Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:3165

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
16-09-2022
Zaaknummer
20-001813-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001813-20

Uitspraak : 3 augustus 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 augustus 2020, in de strafzaak met parketnummer 02-167850-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is het onder 1 primair tenlastegelegde (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet), het onder 2 tenlastegelegde (overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994) en het onder 3 tenlastegelegde (overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994) bewezenverklaard en is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Daarnaast is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 36 maanden opgelegd. De tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest, dient daarop in mindering te worden gebracht.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.

De verdediging heeft verder een verweer met betrekking tot de strafoplegging gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de bewijsvoering, de kwalificatie van het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde, de opgelegde straf en de opsomming van de toepasselijke wettelijke voorschriften.

De bewijsvoering en overwegingen omtrent het bewijs behoeven, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling.

Het door de rechtbank onder 2.10 (pg. 12 van het vonnis) opgenomen bewijsmiddel, te weten de Verkeers Ongevallen Analyse (pg. 186-201 van het politiedossier), dient te worden aangevuld met de volgende passage:

Er zijn op de plaats ongeval geen sporen of aanwijzingen aangetroffen waaruit zou kunnen blijken dat de bestuurder van de personenauto een (nood)remming zou hebben uitgevoerd.

Daarnaast doet het hof de volgende aanvulling. Het hof neemt op de afbeeldingen op pg. 189 van het politiedossier, te weten het topografisch overzicht van de plaats van het ongeval (LatLon 51 624307, 4 412373), waar dat het ongeval heeft plaatsgevonden op geruime afstand van een (komende vanuit [plaats] ) in de Noordzeedijk gelegen S-bocht. Het hof schat aan de hand van de open bron ‘Google-maps’ de afstand op 400 meter. Op de plaats van het ongeval is sprake van een rechte weg. Uitgaande van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, duurt het ongeveer 18 seconden om de afstand tussen de S-bocht en de plaats van het ongeval af te leggen.

Het door de rechtbank onder 2.11 (pg. 12 van het vonnis) opgenomen bewijsmiddel, te weten het proces-verbaal Forensisch voertuigonderzoek (pg. 219-255 van het politiedossier), dient te worden aangevuld met de volgende passage:

2.3.2 Schade aan de fiets

Wij zagen aan de fiets de volgende mogelijk relevante schade:

- rechter achterwiel gebroken/verbogen, buitenband geheel los van de velg

- bagagerek achterzijde verbogen

- zadel scheef

- frame ontzet

- spatbord rechter achterwiel in diverse stuken gebroken

- zwarte veeg op rechterzijde bagagerek

2.3.5 Controle verlichting achterzijde fiets

Door mij, Schrijver werd de werking van het achterlicht van de fiets gecontroleerd. Dit achterlicht kon naar behoren werken.

Naast de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 3 bewezenverklaarde mede te berusten op:

1. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 20 februari 2019 (pg. 67), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1]:

In verband met een ongeval wat in de nacht van 21 op 22 april 2018 heeft plaatsgevonden vraagt u mij of ik iets kan vertellen over de alcoholconsumptie van [verdachte] die nacht in café [café] te [plaats] . Ik werk in dat café. Die nacht stond ik achter de bar en gaf ik de consumpties uit. Ik ken [verdachte] goed.
Op zaterdag 22 april 2018 kwam [verdachte] samen met een paar vrienden tussen 23.00 en 24.00 uur in het café. Ik weet dat [verdachte] die nacht in het café meerdere Baco's, (Bacardi Cola) heeft gedronken. Ik weet sowieso dat hij drie Baco's zelf heeft gehaald. Eén van zijn vrienden, [betrokkene 1] , heeft ook nog regelmatig Bacardi Cola gehaald, zijn vriend [betrokkene 2] heeft meerdere keren bier gehaald.
Ik merkte aan [verdachte] dat hij behoorlijk gedronken had. Toen hij die nacht een Baco’tje kwam halen zag ik dat [verdachte] dronken was. Ik zei toen tegen [verdachte] : "Je gaat toch niet meer rijden zeker?"
Normaal is [verdachte] best heel rustig. Nu praatte hij veel en deed lacherig. Die avond was hij losser en vrolijker dan anders.
Ik weet dat hij niet meer in staat was om te rijden.

