Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:386

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2022
Datum publicatie
14-02-2022
Zaaknummer
20-001237-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er was sprake van een noodweersituatie en de verdachte heeft binnen de grenzen van de noodzakelijke verdediging gehandeld. Het beroep op noodweer wordt toegewezen. Het enkele feit dat de verdachte een mes had meegenomen maakt in dit geval niet dat de verdachte geen beroep meer kan doen op noodweer. Van provocatie van het latere slachtoffer van de zijde van de verdachte is niet gebleken. Het bewezenverklaarde feit is daarmee niet strafbaar. De verdachte wordt daarom ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001237-21

Uitspraak : 14 februari 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’sHertogenbosch, van 23 april 2021, parketnummer 01-094036-20 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 01-009080-18, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in [penitentiaire inrichting] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘doodslag’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van het voorarrest. De verdachte is verder veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 17.500,00 respectievelijk € 19.294,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] is afgewezen. Verder is de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken die bij vonnis d.d. 28 mei 2018 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 01-009080-18 afgewezen.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt bevestigd met aanvulling van de gronden.

De verdediging heeft bepleit:

  • -

    dat de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer en zo begrijpt het hof aldus bepleit dat de verdachte van zowel het impliciet primair als het impliciet subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken;

  • -

    dat de verdachte in ieder geval dient te worden vrijgesproken ter zake van de bestanddelen ‘met voorbedachten rade’ (de tenlastegelegde ‘moord’), het ‘medeplegen’ en het ‘meermalen steken’;

  • -

    dat de verdachte van het impliciet subsidiair tenlastegelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld in een situatie van (putatief) noodweer(exces);

  • -

    ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen dat deze niet zullen worden toegewezen dan wel worden gematigd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 4 april 2020 te Eindhoven, in elk geval, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in het hart, althans in de borst, te steken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak voor het impliciet primair tenlastegelegde

Aan de verdachte is impliciet primair tenlastegelegd dat hij [slachtoffer] heeft vermoord, dat betekent dat hij hem met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Voor een bewezenverklaring daarvan, hier tenlastegelegd als “na kalm beraad en rustig overleg”, moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte van oordeel dat zich voor die vaststelling onvoldoende bewijs bevindt in het procesdossier. Het hof spreekt de verdachte dan ook vrij voor het impliciet primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op 4 april 2020 te Eindhoven [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] met een mes in het hart te steken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 april 2020, dossierpagina’s 128 en 129, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] – zakelijk weergegeven – :

(pagina 128)

Op zaterdag 4 april 2020 omstreeks 21.30 uur, hoorden wij het operationeel centrum een melding uitgeven dat er een persoon met steekwonden op straat lag en dat hij niet meer bewoog. Wij boden onszelf aan om richting de plaats van het incident te gaan. Samen met een solo eenheid van Eindhoven Zuid kwamen wij ter plaatse. Wij hoorden dat het slachtoffer op de [straatnaam] ter hoogte van nummer [huisnummer] zou liggen.

Via de trappenhal hebben wij ons de toegang verschaft tot de galerij waar de

voordeur van de [woonadres slachtoffer] zich bevindt. Ik, [verbalisant 1] , zag bij het openen van de toegangsdeur, op ongeveer twee à drie meter vanaf de deur, een manspersoon op zijn rug liggen tegen de reling. Wij hebben de eerste hulp opgestart bij het slachtoffer, naar later bleek, [slachtoffer] . Ik, [verbalisant 1] , zag dat er ter hoogte van het hart een steekwond zat. Ik zag dat het slachtoffer geen adem haalde en ik voelde geen hartslag.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 april 2020, dossierpagina’s 126 en 127, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] – zakelijk weergegeven – :

(pagina 126)

Portofonisch kreeg ik van het Operationeel Centrum de melding dat er een steekpartij had plaatsgevonden op de [woonadres slachtoffer] . Omstreeks 21:35 uur kwam ik ter plaatse op dit adres. Ik kwam hier gelijktijdig met de collega's [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent van de Politie Eenheid Oost-Brabant.

