het misdrijf omschreven in artikel 247 Sr, voor zover gepleegd ten aanzien van een minderjarige, aan op de dag na die waarop die persoon achttien jaren is geworden.

[slachtoffer 2] is op [te herleiden naar geboortedatum] achttien jaar geworden. De verjaringstermijn is als gevolg daarvan op [te herleiden naar geboortedatum] aangevangen en (na 12 jaren) op [te herleiden naar geboortedatum] geëindigd. Op 7 april 2021 is de dagvaarding in eerste aanleg aan de verdachte betekend, wat als de eerste daad van vervolging moet worden aangemerkt. Op dat moment was het feit dus al verjaard en kon de verjaring door het uitbrengen van de dagvaarding niet meer worden gestuit.

Gelet op het vorenstaande stelt het hof vast dat de vervolging pas is ingesteld op het moment dat het misdrijf van artikel 247 Sr reeds was verjaard. Het openbaar ministerie is daarom niet ontvankelijk in de vervolging voor het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van het overige deel van de tenlastelegging, voor zover in hoger beroep aan de orde, kan het openbaar ministerie wel worden ontvangen in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat verdachte:

1.primair
op tijdstippen gelegen in de periode van 8 september 1998 tot 22 november 2005 te Axel en Den Haag, met [slachtoffer 1] (geboren [slachtoffer 1 geboortedatum] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte meermalen

- zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en eenmaal

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht;

en
op tijdstippen gelegen in de periode van 8 september 1998 tot 22 november 2005 te Axel en Den Haag, met [slachtoffer 1] (geboren [slachtoffer 1 geboortedatum] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het betasten van de buik en de billen en de vagina van die [slachtoffer 1] en

- het likken van de vagina van die [slachtoffer 1] en

- het aan zijn, verdachtes, penis zitten;

2.primair
op tijdstippen gelegen in de periode van 22 november 2005 tot 18 januari 2008 te Axel, gemeente Terneuzen, met [slachtoffer 1] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte

- zijn penis tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] gebracht en

meermalen

- zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht;

en
op tijdstippen gelegen in de periode van 22 november 2005 tot 18 januari 2008 te Axel, gemeente Terneuzen met [slachtoffer 1] (geboren [slachtoffer 1 geboortedatum] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het betasten van de buik en de billen en de vagina van die [slachtoffer 1] en

- het likken van de vagina van die [slachtoffer 1] en

- het aan zijn, verdachtes, penis zitten;

3.primair
op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 1997 tot en met 6 november 1997 te Terneuzen met [slachtoffer 2] (geboren [slachtoffer 2 geboortedatum] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte, eenmaal

- zijn penis tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2] gebracht en meermalen

- zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1

Ten aanzien van feiten 1 tot en met 3

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 12 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

V: Waarvan kom je aangifte doen?

A: Van seksueel misbruik van mij als kind door mijn stiefvader. Mijn ex-stiefvader.

V: Wanneer is dat gebeurd?

A: Vanaf mijn 4e jaar (08-09-1998/adres Axel) tot en met mijn l3e jaar(18.01-2008/2eadres Axel)

V: Door wie is dat gebeurd?

A: Mijn stiefvader [verdachte] (roepnaam) [verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] . Ik noemde hem papa en hij heeft mij geadopteerd, waardoor wij dezelfde achternaam hadden.

(…)

V: Waar is het gebeurd?

- Axel, [adres 2]

(periode: 08-09-1998 - 07-05-2002 van 4e tot 9e jaar))

- Den Haag, [adres 3]

(periode 10-06-2002 - 14-09-2004 van 9 tot 11e jaar)

- Axel, [adres 4]

(periode 14-09-2004 - 26-4-2005 tussen 11 en 12 jaar)

- Axel, [adres 5]

(periode 26-04-2005 - 18-01-2008, van 12 tot en met 15e jaar)

(…)

Wij gingen beneden wel eens een filmavond houden. Met matrassen op de grond. Ik kon niet slapen en toen wreef hij over mijn buik om mij in slaap te laten gaan. Hij ging met zijn hand in mijn broek en zat aan mijn vagina. Hij ging met zijn vinger over mijn vagina heen. Deze handeling is heel vaak gebeurd. Ik kan geen aantallen noemen. Ik heb zelf 12 herinneringen, maar volgens mij is dit veel vaker gebeurd. Ik kan mij herinneren dat het kort daarna nog een keer gebeurde. Iedereen sliep in zijn eigen kamer. Ik ben naar mijn ouders gegaan om te zeggen dat ik niet kon slapen. Hij stelde voor om beneden een spelletje te spelen. Beneden moest ik aan hem zitten en hij aan mij. Hij ging weer met zijn hand over mijn vagina en ik moest met mijn hand aan zijn penis zitten.