2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 12 februari 2019 (pg. 100-102), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [getuige 2]:

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord getuige

V: Waar was u die nacht?

A: In café [café] in [plaats] .

V: Hoe laat kwam u in het café?

A: Ik kwam om ongeveer 22.00 uur in het café.

V: Hoe laat bent u uit het café vertrokken?

A: Omstreeks 02.30 uur.

V: Kent u [verdachte] ?

A: (...) ik ken hem al langer van gezicht omdat hij ook bijna ieder weekend in [café] komt. Hij is later binnen gekomen. Ik zag dat [verdachte] regelmatig bier dronk.

V: Heeft u gezien wat en hoeveel [verdachte] in de tijd dat u in het café was, gedronken heeft?

A: [verdachte] heeft over de hele tijd dat wij er waren met regelmaat bier gedronken. Het waren grote glazen, niet van die kleine fluitjes.

V: Kan het kloppen dat [verdachte] die avond niet meer dan twee biertjes in [café] heeft gedronken?

A: Dat klopt niet, dat weet ik zeker. Dat waren er meer.

3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 februari 2019 (pg. 103-105), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [getuige 3]:

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord getuige

V: Weet u van het ongeval wat op 22-4-2018 heeft plaatsgevonden?

A: Ja, ik heb daar later van gehoord.

V: Waar was u die nacht?

A: In café [café] in [plaats] . Ik kwam daar omstreeks 22 uur en ben omstreeks 03 uur vertrokken.

V: Kent u [verdachte] ?

A: Ja, ik ken hem van gezicht.

V: Heeft u gezien welke en hoeveel consumpties [verdachte] in de tijd dat u in het café was, gedronken heeft?

A: Wat ik daar van gezien heb is dat hij wel continu een biertje dronk.

V: Als [verdachte] zegt dat hij die nacht in het café twee biertjes heeft gedronken, klopt dat dan volgens u?

A: Nee, dat zijn er beslist meer dan twee geweest. U vraagt of ik een schatting kan maken. Ik schat 6 à 8.

4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 februari 2019 (pg. 106-108), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [getuige 4]:

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord getuige

V: Weet u van het ongeval wat op 22-4-2018 heeft plaatsgevonden?

A: Ja, daar heb ik achteraf van gehoord.

V: Waar was u die nacht?

A: In café [café] in [plaats] . Ik kwam daar ergens rond 22 – 22:30 uur en ben daar vertrokken rond 02 – 02:30 uur.

V: Als [verdachte] [ [verdachte] ; hof] zelf zegt dat hij die nacht twee biertjes heeft gedronken, kan dat dan kloppen?

A: Nee, dat zijn er meer geweest. (...) Ik denk dat het er zeker meer dan zes zijn geweest.

5. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 2 maart 2019 (pg. 112-113), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [getuige 5]:

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord getuige

Ik was op 22 april 2018 in café [café] . Ik kwam daar zaterdagavond tussen 21 en 21:30 uur en ben daar vertrokken om ongeveer 03:30 uur.

V: Heb je gezien welke en hoeveel consumpties [verdachte] in de tijd dat u in het café was, gedronken heeft?

A: (...) hij heeft de hele avond wel bier gedronken.

V: Als [verdachte] zegt dat hij die nacht in het café twee biertjes gedronken heeft, klopt dat dan?

A: Nee, dat zijn er meer geweest. Hij is best een poos in het café geweest en heeft de hele avond door gedronken.

V: Achtte je hem in staat nog veilig met een auto aan het verkeer deel te nemen? Zo niet, waarop baseert u dat?

A: Nee, gezien de hoeveelheid die hij heeft gedronken, was dat te veel om nog te gaan rijden.