Wij zagen dat er een man op de galerij op de grond lag. Wij zagen dat hij met zijn hoofd naar het trappenhuis lag, en met zijn benen richting het adres [woonadres slachtoffer] . Wij zagen hier ook een plas bloed liggen. Wij hebben het slachtoffer vervolgens verplaatst naar het midden van de galerij, om zo meer werkruimte voor het toepassen van eerste hulp te creëren.

3. Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, inhoudende het pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood d.d. 9 april 2020 met bijlage, dossierpagina’s 335 tot en met 346 – zakelijk weergegeven – :

(pagina 339)

Er werd links voorwaarts aan de borst 1 steekletsel (sub 5) vastgesteld dat bij leven is ontstaan door uitwendig mechanisch snijdend en perforerend geweld, zoals

opgeleverd kan worden door het steken met een scherprandig voorwerp zoals een

mes. Hierbij was er onder andere perforatie van de linkerborstholte, het hartzakje,

het hart en een kransslagader. Perforatie van het hart heeft geleid tot bloedophoping in het hartzakje (harttamponade), hetgeen de pompfunctie van het hart belemmert. Perforatie van een borstholte gaat tevens gepaard met ademhalingsfunctiestoornissen en perforatie van een kransslagader kan aanleiding

geven tot hartfunctiestoornissen. De combinatie van bovengenoemde hartfunctie- en ademhalingsfunctiestoornissen, eventueel met een bijdrage van bloedverlies (sub 6), verklaart het overlijden.

Conclusie:

Het overlijden van [slachtoffer] , 32 jaren oud geworden, wordt verklaard door

de gevolgen van 1 steekletsel aan de borst links.

4. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 31 januari 2022, voor zover inhoudende als zijn verklaring – zakelijk weergegeven – :

[slachtoffer] kwam op mij af. Hij sloeg en schopte mij. Wij stonden tegenover elkaar. Ik weerde mij af met mijn linker bovenarm en pakte met mijn rechterhand het mes uit mijn jaszak. Vervolgens maakte ik een onderhandse steekbeweging naar voren toe en raakte ik hem met het mes. Ik hoorde dat hij zei: “Au.”

Het mes waarmee ik stak, was een vlindermes.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte vol opzet had op de dood van het slachtoffer [slachtoffer] en voorts dat uit één enkele ongerichte steekbeweging in de gegeven bijzondere omstandigheden niet zonder meer kan worden afgeleid dat er sprake was van voorwaardelijk opzet. De aanmerkelijke kans op dodelijk letsel is door de verdachte niet bewust aanvaard. Daarnaast is de verdachte zich niet bewust geweest van het bestaan van de aanmerkelijke kans op de dood.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat de verdachte [slachtoffer] op 4 april 2020 in Eindhoven van het leven heeft beroofd door hem met een mes in het hart te steken.

Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde doodslag moet het hof de vraag beantwoorden of de verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

De verdachte heeft verklaard dat hij, terwijl hij met [slachtoffer] in een worsteling verkeerde, zich met zijn linkerarm verweerde tegen het slaan en schoppen van [slachtoffer] en met zijn rechterhand het mes uit zijn jaszak pakte en daarmee een onderhandse steekbeweging maakte in de richting van [slachtoffer] en hem raakte. Hij heeft verder verklaard dat het niet zijn bedoeling was om [slachtoffer] te doden. Hij wilde hem slechts afschrikken en op afstand houden.

Het hof kan uit de verklaring van de verdachte en de overige stukken in het dossier niet afleiden dat de verdachte [slachtoffer] willens en wetens heeft gedood. Met de verdediging is het hof dan ook van oordeel dat van ‘vol opzet’ op de dood geen sprake is.

De vraag die het hof vervolgens dient te beantwoorden is of de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] .

Om voorwaardelijk opzet te kunnen aannemen dient allereerst te worden nagegaan of er een aanmerkelijke kans was op het overlijden van [slachtoffer] . Het hof betrekt daarbij dat de verdachte tijdens een worsteling/gevecht met [slachtoffer] , terwijl zij met de gezichten naar elkaar toe stonden en zich ten opzichte van elkaar op een korte afstand bevonden, een onderhandse steekbeweging naar voren met een vlindermes heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer] en hem daarbij in het hart heeft geraakt. Het behoeft geen verdere uitleg dat het hart een uiterst kwetsbaar en vitaal orgaan is. Wanneer een persoon op die plaats door een mes wordt getroffen, is de kans op het overlijden van die persoon naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten.