(…)

V: Waar woonde jullie toen?

Axel, [adres 2]

(periode: 08-09-1998 - 07-05-2002 van 4e tot 9e jaar))

Het gebeurde beneden in huis, boven op de slaapkamer van [verdachte] en mijn moeder, de 2e slaapkamer links als je bovenkomt, hun bed stond eerst rechts in de slaapkamer, daarna stond het bed midden in de slaapkamer. In de douche, daar heb ik ook een flashback van. We deden een spelletje dingen geblinddoekt dingen proeven, Chocoladepasta en zo. Ik was alleen thuis met hem. Hij riep me naar de douche. Hij zei: “Mond open en ogen dicht”. Dat deed ik. Toen kreeg ik zijn penis in mijn mond.

Het smaakte naar plas. Ik was toen ongeveer 6 jaar oud denk ik.

(…)

Daar heeft hij ook met zijn vinger aan de buitenkant van mijn vagina gezeten. Hij heeft er ook aan gelikt.

(…)

0: Daarna zijn jullie verhuisd naar [adres 3] . Dat was in de periode van 10-06-2002 tot 14-09-2004 en dat was van je 9e tot je 11e jaar.

V: Wat kun je uit deze periode nog herinneren?

A: Ik weet niet meer precies op welke manier. Ik weet wel dat hij met zijn vingers aan de buitenkant van mijn vagina heeft gezeten.

(…)

0: Je vertelde in het informatief gesprek dat na de [adres 4] ook nog seksuele

handelingen hebben plaatsgevonden in een ander huis. Volgens GBA moet dit dan

[adres 5] in Axel zijn geweest. Dit was in de periode van 26-04-2005 tot

18-01-2008, van je 12e tot en met 15e jaar.

V: Wat kun je vanuit deze periode herinneren?

A: Ik denk dat ik toen 11/12 jaar was. Ik werd ‘s nachts wakker omdat er weer aan mij werd gezeten. Ik was toen in mijn eigen slaapkamer waar ook mijn broertje sliep. Er was zo’n afscheiding met een doek tussen onze beide slaapruimtes. Hij zat toen met zijn vingers aan en in mijn vagina. Ik deed alsof ik sliep. Soms werd ik wakker van de voetstappen op de trap die ik hoorde n dat deed ik of ik sliep.

Mijn stiefvader [adres 5] ging met zijn vingers bij mijn vagina. Hij wreef eroverheen en

deed zijn vinger in zijn vagina. Hij bewoog zijn vinger dan heen en weer, in en

eruit. Ik weet niet hoe vaak hij dit deed. Dit duurde ongeveer 10 minuten. Misschien

5 minuten ik kan het niet zo goed plaatsen hoelang. Ik wilde dit niet.

(…)

Hij heeft mijn benen opengehouden de deken eraf gedaan en hij heeft aan mijn vagina gelikt.

Hij likte met zijn tong over mijn

vagina.

(…)

Daarna ben ik nog een keer alleen met hem thuis was. Ik denk dat mijn moeder is gaan werken en mijn broer was weg. Ik had hoofdpijn en lag op hun hemelbed met palen en een doek. Daarnaast stond de computer achter in de woonkamer stond dat bed. Je had twee hoogtes in de woonkamer. Het bed stond op het lage gedeelte. Daar is hij naar me toegekomen, hij heeft de deken van mij afgetrokken, broek en onderbroek naar beneden aan me gezeten vingers erover en erin. Hij zei: “Daar past wel wat in.”.

(…)

A: Hij wou zijn penis in mijn vagina steken. Ik lag op mijn rug op het bed en

probeerde hem van me af te duwen. Hij was heel zwaar. Hij zei: “Geniet er nou maar van”. Op gegeven moment heb ik de strijd opgegeven. Ik deed mijn ogen dicht stil blijven liggen huilen met mijn ogen dicht zijn gang laten gaan.

(…)

V: Wat heeft hij verder gedaan?

A: Zijn vingers in mijn vagina gestoken. Eerst een en toen twee. Toen heeft er een

beetje in en uit gedaan met zijn vingers. Dat wou ik niet ik vond het vies. Het deed

pijn dat hij met zij twee vingers erin zat. Hij zit voor mij op bed. Hij zat op zijn

knieën met zijn gezicht maar mij toe.

(…)

V: Hoe ging hij met zijn piemel in je vagina?