6. De eigen waarneming van het hof op de foto (pg. 25) die als bijlage is gevoegd bij het proces-verbaal van aanrijding d.d. 4 april 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , inhoudende:

Het hof neemt waar dat (een deel van) het frame, de velgen van de wielen, de koplamp en een onderdeel aan de achterzijde van de driewielige fiets oplichten in de reflectie van een lichtbron.

7. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 februari 2019 (pg. 58-59), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 6]:

Op 22 april 2018 rond kwart over vier 's nachts reed mijn man met de auto over de Noordzeedijk richting [plaats] . Ik zat naast hem in de auto. Het was donker. Opeens zag ik dat er iets op de weg stond met een rood lichtschijnsel. Toen we dichterbij kwamen zag ik dat het achterlicht was van een fiets die beschadigd was en dat er in de buurt van die fiets een gewonde man midden op de weg lag.

8. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 februari 2019 (pg. 60-61), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 7]:

Op 22 april 2018 omstreeks 04.20 uur reed ik met de auto over de Noordzeedijk van Stampersgat naar [plaats] .We kwamen langs de suikerfabriek. Het was donker. Opeens zag ik een rood lichtschijnsel op de weg. Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat dat schijnsel van het achterlicht van een fiets kwam die op de weg stond. Ik zag dat die fiets beschadigd was en dat er in de buurt van die fiets een gewonde man op de weg lag. Ik herkende die man als [slachtoffer] , een bekende van het dorp.

In aanvulling op de bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs van de rechtbank (pg. 2-4 van het vonnis) overweegt het hof het volgende.

Volgens bestendige jurisprudentie is het uitgangspunt dat het voorbehouden is aan de rechter die over de feiten oordeelt, om voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht (vgl. o.a. HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:454, rov. 2.3; HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:646, rov. 2.3 en HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072, rov. 2.3). Het wettelijk bewijsstelsel gaat er daarbij wel van uit dat een getuigenverklaring door de rechter slechts tot het bewijs kan worden gebezigd wanneer deze naar zijn oordeel betrouwbaar en overeenkomstig de waarheid is afgelegd (vgl. HR 14 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC3716, rov. 7.2.).

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen, waaronder de hiervoor opgenomen verklaringen van getuigen, af dat de verdachte onder invloed van alcohol een personenauto is gaan besturen.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, acht het hof de hiervoor opgenomen verklaringen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs, nu de getuigen – die onafhankelijk van elkaar hebben verklaard – elkaar op essentiële onderdelen ondersteunen. Het gegeven dat alleen getuige [getuige 1] heeft verklaard over het drinken van zogenoemde Baco’s, doet volgens het hof niet af aan de geloofwaardigheid van haar verklaring nu zij degene was die die nacht achter de bar stond en de consumpties uitgaf. Ook de omstandigheid dat de getuigen hun verklaringen pas op een later tijdstip hebben afgelegd, doet naar het oordeel van het hof aan hun betrouwbaarheid niet af. Duidelijk is dat het ongeval een grote impact heeft gehad op de bewoners van [plaats] , zodat verklaarbaar is waarom zij bijna een jaar na dato nog een herinnering hebben aan het drankgebruik van de verdachte.

Tijdens de nachtelijke uren, op een onverlichte, rechte weg is de verdachte met zijn personenauto tegen de achterzijde van een voor hem rijdende driewielige fiets gebotst. De verdachte heeft verklaard dat hij ter plaatse goed bekend was en dat hij vaker over de Noordzeedijk te [plaats] , gemeente Steenbergen, reed.

Uit de omstandigheid dat de verdachte zonder zijn snelheid te verminderen tegen de driewielige fiets van [slachtoffer] is gereden, waarbij hij heeft verklaard dat hij [slachtoffer] , die recht voor hem en in dezelfde richting reed op een rechte weg, in het geheel niet heeft gezien, leidt het hof af dat de verdachte rijdende op de Noordzeedijk gedurende langere tijd onvoldoende op het voor hem gelegen weggedeelte van de weg heeft gelet.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte het volgende verklaard:

Het ongeval gebeurde op het rechte stuk na de eerste S-bocht. Al voor de S-bocht zag ik een tegenligger aankomen. Ik zag koplampen. Het kon niet anders dan dat dit een auto was, op dat tijdstip. Wij passeerden elkaar en toen was het ‘bam’.