Het hof dient vervolgens te beoordelen of de verdachte deze aanmerkelijke kans op dodelijk letsel ook bewust heeft aanvaard. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte, het steken met een mes in de richting van het bovenlichaam van een persoon, waar zich het hart en diverse andere vitale organen bevinden, die zich op korte afstand bevindt, kan het niet anders dan dat de verdachte op dat moment willens en wetens de kans heeft aanvaard dat dodelijk letsel bij [slachtoffer] zou kunnen ontstaan. Van aanwijzingen van het tegendeel is het hof niet gebleken. Dat de verdachte werd aangevallen door [slachtoffer] en als gevolg daarvan ongericht heeft gestoken, zoals de raadsman stelt, doet hier niet aan af. Het hof verwerpt aldus de verweren van de raadsman.

Resumerend is het hof van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood

van [slachtoffer] en acht het hof de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met een ander de doodslag heeft gepleegd en dat hij meermalen een steekbeweging heeft gemaakt. Daarvoor bevindt zich onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het procesdossier. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Noodweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.

De verdachte heeft verklaard dat hij bij het openen van de deur van het trappenhuis naar de galerij [slachtoffer] in de deuropening van zijn woning zag staan met zijn handen op zijn rug. De verdachte is vervolgens op [slachtoffer] afgelopen. Twee of drie meter voor de hoek van de galerij zag de verdachte dat [slachtoffer] , met in zijn handen een wapen en een busje pepperspray, op hem af kwam. De verdachte kreeg meteen pepperspray in zijn ogen gespoten en werd vervolgens geschopt en geslagen door [slachtoffer] . Er ontstond een worsteling. De verdachte kon niets meer zien als gevolg van de pepperspray, raakte in paniek en dacht dat hij gedood zou worden. Verdachte heeft vervolgens zijn mes uit zijn zak gehaald en [slachtoffer] hiermee één keer gestoken om zichzelf te verdedigen. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij niet kon/durfde (te) vluchten, omdat hij dan zijn rug naar [slachtoffer] moest toekeren en hij niet wist wat er dan zou gebeuren, nu [slachtoffer] een pistool had.

Het hof stelt het volgende voorop.

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een “ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding”. Van een “ogenblikkelijke” aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo’n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces - op de grond “culpa in causa” -, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal wapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende (vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456).

Het hof overweegt als volgt.

Het hof dient in de eerste plaats te beoordelen of de feitelijke toedracht die de verdediging aan het beroep op noodweer ten grondslag heeft gelegd aannemelijk is geworden.

Het hof stelt in dit verband vast dat de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd met betrekking tot de plaats op de galerij waar een en ander zich heeft afgespeeld wisselen en op relevante onderdelen onvoldoende steun vinden in het procesdossier. Het hof merkt hierbij op dat het een L-vormige galerij betreft waarvan de eerste poot (van de deur van het trappenhuis tot de muur) ongeveer 9,5 meter lang is en de tweede poot (van de hoek tot en met de voordeur van de woning van [slachtoffer] ) ongeveer 4,5 meter lang is. De verdachte plaatst zichzelf in de verschillende verhoren twee à drie meter voor de tweede poot, op de hoek van de tweede poot, voorbij die hoek en zelfs vlak bij de voordeur van [slachtoffer] . Uit het sporenbeeld uit het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en de verklaring van de getuige [getuige 1] (alsook de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] ) volgt echter dat de verdachte is blijven staan bij de toegangsdeur van het trappenhuis naar de galerij, dat [slachtoffer] op de verdachte is afgelopen en dat de verdachte en [slachtoffer] vlak bij de toegangsdeur naar het trappenhuis in een worsteling terecht zijn gekomen waarbij [slachtoffer] door verdachte in zijn hart is gestoken.