A: Hij deed mijn benen uit elkaar. Ik stribbelde nog tegen door mijn benen bij elkaar

te doen en hij pakte met zijn handen vast en met zijn benen of knieën konden mijn

benen niet meer bij elkaar en dichthouden. Zo kon hij met zijn penis in mijn vagina

doen. Ik voelde pijn toen hij met zijn penis in mijn vagina ging. Ik neem aan dat

zijn penis stijf was omdat ik pijn had. Toen hij in mijn vagina zat, stootte hij in

mijn vagina, erin en eruit. Ik weet niet hoe vaak hij dit deed. Ik wilde alleen maar

dat hij stopte, ik heb gehuild, ik wilde niks voelen. Ik wilde me afschermen door

mijn ogen dicht te houden zodat het snel voorbij was. Ik probeerde geen pijn te

hebben maar dat lukte niet. Het leek heel lang toen dit gebeurde.

(…)

V: Hoe vaak is het gebeurd dat jij zijn piemel in je mond hebt genomen?

A: Een keer, die keer die ik net het beschreven.

V: Hoe vaak is zijn piemel in jouw vagina geweest?

A: Een keer.

2. Het proces-verbaal van het studioverhoor van [slachtoffer 2] , pagina 101 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Papa heeft met mij een heleboel dingen met mij gedaan, wat niet mag.

Dat is sex. Hij heeft met mij elke keer gesext.

(…)

[slachtoffer 2] geeft aan dat zij met gesext bedoelt: Dat hij overal met zijn piemel heeft ingegaan.

(…)

Ik moest steeds mijn benen wijd doen en dat wou ik niet. Toen die dat deed vond ik het niet leuk en toen hij het volgende dag weer met mij gedaan had wilde ik stoppen. Hij deed het zo vaak, dat ik het niet meer bij kon houden.

(…)

Ik moest met mijn benen wijd tegen de kast staan en dan deed papa zijn piemel in mijn kont en dan zei ik au. Ik wou weglopen en dan zei papa kom hier. Toen kon ik het niet meer bijhouden en toen was papa met zijn piemel gestopt.

(…)

Ook moest ik in mijn tienerkamertje gaan liggen, die ik kreeg toen ik tien was geworden. Dat is mijn slaap- en speelkamer. Ik moest met mijn benen wijd gaan liggen net als er een baby’tje uitkomt, en dan pakte papa mijn benen en deed ze over zijn schouder en deed zijn piemel in mijn tutje.

(…)

Papa was helemaal bloot want die was in de douche.

(…)

Ik moest ook aan zijn piemel en aan zijn ballen likken.

(…)

Als ik op mijn rug lig, dan tilt hij mijn benen op zijn schouders en doet zijn piemel in mijn tutje en gaat dan zo heen en weer. Eruit terug en eruit en terug. Dat doet hij een paar minuutjes. Hij doet ook wel in mijn kontje.

(…)

Het is de eerste keer gebeurd in mijn tienerkamertje en ik was al tien.

Toen ik elf was is hij gestopt…

Na die tijd is het niet meer gebeurd, omdat hij weg was en toen kon ik het zeggen. Ik moest net als aan een lolly aan zijn piemel likken, dat moest van papa. Ik moest aan alle kanten van zijn piemel likken. Ik moest het een soort schoon likken, want als je rond gaat dan is het schoon likken. [slachtoffer 2] geeft aan dat zij met haar tutje

haar plassertje bedoelt.

(…)

Als het gebeurde met papa, dan gebeurde het in de [adres 6] in Terneuzen.

(…)

Als ik tegen de kast stond dan ging hij soms met zijn piemel in mijn kontje en dan ging hij duwen net zo lang tot hij er in zat. Ik moest wel eens aan zijn piemel likken en dan was die piemel wel hard.

3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 8 september 2020, dossierpagina 51 e.v., inhoudende -zakelijk weergegeven-:

V: U heeft het over seksueel misbruik, wat bedoeld u daarmee?

A: Ik heb s ‘morgens, als ze bij ons in bed kwamen liggen. Eerst met [slachtoffer 2] en daarna met [slachtoffer 1] .

Ik heb ja, een beetje stevig beetgepakt en geknuffeld met haar.

Van [slachtoffer 2] kan ik me niet zo gek veel herinneren, dat was s’ morgens in bed, dan deed ik haar slipje uit en dan kwam ze stevig tegen me aan liggen en ja. Het is ook een keer in de douche gebeurd. Ik ging haar betasten. Het gebeurde en ja daarna trok ze haar slipje weer aan en ging het gewone leven weer door. Ik betaste haar billen, en van voren ook, het begon een beetje met over haar buik wrijven en dan steeds lager.

