Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:3182

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-09-2022
Datum publicatie
06-10-2022
Zaaknummer
200.304.883_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voldaan aan voorwaarden partneradoptie. Kind heeft niets meer van (oorspronkelijke) adoptievader te verwachten. (Oorspronkelijke) adoptievader maakt misbruik van zijn vetorecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 15 september 2022

Zaaknummer: 200.304.883/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/291873 / FA RK 21-1747

in de zaak in hoger beroep van:

[de adoptievader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de adoptievader,

advocaat: mr. J.E. Kötter,

tegen

[de stiefvader] ,

en

[de moeder] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

verweerders in hoger beroep,

hierna te noemen: de stiefvader respectievelijk de moeder,

advocaat: mr. A.A.M. Schutte.

Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (Ethiopië).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 12 oktober 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 januari 2022, heeft de adoptievader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de stiefvader en de moeder alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in hun verzoek(en), dan wel dat het (de) verzoek(en) van de stiefvader en de moeder alsnog worden afgewezen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 10 maart 2022, hebben de stiefvader en de moeder verzocht om de adoptievader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoek als ongegrond en/of onbewezen te ontzeggen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juli 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de adoptievader, bijgestaan door mr. Kötter;

  • -

    de stiefvader en de moeder, bijgestaan door mr. Schutte;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 29 juni 2022. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de adoptievader op 21 januari 2022;

  • -

    het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de adoptievader op 4 februari 2022;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de stiefvader en de moeder op 11 juli 2022.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

De adoptievader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest.

3.2.

De adoptievader en de moeder hebben [minderjarige] op 16 mei 2007 geadopteerd.

3.3.

Bij beschikking van 27 juli 2010 heeft de rechtbank Breda tussen de adoptievader en de moeder de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 7 oktober 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.4.

De moeder is op 2 mei 2013 gehuwd met de stiefvader.

[minderjarige] woont bij de moeder en de stiefvader.

3.5.

Bij beschikking van 11 december 2013, zoals hersteld bij beschikking van 30 december 2013, heeft de rechtbank Oost-Brabant de hiervoor genoemde beschikking van de rechtbank Breda van 27 juli 2010 en het tussen partijen gesloten en op 12 mei 2010 ondertekende ouderschapsplan, voor wat betreft het gezag en de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, gewijzigd en:

  • -

    het gezamenlijk gezag van de adoptievader en de moeder over [minderjarige] beëindigd en bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen de moeder toekomt;

  • -

    de adoptievader het recht op omgang met [minderjarige] voor onbepaalde tijd ontzegd.

3.6.

Bij Koninklijk Besluit van 13 maart 2019 is de geslachtsnaam van [minderjarige] gewijzigd in [naam stiefvader] (de naam van de stiefvader).

3.7.

Bij beschikking van 16 september 2020 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, de verzoeken van de adoptievader die waren gebaseerd op artikel 1:377b van het Burgerlijk Wetboek (BW) afgewezen en bepaald dat lid 1 van artikel 1:377b BW in het belang van [minderjarige] buiten toepassing blijft.

3.8.

Bij beschikking van 29 juli 2021 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch voornoemde beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 16 september 2020 bekrachtigd.

De procedure in eerste aanleg

3.9.

De stiefvader en de moeder (tevens in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] ) hebben in eerste aanleg de rechtbank verzocht:

  • -

    primair: de (partner)adoptie uit te spreken over [minderjarige] door de stiefvader;

  • -

    subsidiair: de adoptie van [minderjarige] door de adoptievader te herroepen en de partneradoptie uit te spreken over [minderjarige] door de stiefvader.

3.10.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de (partner)adoptie van [minderjarige] door de stiefvader uitgesproken en het meer of anders verzochte afgewezen

De procedure in hoger beroep

3.11.

De adoptievader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.12.