Het hof stelt verder vast dat de verklaring van de verdachte met betrekking tot het spuiten van pepperspray in zijn gezicht, waardoor hij bijna niets meer kon zien, eveneens onvoldoende steun vindt in het procesdossier. Het hof stelt vast dat de getuige [getuige 1] in dit verband niets heeft verklaard (anders dan dat de verdachte zei dat hij last had van zijn mond), dat het onderzoek naar het aangetroffen busje pepperspray slechts heeft opgeleverd dat er hoogstens 3 gram uit het busje verdwenen is, dat de getuige [getuige 4] de verdachte na het incident met twee treden tegelijk de trap heeft zien afrennen en dat de verdachte vervolgens in zijn auto is gestapt en is weggereden, hetgeen niet past bij de verklaring van verdachte dat hij vlak daarvoor “gepepperd” was en bijna niets meer kon zien.

Gelet op het bovenstaande is het hof dan ook van oordeel dat de feitelijke toedracht die de verdachte aan het beroep op noodweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk is geworden. Dit betekent echter niet dat het hof het beroep op noodweer zonder meer verwerpt.

Het hof stelt ambtshalve op basis van het dossier de hierna volgende feiten vast. Het hof baseert deze vaststelling met name op de verklaringen van getuige [getuige 1] , de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict en het proces-verbaal bevindingen met betrekking tot de camerabeelden. De verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] worden door het hof slechts gebruikt voor zover deze verklaringen overeenkomen met de verklaring van de getuige [getuige 1] en de hiervoor genoemde processen-verbaal. Het hof acht de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] voor het overige onbetrouwbaar gelet op het feit dat beide getuigen op diverse onderdelen niet naar waarheid hebben verklaard dan wel op belangrijke onderdelen geen dan wel moeizaam openheid van zaken hebben willen geven.

De verdachte is op 4 april 2020 samen met [getuige 1] naar de woning van [slachtoffer] gegaan. De verdachte heeft, voordat hij vertrok, een mes in zijn jaszak gestopt. [getuige 1] is als eerste de galerij (op de derde verdieping) opgestapt en heeft [slachtoffer] , die op dat moment in de deuropening van zijn woning stond, aangesproken. De verdachte stond op dat moment op de galerij bij de deur van het trappenhuis. [slachtoffer] is vervolgens op de verdachte afgelopen en heeft [getuige 1] daarbij gepasseerd. [slachtoffer] had op dat moment zowel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp als een busje pepperspray bij zich. De verdachte heeft [slachtoffer] op zich af zien komen met dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp en dat busje pepperspray. De verdachte wist op dat moment niet dat het geen echt vuurwapen was en kon dit ook niet weten. [slachtoffer] en de verdachte zijn op de galerij nabij de deur van het trappenhuis met elkaar in een worsteling geraakt waarbij beiden elkaar hebben geschopt en geslagen en waarbij de verdachte [slachtoffer] op enig moment met het mes in zijn hart heeft gestoken. De verdachte en [getuige 1] zijn hierna meteen vertrokken. Tussen het moment waarop de verdachte en [getuige 1] het flatgebouw inliepen en weer uitliepen zit ongeveer 3 minuten.

[getuige 1] heeft verder verklaard dat [slachtoffer] , op het moment dat hij nog bij zijn voordeur stond, richting de verdachte heeft geroepen “ik schiet je kapot, wat denk je wel niet”. [getuige 1] zag dat [slachtoffer] op dat moment een vuurwapen in zijn hand had. [slachtoffer] heeft volgens [getuige 1] met het vuurwapen geschoten in de richting van de verdachte. Enkele dagen later zijn in het trappenhuis twee balletjes aangetroffen (Golden Devils) die soortgelijk waren als de ballistische balletjes die in de woning van [slachtoffer] zijn aangetroffen. Het hof merkt in dit verband op dat de verdachte niet lijkt te hebben meegekregen dat [slachtoffer] hem heeft bedreigd en evenmin dat [slachtoffer] op hem heeft geschoten. De verdachte heeft enkel verklaard dat hij mogelijk iets heeft horen langs suizen. Het hof neemt de door [slachtoffer] geuite bedreiging en het schieten dan ook niet mee bij de beoordeling van het noodweerverweer.

Het hof komt vervolgens toe aan de vraag of voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond.