V: Kunt u eens omschrijven wat er dan voor handelingen plaatsvonden?

A: Voelen, likken, er was meer maar dat weet ik niet meer.

V: Om even terug te komen op de vraag, welke handelingen deed u bij [slachtoffer 1] ?

A: Hetzelfde als bij [slachtoffer 2] , betasten, shirtje uit, onder de douche, op de bank.

V: Wat betast u dan?

A: Ik heb haar laten voelen aan mijn piemel. Ik heb aan haar vagina gevoeld, ook aan de billen.

V: Even terug naar het betasten van uw dochters? Wat zijn er nog meer voor

handelingen geweest?

A: Ja zij bij mij.

4. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 9 september 2020, dossierpagina 59 e.v., inhoudende -zakelijk weergegeven-:

V: Dan kijken jullie die porno en dan?

A: (…) Zij trok mij af en ik betaste haar.

V: Je benoemde ook dat je haar deed likken, hoe zat dat?

A: Dan ging ik op mijn knieën zitten en dan ging ik likken. Dan schoof ik de stoel

naar achteren of haar stoel, dan is het slipje uitgegaan.

V: Je zegt voelen, wat gebeurde er dan voor seksuele handelingen?

A: Aftrekken, voelen, betasten. Ik trok mezelf af, ik betaste haar lichaam, haar

lichaam in het algemeen.

V: Heeft u ook de vagina en de billen betast?

A: Ja ook.

V: En bij [slachtoffer 2] , heb je bij haar hetzelfde gedaan als bij [slachtoffer 1] ?

A: Ja.

V: Dus ook betasten van de vagina, borsten en billen, het aanraken van jouw penis,

klaarkomen, samen porno kijken, likken van de vagina.

A: Ja.

A: Maar het klopt wat die meiden zeggen, ik weet pertinent zeker dat dat klopt, daar liegen ze niet om.

A: In de periode van dat het met [slachtoffer 1] is begonnen en geëindigd zou het zelfs nog wel vaker zijn gebeurd.

V: Hoe vaak gebeurde het?

A: Vaak wel 3 of 4 keer per week.

V: [slachtoffer 1] verklaart hij ging met zijn vingers bij mijn vagina. Ik was toen 11-12

jaar. Hij wreef erover heen en deed zijn vinger in mijn vagina. Hij bewoog zijn

vinger dan heen en weer, in en eruit. Ik wilde dit niet. Ik walgde ervan. Maar ik zeg

niks want ik ben bang. Ik vond het smerig met zijn vieze werkhanden. Reageer hier

eens op?

A: Ja. Dat is zo gegaan.

V: Maar dat was eerder ook al geweest, dat je haar zag huilen toch?

A: Ja dat klopt. Ik heb mijn dochter niet gepenetreerd. Bij [slachtoffer 2] heb ik het wel

gedaan maar bij [slachtoffer 1] nooit.

5. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 april 2021:

Verdachte verklaart ten aanzien van de feiten:

Wat mijn dochters hebben verklaard, klopt grotendeels wel. Ik heb wel seksuele

handelingen gedaan. Ik heb ze betast. Met name jongste dochter; [slachtoffer 1] . Ik heb mijn vinger in haar vagina gedaan. Bij mijn oudste dochter, [slachtoffer 2] , heb ik geprobeerd mijn penis in te brengen. Zij had pijn, dus ik ben daarmee gestopt.

De voorzitter houdt kort de aangifte van [slachtoffer 1] voor.

De verdachte verklaart:

Het betasten en het likken klopt. Het klopt ook dat [slachtoffer 1] mijn penis moest vasthouden.

De voorzitter houdt kort de verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie, pagina 65 van het eind-proces-verbaal voor. Verdachte verklaart hier dat hij naast [slachtoffer 2] ook [slachtoffer 1] heeft geprobeerd te penetreren met zijn penis.

De verdachte verklaart:

Bij [slachtoffer 2] heb ik het geprobeerd.

De voorzitter houdt kort het studioverhoor van [slachtoffer 2] voor.

Verdachte verklaart:

De seksuele handelingen onder de douche kloppen. Het klopt dat ik aan haar vagina heb gezeten en zij aan mijn penis.