De adoptievader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling -samengevat- het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat redelijkerwijs te voorzien is dat [minderjarige] voor de toekomst niets meer van de adoptievader in zijn hoedanigheid van ouder te verwachten heeft én dat de adoptievader daar blijkbaar ook wel rekening mee houdt gelet op zijn stelling dat [minderjarige] als hij 18 jaar is zelf om herroeping van de adoptie kan verzoeken. [minderjarige] heeft altijd het nodige van de adoptievader kunnen verwachten. Deze verwachtingen zijn echter veelvuldig afgehouden door de moeder. De adoptievader heeft niet de gelegenheid gehad om, na het feitelijk uiteengaan en zijn detentie, een daadwerkelijke vaderrol voor [minderjarige] te vervullen. Hij heeft ook nog in 2020 een procedure gestart bij de rechtbank en daarbij verzocht om een informatieregeling vast te stellen. De adoptievader heeft veel begrip voor de moeilijke situatie van [minderjarige] . Hij zou [minderjarige] hierbij graag willen helpen. De adoptievader heeft hiertoe ook de mogelijkheden. Hij heeft al jaren een goed inkomen en een stabiele partner.

De rechtbank heeft verder ten onrechte geoordeeld dat de adoptievader de wens van [minderjarige] niet serieus neemt en dat hij het belang van [minderjarige] miskent, waardoor de rechtbank ten onrechte concludeert dat de adoptievader misbruik maakt van zijn vetorecht door zich daarop te beroepen, nu hij gelet op de onevenredigheid tussen het door hem gestelde belang bij de uitoefening van zijn vetorecht en het belang van [minderjarige] bij de adoptie niet tot uitoefening van dat recht had kunnen komen. Deze procedure kan voorkomen dat de basis van [minderjarige] -ontstaan door de adoptie in 2007- wordt vernietigd. Verder heeft de adoptievader de mening van [minderjarige] altijd serieus genomen. De visie van [minderjarige] wordt echter ten onrechte telkens gepresenteerd als een zeer stellige mening. Daarbij wordt geen acht geslagen op het feit dat [minderjarige] nog minderjarig is. De adoptievader vindt het van belang dat [minderjarige] , zeker als het gaat om een uitzonderlijk fundamentele beslissing als adoptie, zelf een zeer overwogen beslissing kan nemen, waartoe hij pas in staat is op het moment dat hij volwassen is. Verder staat de huidige mening van [minderjarige] , inhoudende dat hij niets (meer) met de adoptievader te maken wenst te hebben, haaks op de bevindingen van psychiater [psychiater] van [instantie] . [minderjarige] heeft destijds bij deze psychiater verklaard dat hij goede herinneringen aan de adoptievader had. De huidige mening van [minderjarige] vloeit voort uit de (onjuiste) informatie die hij nadien van de moeder en de stiefvader over de adoptievader heeft ontvangen.

De rechtbank is tot slot ten onrechte niet ingegaan op de overige door de adoptievader gevoerde verweren, meer in het bijzonder op het niet-ontvankelijkheidsverweer. De rechtbank had de moeder en stiefvader niet-ontvankelijk moeten verklaren in het subsidiaire verzoek, omdat niet voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:231 lid 2 BW. Verder komt de rechtbank bij de beoordeling van de zaak ten onrechte vrijwel onmiddellijk tot de conclusie dat er sprake zou zijn van misbruik van het vetorecht door de adoptievader, waarna een verdere bespreking van de door de adoptievader aangevoerde feiten en verweren uitblijft.

3.13.

De stiefvader en de moeder voeren in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling -samengevat- het volgende aan.

De grieven van de adoptievader slagen niet. De adoptievader onderbouwt grief 1 met opmerkingen over het verleden, terwijl het gaat om de vraag of [minderjarige] in de toekomst niets meer van de adoptievader te verwachten heeft. Hij voert daarover enkel aan dat hij [minderjarige] graag wil helpen met zijn moeilijke situatie en dat zijn persoonlijke omstandigheden zijn gewijzigd. Waarom die persoonlijke omstandigheden maken dat [minderjarige] in de toekomst nog iets van de adoptievader als ouder te verwachten heeft, wordt niet toegelicht. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [minderjarige] niets meer van de adoptievader als ouder te verwachten heeft. De adoptievader stuurt al sinds 2018 geen kaartjes meer en hij heeft sinds 2013 niet meer bijgedragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Verder heeft de rechtbank in verschillende procedures geoordeeld dat het in het belang van [minderjarige] moet worden geacht dat de adoptievader geen ouderlijk gezag meer over [minderjarige] heeft, hij geen omgang met [minderjarige] heeft en dat hij niet door de moeder over [minderjarige] hoeft te worden geïnformeerd.