Op grond van de voornoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte, waartegen verdachte zich mocht verdedigen.

Het hof is voorts van oordeel dat de verdediging door de verdachte tegen de aanranding van [slachtoffer] noodzakelijk was. Hoewel niet uitgesloten is dat verdachte zich had kunnen onttrekken door terug het trappenhuis in te stappen, concludeert het hof – anders dan de rechtbank – dat dit voor de verdachte onder de gegeven omstandigheden geen reële en redelijke mogelijkheid betrof, dan wel dat in ieder geval niet van de verdachte kon worden gevergd dat hij zou vluchten. De verdachte had zich immers in dat geval op de galerij moeten omdraaien om te vluchten terwijl [slachtoffer] gewapend met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op hem af kwam. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het hele gebeuren zich in een zeer kort tijdsbestek heeft afgespeeld en dat de verdachte niet veel tijd had om na te denken. Het hof hecht in dit verband verder waarde aan de verklaring van [getuige 1] die op de vraag of de verdachte makkelijk weg kon komen heeft verklaard: “Als ik heel eerlijk ben, zeg ik nee. Hoe graag ik ook ja zeg, het is niet zo.”

Het hof is verder van oordeel dat de gekozen gedraging van de verdachte – als verdedigingsmiddel – niet in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Het eenmalig steken met een mes is naar het oordeel van het hof niet disproportioneel gelet op de omstandigheid dat hij werd aangevallen door [slachtoffer] die een op een vuurwapen gelijkend voorwerp ter hand had.

Het hof is verder – anders dan de rechtbank – van oordeel dat de gedragingen van verdachte niet aangemerkt kunnen worden als aanvallend. Het was [slachtoffer] die gewapend op verdachte afkwam en niet andersom. Het hof is voorts van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de verdachte voordat hij naar de woning van [slachtoffer] is gegaan als voorzorgsmaatregel een mes in zijn jaszak heeft gestoken, omdat hij een agressieve reactie van [slachtoffer] verwachtte, niet aan een geslaagd beroep op noodweer in de weg staat. Dat had het geval kunnen zijn als de verdachte de aanval van [slachtoffer] /de gewelddadige reactie van [slachtoffer] zou hebben uitgelokt door provocatie, maar daarvan is naar het oordeel van het hof niet gebleken. Er is zodoende geen sprake van een omstandigheid die in de wegstaat aan het slagen van een beroep op noodweer, ook wel “culpa in causa” genoemd. Dat de verdachte op een eerder moment [slachtoffer] mogelijk zou hebben bedreigd, maakt dat oordeel niet anders.

Resumerend is het hof van oordeel dat er sprake was van een noodweersituatie en dat de verdachte binnen de grenzen van de noodzakelijke verdediging gehandeld heeft. Het bewezenverklaarde feit is daarmee niet strafbaar. De verdachte zal daarom ten aanzien van het hierboven bewezenverklaarde worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Nu het hof het mogelijke gebruik van de bus pepperspray door [slachtoffer] niet heeft laten meewegen in zijn beslissing tot ontslag van alle rechtsvervolging, is aan de voorwaarde die de advocaat-generaal verbond aan zijn verzoek tot het nader onderzoeken van de bus pepperspray niet voldaan. Het hof zal dan ook geen nader onderzoek gelasten.

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

Het hof zal de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk verklaringen in hun vorderingen tot schadevergoeding, nu het hof de verdachte voor het bewezenverklaarde zal ontslaan van alle rechtsvervolging en de verdachte daarom geen straf of maatregel zal opleggen.

Vordering tenuitvoerlegging van het parketnummer 01-009080-18

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Oost-Brabant van 28 mei 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen, nu zij de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde zal ontslaan van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

- verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

- wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Oost-Brabant van 19 mei 2020, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 28 mei 2018, parketnummer 01009080-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Aldus gewezen door:

mr. S.V. Pelsser, voorzitter,

mr. G.J. Schiffers en mr. N. van der Laan, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.K. Klompe, griffier,

en op 14 februari 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. N. van der Laan is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

1 Hieronder wordt, voor zover niet anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde [procesdossier] , aantal doorgenummerde bladzijden 382 en bestaande uit twee delen. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.