Ten aanzien van feiten 1 en 2

6. Het schriftelijk stuk, inhoudende een afschrift van de geboorteakte van [slachtoffer 1] , pagina 20a van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op [slachtoffer 1 geboortedatum]

, is in de gemeente Terneuzen,

[adres 7] , geboren:

[slachtoffer 1]

7. Het schriftelijk stuk, inhoudende een afschrift van de latere vermelding betreffende adoptie van [slachtoffer 1] , pagina 20b van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

ADOPTIEFOUDER

Geslachtsnaam vader: [verdachte]

Voornamen vader: [verdachte]

Gekozen voor geslachtsnaam [verdachte]

Ten aanzien van feit 3

8. Het schriftelijk stuk, inhoudende een afschrift van de geboorteakte van [slachtoffer 2] , pagina 105 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Voornamen: [slachtoffer 2]

(Geslachts)naam: [achternaam verdachte]

Geboortedatum: [slachtoffer 2 geboortedatum]

9. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 29 december 2021:

Bij [slachtoffer 2] heb ik een poging gedaan om haar te neuken. Die poging heeft bestaan uit het proberen mijn penis bij haar naar binnen te duwen. Aan haar gezichtsuitdrukking zal ik dat ze pijn had. Dit dacht ik omdat ze haar gezicht vertrok.

Mijn penis heeft haar schaamlippen geraakt.

Bewijsoverwegingen

Het hof oordeelt als volgt.

Feiten 1 tot en met 3

Verdachte wordt verdacht van drie zedenfeiten die zien op zijn dochter [slachtoffer 2] [verdachte] en zijn geadopteerde dochter, [slachtoffer 1] [verdachte] .

De eerste vraag die het hof bij de beoordeling van deze feiten moet beantwoorden is of er sprake is van voldoende wettig bewijs daarvoor. Het hof stelt daarbij voorop dat volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - het bewijs dat de verdachte een tenlastegelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige of enkel op de verklaring van de aangever. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door de aangever genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De vraag of aan het bewijsminimum als bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Het voorschrift van artikel 342, tweede lid, Sv leidt ertoe dat - in een geval als het onderhavige, waarin doorgaans de verklaringen van de slachtoffers en verdachte tegenover elkaar staan en er geen getuigenverklaringen voorhanden zijn - de rechter de betrouwbaarheid van de verklaringen van de slachtoffers moet beoordelen en daarnaast moet bepalen of voor de beweringen van de slachtoffers voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is. De juistheid van de kern van de tenlastelegging moet - met andere woorden - niet alleen uit de (betrouwbaar bevonden) gebezigde verklaringen van de slachtoffers volgen, maar ook uit ander bewijsmateriaal dat bovendien afkomstig moet zijn uit een andere bron. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad kan van steunbewijs ook sprake zijn als verklaringen van aangevers/slachtoffers elkaar over en weer ondersteunen voor wat betreft de aard van de aan een verdachte verweten en door hem gepleegde handelingen en de wijze waarop die handelingen plaatsvonden.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]

In strafzaken moeten aangiftes c.q. verklaringen van slachtoffers kritisch, zorgvuldig en behoedzaam worden bezien. Dit geldt temeer in zedenzaken, waarin doorgaans naast de verklaringen van het slachtoffer en verdachte geen zelfstandige getuigenverklaringen voorhanden zijn. Bovendien is in deze zaak sprake van jonge slachtoffers die verklaren over een ruime periode die relatief lang is geleden.

De verdediging heeft erop gewezen dat verdachte een deel van de verweten ontuchtige handelingen ontkent en dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op die onderdelen onbetrouwbaar zijn. Met de rechtbank stelt het hof stelt vast dat de verklaringen die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben afgelegd uitvoerig en gedetailleerd zijn. Bovendien weten zij desgevraagd de handelingen nader toe te lichten. Ook geeft met name [slachtoffer 1] specifiek aan hoe vaak en waar de handelingen hebben plaatsgevonden. De ontuchtige handelingen vonden volgens haar één tot twee keer per week plaats, terwijl het pijpen en het binnendringen van de vagina met de penis volgens [slachtoffer 1] ‘slechts’ één keer heeft plaatsgevonden. Vastgesteld kan worden dat zij de hoeveelheid van specifieke handelingen dus niet overdrijft, maar juist specifiek beschrijft. Bovendien heeft verdachte ten aanzien van een aantal ontuchtige handelingen een deels bekennende verklaring afgelegd.

Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de aangiftes op elkaar zijn afgestemd, nu [slachtoffer 2] elf jaar was ten tijde van het studioverhoor en daarna niet meer thuis heeft gewoond. Naar het oordeel van het hof is dan ook niet gebleken dat [slachtoffer 1] kennis had van de inhoud van de zedenzaak uit 1998 en dat zij daardoor beïnvloed was bij het doen van haar eigen aangifte.