De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat de adoptievader de wens van [minderjarige] niet serieus neemt en dat hij het belang van [minderjarige] miskent. De adoptievader suggereert door zijn stelling dat de mening van [minderjarige] tot stand is gekomen door eenzijdige informatieverstrekking vanuit de moeder en de stiefvader en dat [minderjarige] ’ mening daarom niet deugdelijk kan zijn. Ook suggereert de adoptievader ten onrechte dat [minderjarige] door het syndroom van Gilles de la Tourette en zijn jonge leeftijd geen weloverwogen beslissing kan nemen. De adoptievader gaat daarmee volledig voorbij aan de meermaals genoemde vroege volwassenheid van [minderjarige] , juist door alles wat hij heeft meegemaakt en wat hij dagelijks moet doorstaan. Bij [minderjarige] is sprake van ernstige kindeigen problematiek. Hij volgt hiervoor een intensief therapietraject (hij heeft drie keer per week therapie) waardoor hij het komend schooljaar niet naar school kan; de stiefvader ondersteunt [minderjarige] hierin. De stiefvader is ook vaak tijdens de therapiesessies aanwezig om aan [minderjarige] een veilige haven te bieden. [minderjarige] is een intelligente jongen van 15 jaar oud en hij heeft in meerdere procedures zijn mening duidelijk verwoord en daarbij telkens dezelfde wens geuit. Verder gaat de adoptievader voorbij aan de verduidelijking die [minderjarige] tijdens het kindgesprek bij de rechtbank heeft gegeven, namelijk dat hij geen fijne herinneringen heeft aan de omgang met de adoptievader. Het is in het belang van [minderjarige] dat de stiefvader zijn juridische vader wordt.

De adoptievader onderbouwt verder niet waarom het door hem gestelde belang bij de uitoefening van zijn vetorecht prevaleert boven het belang van [minderjarige] bij adoptie. Voorts gaat de adoptievader niet in op het advies van de raad.

Bij grief 3 is sprake van een onbegrijpelijke onderbouwing. Het niet-ontvankelijkheidsver-weer van de adoptievader ziet op het verzoek tot herroeping van de adoptie, terwijl de rechtbank dat subsidiaire verzoek heeft afgewezen, omdat het primaire verzoek tot partneradoptie werd toegewezen. Voor het overige heeft de rechtbank het belang van [minderjarige] doorslaggevend geacht. Daarmee is de rechtbank expliciet en impliciet ingegaan op de verweren van de adoptievader.

3.14.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling -kort samengevat- het volgende verklaard.

De raad vindt de partneradoptie van [minderjarige] door de stiefvader in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is een kwetsbaar kind. Hij heeft moeten opgroeien zonder informatie over zijn identiteit omdat zijn biologische ouders onbekend zijn. [minderjarige] worstelt ermee dat er altijd onduidelijkheid zal bestaan over zijn identiteit. [minderjarige] beschouwt de stiefvader als zijn vader. Hij kan de consequenties van zijn wens overzien en hij wil dat de stiefvader ook in juridisch opzicht zijn vader wordt. [minderjarige] is intelligent en hij is al heel lang met dit proces bezig. Indien nog langer wordt gewacht met de adoptie dan kan [minderjarige] -gelet op zijn leeftijd- niet meer door de stiefvader worden geadopteerd. Het is in het belang van [minderjarige] dat de procedures stoppen.

3.15.

Het hof overweegt het volgende.

3.15.1.

Het hof stelt voorop dat in hoger beroep niet in geschil is dat aan de voorwaarde van artikel 1:227 lid 2 BW wordt voldaan. De stiefvader heeft ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het adoptieverzoek met de moeder samengeleefd.

3.15.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:227 lid 3 BW kan het verzoek tot adoptie alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW, wordt voldaan.

3.15.3.

Grief 1 van de adoptievader stelt aan de orde de vraag of voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [minderjarige] niets meer van de adoptievader in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Voor de beantwoording van die vraag is van belang of [minderjarige] wel of niet kan verwachten dat de adoptievader nog inhoud kan geven aan het ouderschap. Dat laatste impliceert het dragen van verantwoordelijkheid jegens het kind, onder meer ten aanzien van verzorging, opvoeding, aandacht, materiële zorg of uitoefening van het gezag. De beoordeling van die voorwaarde wordt gelet op de diversiteit van de gevallen overgelaten aan de rechter (Kamerstukken II 1999/2000, 26 673, nr. 3, p. 4, en nr. 5, p. 17). Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

3.15.4.