Met de rechtbank gaat het hof voorbij aan de stelling van de verdediging dat de bevindingen van de kinderarts van het Academisch Ziekenhuis in Rotterdam niet aan lijken te sluiten bij de verklaring van [slachtoffer 2] . De bevindingen van de kinderarts bieden weliswaar geen ondersteuning voor het volledig binnendringen van haar vagina, maar sluiten ook niet uit dat verdachte tussen haar schaamlippen is gekomen. Te meer nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft erkent dat hij met zijn penis de schaamlippen van [slachtoffer 2] heeft geraakt, en haar daarbij pijn heeft gedaan.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof van oordeel is dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] betrouwbaar zijn en bruikbaar zijn voor het bewijs. De op het punt van de betrouwbaarheid door de verdediging gevoerde verweren worden dan ook verworpen.

Steunbewijs

De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over het vingeren door verdachte vinden voldoende steun in de door verdachte afgelegde verklaring.

Voor wat betreft het pijpen en in de vagina duwen van de penis overweegt het hof als volgt. Het hof stelt vast dat zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] verklaren over de ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen in hun lichaam door verdachte. Uit hun verklaringen hierover valt op te maken dat het misbruik door verdachte naar hun aard en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, vergelijkbaar is.

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] beschrijven dat de handelingen bij hen thuis plaatsvonden, voornamelijk als hun moeder niet aanwezig was. Uit de verklaringen komt een beeld naar voren waarbij de jonge meisjes steeds verder moesten gaan bij verdachte. Zij beschrijven beiden dat verdachte mee ging douchen en zij verklaren allebei dat zij verdachte onder de douche moesten pijpen. Ook beschrijven zij beiden dat ze in het kader van de handelingen seksfilmpjes- of boekjes moesten bekijken en/of lezen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] elkaar over en weer ondersteunen wat betreft de aard van de ontuchtige handelingen gepleegd door verdachte en de wijze waarop die handelingen plaatsvonden. Behalve dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] elkaar ondersteunen, wordt ook in de verklaring van verdachte steun gevonden voor de specifieke omstandigheden en de concrete context waarin de betreffende ontuchtige handelingen zijn begaan.

Conclusie

Het hof acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat verdachte de onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en onder feit 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan. Het hof acht ten aanzien van feit 1 niet bewezen dat verdachte in die periode zijn penis in de vagina of tussen de schaamlippen van [slachtoffer 1] heeft geduwd of gebracht, nu [slachtoffer 1] zelf heeft verklaard dat dit maar één keer is voorgekomen en dat dit was binnen de periode gelegen in feit 2. Het hof acht ten aanzien van feit 2 niet bewezen dat verdachte in die periode zijn penis in de mond van [slachtoffer 1] heeft geduwd of gebracht, nu uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat dit eenmaal is gebeurd binnen de periode gelegen in feit 1. Verdachte zal van deze onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Het onder 3 primair bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest, zal opleggen. Daarnaast heeft hij de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr gevorderd, te weten een contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voor de periode van vijf jaar, met bepaling dat deze dadelijk uitvoerbaar zijn.

De verdediging heeft bepleit dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte zichzelf bij de politie heeft aangegeven. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de reclassering heeft geadviseerd tot een deels voorwaardelijke straf met een aantal bijzondere voorwaarden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan om een nadere psychologische rapportage op te laten maken.

Het oordeel van het hof.

De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen naar het oordeel van het hof een langdurige gevangenisstraf. Verdachte heeft zich verscheidene keren, gedurende een langere periode, schuldig gemaakt aan het plegen van (ontuchtige) handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van zijn twee minderjarige dochters. De verdachte heeft op ernstige wijze het vertrouwen van zijn dochters als ook de andere gezinsleden geschaad. In plaats van hen bescherming en geborgenheid te bieden, heeft verdachte een zeer grove inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Daarmee heeft hij een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Ook in deze zaak is dit het geval zoals blijkt uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen. Beide dochters zijn getraumatiseerd en hebben (psychologische) hulp moeten zoeken. Verdere behandeling en hulp blijft ook in de toekomst noodzakelijk. Zij ervaren de (psychische) gevolgen van het seksueel misbruik nog elke dag.

Het leven van beide dochters is als gevolg van het misbruik ingrijpend veranderd. [slachtoffer 2] werd in 1998, toen zij als jong al meisje aangifte deed, niet geloofd. Verdachte heeft destijds alles ontkend. [slachtoffer 2] is als gevolg van haar aangifte uit huis geplaatst en heeft daardoor op wisselende plaatsen moeten wonen, waardoor stabiliteit in haar jeugd ontbrak. Er is haar blijvende schade toegebracht. Ook nadat de verdachte van september 1996 tot mei 1997 verschillende gespreken heeft gehad met de maatschappelijk medewerker van de school van [slachtoffer 2] over de signalen van mogelijk seksueel misbruik, hebben die gesprekken verdachte er niet van weerhouden om seksueel misbruik te plegen. Integendeel: hij is doorgegaan met de ontuchtige handelingen. Nadat [slachtoffer 2] uit huis was geplaatst is verdachte niet gestopt, maar doorgegaan met het misbruik, nu met zijn dochter [slachtoffer 1] . De verdachte heeft zich vervolgens opnieuw jarenlang ongestoord aan [slachtoffer 1] vergrepen en ook bij haar grote schade aangericht. Het hof rekent verdachte dit alles zeer zwaar aan.

Het hof constateert dat verdachte in verhoor bij de politie regelmatig heeft aangegeven dat hij (nu) verantwoording over zijn daden wil afleggen. Maar enkel toen bleek dat zijn dochter [slachtoffer 1] hem niet kon vergeven en door het seksueel misbruik in een crisis kwam te verkeren en haar vader daarop had aangesproken, heeft verdachte zichzelf aangegeven. Eerder had hij [slachtoffer 2] beloofd zichzelf aan te geven maar pas als zijn eigen ouders zouden zijn overleden. Maar dat heeft hij uiteindelijk pas twee jaar na hun overlijden gedaan, tegelijk met zijn eerste verklaring bij de politie. Externe omstandigheden hebben verdachte aldus bewogen om zichzelf aan te geven. Tijdens de verschillende verklaringen bij de politie en bij de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep lijkt het erop dat de verdachte nooit volledig openheid van zaken heeft willen geven. Waar hij eerst zegt dat het klopt wat zijn dochters bij de politie hebben verklaard, heeft hij nadien aan zijn verklaringen bij de politie een andere uitleg gegeven en zijn dochters op belangrijke onderdelen van liegen beschuldigd. Het Hof leidt hier uit af dat verdachte nooit (volledige) verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor het misbruik van zijn dochters.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

Daarnaast heeft het hof kennis genomen van het Pro Justitia rapport van 22 december 2020, opgemaakt door klinisch psycholoog drs. F.M. Vuister. Uit de rapportage komt naar voren dat de verdachte lijdt aan meerdere stoornissen, waaronder een stoornis in cannabisgebruik. Er was ten tijde van het tenlastegelegde geen sprake van een parafiele stoornis bij verdachte, maar wel van een grote hoeveelheid aan psychosociale problemen. De psycholoog adviseert de tenlastegelegde feiten geheel aan verdachte toe te rekenen. De psycholoog acht het recidiverisico matig. De eenzaamheid van verdachte, het ontbreken van een sociaal netwerk en daarnaast het forse cannabisgebruik zijn factoren die in de toekomst het recidiverisico op een mogelijk seksueel gekleurd delict zouden kunnen verhogen.

Het hof ziet, anders dan de verdediging stelt, geen aanleiding om de deskundigheid van de psycholoog in twijfel te trekken en neemt de adviezen en de gronden waarop deze berusten over en concludeert dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is. Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het opmaken van een nadere pro Justitia rapportage acht het hof dan ook niet noodzakelijk. Het voorwaardelijk verzoek wordt om die reden afgewezen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf zoals door de advocaat-generaal gevorderd. Het hof acht dat een passende straf, die ook geboden is. Het hof zal de verdachte dan ook een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren opleggen, met aftrek van het voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Maatregel

Het hof zal daarnaast aan verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr opleggen, ter voorkoming van strafbare feiten. Deze maatregel behelst een contactverbod ten aanzien van de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Dit verbod geldt voor de duur van vijf jaren. Voor iedere keer dat verdachte dit verbod overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van twee weken, met dien verstande dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt.

Voorts zal het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevelen, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich opnieuw belastend jegens de slachtoffers zal gedragen, gelet op hetgeen naar voren is gebracht in de slachtofferverklaringen. De slachtoffers moeten zich veilig kunnen voelen in hun (woon)omgeving. De op te leggen maatregel beoogt hiervoor (mede) de voorwaarden te creëren.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] integraal toegewezen tot een bedrag van € 5.062,44, bestaande uit € 62,44 aan materiële schade, en € 5.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich opnieuw in hoger beroep gevoegd voor de gehele vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente. In aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij d.d. 28 december 2021 deze vordering met verhoogd met de parkeer- en reiskosten voor de terechtzitting in hoger beroep ad € 90,08.