Het hof stelt op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep vast dat de adoptievader op dit moment zijn ouderrol niet vervult. Het gezag van de adoptievader over [minderjarige] is door de rechtbank beëindigd en de rechtbank heeft de adoptievader ook het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd. Voorts staat vast dat de adoptievader sinds 2013 niet heeft bijgedragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Mede gelet op genoemde feiten en omstandigheden acht het hof het aannemelijk dat [minderjarige] ook voor de toekomst niets meer van de adoptievader in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. De adoptievader heeft in hoger beroep weliswaar aangevoerd dat hij [minderjarige] bij zijn moeilijke situatie wil helpen, maar het hof acht dit onvoldoende. Hoewel het geven van aandacht één van de factoren vormt die bij de beoordeling van de vraag of de adoptievader in de toekomst een ouderrol voor [minderjarige] kan vervullen een rol speelt, acht het hof deze kwestie in dit specifieke geval niet doorslaggevend. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [minderjarige] vanwege zijn weerstand tegen de adoptievader niet open staat voor aandacht en hulp van de adoptievader. Daarbij komt dat bij [minderjarige] sprake is van ernstige kindeigen problematiek. Voor die problematiek volgt [minderjarige] een zeer intensief hulpverleningstraject. Dit traject zou, gelet op voorgaande, juist door aandacht van de adoptievader kunnen worden doorkruist. Niet valt in te zien waarom de overige argumenten van de adoptievader, inhoudende dat hij een stabiele partner en een goed inkomen heeft, ertoe dienen te leiden dat [minderjarige] voor de toekomst nog wel iets van de adoptievader in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Het goede inkomen van de adoptievader heeft er in ieder geval niet toe geleid dat hij de afgelopen jaren heeft bijgedragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De stelling van de adoptievader dat hij van de moeder niet de gelegenheid heeft gehad om, na hun feitelijk uiteengaan en na zijn detentie, een daadwerkelijke vaderrol te vervullen is door de moeder gemotiveerd betwist en door de adoptievader onvoldoende onderbouwd.
Grief 1 van de adoptievader faalt derhalve.

3.15.5.

Ingevolge artikel 1:228 lid 1 BW gelden voor adoptie (verder) de voorwaarden:

a. dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; hetzelfde geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;

b. dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant;

c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;

d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt;

e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;

f. dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed; indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder of adoptiefouder het kind adopteert en zij gezamenlijk het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed wordt de periode van een jaar voor de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel gerekend vanaf het moment van feitelijk gezamenlijk verzorgen en opvoeden;

g. dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben. Indien evenwel de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen of samen met voornoemde echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel het gezag heeft.

3.15.6.

Het hof stel voorop dat in hoger beroep niet in geschil is dat aan de voorwaarden voor de adoptie genoemd in de onderdelen (a) tot en met (c) en (e) tot en met (g) is voldaan. De discussie spitst zich toe op de voorwaarde genoemd in onderdeel (d) aangezien de adoptievader het verzoek tegenspreekt.

3.15.7.

Ingevolge artikel 1:228 lid 2 BW kan aan de tegenspraak van een ouder als bedoeld in het eerste lid, onder d, voorbij worden gegaan:

a. indien het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd; of

b. indien de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd; of

c. indien de ouder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof stelt vast dat niet aan de gronden genoemd in artikel 1:228 lid 2 onder a, b en c BW is voldaan.

3.15.8.

Uit de Parlementaire geschiedenis blijkt dat naast de in lid 2 genoemde gronden de mogelijkheid blijft bestaan om de tegenspraak van een ouder te passeren op de grond dat hij van de bevoegdheid tot tegenspraak misbruik maakt (artikel 3:13 in samenhang met artikel 3:15 BW). Zie ook Hoge Raad 21 februari 2003, NJ 2003, 214.

Bij de beoordeling van de vraag of de adoptievader in deze zaak misbruik van zijn vetorecht maakt moet het volgende worden vooropgesteld.