Materiële schade

Het hof is van oordeel dat de schade enkel tot een bedrag van € 43,72, bestaande uit telefoonkosten en reiskosten tussen [woonplaats slachtoffer 1] en Middelburg voor een slachtoffergesprek met de officier van justitie, een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en door de verdediging niet betwist.

Voor wat betreft de reiskosten tussen [woonplaats slachtoffer 1] en Middelburg ad € 18,72 voor de terechtzitting in eerste aanleg, als ook de parkeer- en reiskosten voor de terechtzitting in hoger beroep, acht het hof dat op grond van artikel 238, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering reis-, verlet en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien in persoon mag worden en ook daadwerkelijk in persoon is geprocedeerd. Aangezien de benadeelde partij met behulp van een advocaat heeft geprocedeerd, die ook ter terechtzitting de vordering heeft toegelicht, komen de gevorderde reiskosten die verband houden met het bijwonen van de zitting niet voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal deze kosten dan ook afwijzen.

Immateriële schade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Gebleken is dat € 10.000,00 reeds aan de benadeelde partij is vergoed door het Schadefonds Geweldsmisdrijven. In deze procedure vordert de benadeelde partij het resterende bedrag van € 5.000,00. De vordering komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor gelet op de aard en de ernst van de lichamelijke en geestelijke gevolgen voor de benadeelde partij, zoals mede is gevolgd uit de slachtofferverklaring, en rekening houdend met de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend. Nu de vordering niet is betwist acht het hof de gevorderde € 5.000,00 toewijsbaar, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Wettelijke rente

Het hof zal de toegewezen vordering van de benadeelde partij vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2008, zijnde de laatste dag van de periode onder feit 2, primair en subsidiair, waarop het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden, tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde feit onder 1 en 2 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 5.043,72. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] integraal toegewezen tot een bedrag van € 15.068,90, bestaande uit € 68,90 aan materiële schade, en € 15.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich opnieuw in hoger beroep gevoegd voor de gehele vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente. In aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij d.d. 28 december 2021 deze vordering met € 83,74 aan materiële schade verhoogd, zijnde de parkeer- en reiskosten voor de terechtzitting in hoger beroep.

Materiële schade

Het hof is van oordeel dat enkel de materiële schade van € 13,78, bestaande uit de reiskosten tussen [woonplaats slachtoffer 2] en Middelburg voor het slachtoffergesprek met de officier van justitie, een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt, door de verdediging niet betwist en het hof zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor wat betreft de overige reiskosten is het hof van oordeel dat op grond van artikel 238, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering reis-, verlet en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien in persoon mag worden en ook daadwerkelijk in persoon is geprocedeerd. Aangezien de benadeelde partij met behulp van een advocaat heeft geprocedeerd, die ook ter terechtzitting de vordering heeft toegelicht, komen de gevorderde reiskosten die verband houden met het bijwonen van de zitting niet voor vergoeding in aanmerking. De reiskosten in verband met het bezoeken van de advocaat komen, in het licht van de proceskostenregeling in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (die voor deze kosten in het geheel geen voorziening kent), evenmin als proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Het hof acht dat er geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat deze kosten dienen te worden toegewezen. Het hof wijst deze kosten dan ook af.

Immateriële schade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De vordering komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor gelet op de aard en de ernst van de lichamelijke en geestelijke gevolgen voor de benadeelde partij, zoals mede is gevolgd uit de slachtofferverklaring, en rekening houdend met de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend. Nu de vordering niet is betwist acht het hof de vordering tot immateriële schade van € 15.000,00 toewijsbaar, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Wettelijke rente

Het hof zal de toegewezen vordering van de benadeelde partij vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 1997, zijnde de laatste dag van de periode onder feit 3, primair, waarop het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden, tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 15.013,78 . De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 1997 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 38v, 38w, 57, 244, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] , geboren op [slachtoffer 2 geboortedatum] , en [slachtoffer 1] , geboren op [slachtoffer 1 geboortedatum] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Bepaalt dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.043,72 (vijfduizend drieënveertig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 43,72 (drieënveertig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.043,72 (vijfduizend drieënveertig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 43,72 (drieënveertig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 18 januari 2008.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.013,78 (vijftienduizend dertien euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 13,78 (dertien euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.013,78 (vijftienduizend dertien euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 13,78 (dertien euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 110 (honderdtien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 6 november 1997.

Aldus gewezen door:

mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, voorzitter,

mr. S. Taalman en mr. H. von Hebel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. V.C. Minneboo, griffier,

en op 12 januari 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H. von Hebel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000 2020155935 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 123. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.