Het vetorecht is aan de adoptievader toegekend omdat adoptie door de stiefvader het voor hem ingrijpende gevolg heeft dat de tussen hem en zijn kind bestaande familierechtelijke betrekkingen wordt beëindigd. Niettemin behoort de adoptievader bij het uitoefenen van deze bevoegdheid het belang van [minderjarige] zwaar te laten wegen.

3.15.9.

Het hof stelt vast dat [minderjarige] reeds sinds 2011 mede door de stiefvader wordt opgevoed, waarbij de stiefvader -vanwege de kindeigen problematiek van [minderjarige] - veel zorg en tijd aan [minderjarige] besteedt. Zo staat vast dat de stiefvader een aanzienlijk aandeel in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] voor zijn rekening neemt. Ook hebben de moeder en de stiefvader tijdens de mondelinge behandeling -onweersproken- verklaard dat de stiefvader een belangrijke rol speelt in het intensieve therapietraject dat [minderjarige] volgt. De stiefvader is onder meer vaak tijdens de therapiesessies aanwezig om aan [minderjarige] een veilige haven te bieden. Daarnaast blijkt uit de stukken dat [minderjarige] reeds sinds omstreeks 2013 geen contact meer met de adoptievader heeft. Verder acht het hof van belang dat [minderjarige] herhaaldelijk te kennen heeft gegeven dat hij door de stiefvader wenst te worden geadopteerd, de band met de adoptievader wenst te verbreken en dat [minderjarige] ’ geslachtsnaam bij Koninklijk Besluit van 13 maart 2019 is gewijzigd in [naam stiefvader] , zijnde de geslachtsnaam van de stiefvader.

De adoptievader heeft gesteld dat hij zich bij de inroeping van zijn vetorecht heeft laten leiden door de belangen van [minderjarige] . De adoptievader wil met de uitoefening van zijn vetorecht voorkomen dat de basis van [minderjarige] -ontstaan door de adoptie in 2007- wordt vernietigd en dat [minderjarige] mogelijk in de toekomst spijt krijgt van zijn huidige wens om geadopteerd te worden door de stiefvader. Gelet op de onevenredigheid tussen het door hem gestelde belang bij de uitoefening van zijn vetorecht en het belang van [minderjarige] bij de adoptie, had de adoptievader in redelijkheid niet tot uitoefening van dat recht kunnen komen. Naast de hiervoor genoemde omstandigheden, neemt het hof voor dit oordeel nog in aanmerking dat in de regel het belang van een kind om door de adoptant te worden geadopteerd toeneemt naar mate het door hem langer is verzorgd en opgevoed (vgl. HR 27 oktober 2000, NJ 2001, 104). [minderjarige] , die nu 15 jaar is, wordt vanaf zijn 5e jaar door de stiefvader (met de moeder) verzorgd en opgevoed en heeft de uitdrukkelijke wens om dit zo te laten tot zijn 18e jaar, met uitsluiting van de adoptievader. Het hof is op grond van voormelde feiten en omstandigheden met de rechtbank van oordeel dat de adoptievader misbruik maakt van zijn vetorecht door zich daarop te beroepen. Grief 2 van de adoptievader faalt.

3.15.10.

Ook grief 3 van de adoptievader faalt. Omdat de rechtbank het primaire verzoek van de stiefvader heeft toegewezen, is de rechtbank terecht niet meer toegekomen aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek omdat hier ieder belang voor ontbreekt.

3.16.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder 7.1. naar het oordeel van het hof terecht overwogen dat de moeder in het primaire verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard (en onder 7.5. overwogen dat zij het primaire verzoek van de stiefvader zal toewijzen). Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen op het punt waar het primaire verzoek van de moeder is afgewezen en de moeder alsnog niet-ontvankelijk verklaren in haar primaire verzoek in eerste aanleg.

Voor het overige zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 12 oktober 2021, behoudens voor zover daarbij het primaire verzoek van de moeder is afgewezen;

verklaart de moeder alsnog niet-ontvankelijk in haar primaire verzoek in eerste aanleg;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en P.M.M. Mostermans en is in het openbaar uitgesproken door mr. E.L. Schaafsma-Beversluis op 15 september 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.