Afgezien van het antwoord op de vraag of er een tegenligger was die hem tegemoet is gereden, heeft de verdachte niet aangevoerd dat hij door de koplampen van het andere voertuig verblind is geraakt of dat daardoor de driewielige fiets met daarop [slachtoffer] niet zichtbaar was. Het hof overweegt in dat kader dat verdachte in zijn eerste verhoor (p. 117) heeft verklaard dat de tegenligger, een personenauto was die dimlicht voerde. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij op de vraag of de lichten die de tegenligger voerde in lichtsterkte afnamen toen de tegenligger hem naderde geantwoord dat dit niet het geval was. Het hof leidt hieruit af dat de tegenligger ook niet eerst groot licht heeft gevoerd.

Hoewel de politie bij onderzoek aan de fiets vanwege de omstandigheid dat de accu was vernield geen uitspraak heeft kunnen doen over de verlichtingstoestand van het achterlicht, gaat het hof er op grond van de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] vanuit dat het achterlicht van de fiets brandde op het moment dat hij op zijn fiets is vertrokken en dat dit op het moment van het ongeval nog steeds zo was. Ook indien het achterlicht niet brandde, moet de fiets zichtbaar zijn geweest vanwege de reflecterende onderdelen, waaronder een rode reflector ter hoogte van het achterlicht, die waren gemonteerd boven het linker achterwiel. Immers, blijkens de foto’s in het dossier op p. 25 en de verklaringen van de getuigen [getuige 6] en [getuige 3] was de fiets van het slachtoffer (ten minste door reflectie) zichtbaar. De verdachte, rijdende vanuit [plaats] en de S-bocht gepasseerd, had de driewielige fiets geruime tijd kunnen en moeten zien en had daarop zijn snelheid moeten aanpassen, hetgeen hij blijkens het schadebeeld aan zowel de personenauto als aan de fiets en het ontbreken van sporen of aanwijzingen waaruit zou kunnen blijken dat de verdachte een (nood)remming of uitwijkmanoeuvre zou hebben uitgevoerd, ten tijde van de botsing niet heeft gedaan.

Het hof is verder van oordeel dat de verdachte door willens en wetens met een personenauto te gaan rijden terwijl hij onder invloed was van alcohol, een ernstig risico heeft genomen dat hij niet adequaat meer kon reageren en dus een gevaar vormde op de weg, in het bijzonder ten opzichte van onbeschermde en kwetsbare medeweggebruikers, waaronder motoren, bromfietsers, fietsers en voetgangers.

Het hof is gelet op het geheel van de gedragingen van de verdachte en de aard en de ernst daarvan van oordeel dat de verdachte in aanmerkelijke mate onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.

In hetgeen door de verdediging in hoger beroep verder is aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Het hof is van oordeel dat met betrekking tot de bewezenverklaringen onder feit 1 primair en feit 3 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet wezenlijk uiteenloopt. De kwalificatie van het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde behoort om die reden te luiden als hieronder vermeld.

Kwalificatie

Het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet

en

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich op 22 april 2018 in aanmerkelijke mate onvoorzichtig en onoplettend gedragen door na het nuttigen van een hoeveelheid alcohol in zijn personenauto te stappen en naar huis te rijden. In weerwil van een waarschuwing van getuige [getuige 1] – die op dat moment werkzaam was als barmedewerkster in het café waar de verdachte die nacht was – om dit niet te doen, is hij toch gaan rijden. Vervolgens is hij met zijn personenauto zonder snelheid te verminderen achterop een driewielige fiets met daarop [slachtoffer] gebotst. De verdachte had de fiets kunnen en moeten zien en had daarop zijn snelheid moeten aanpassen, hetgeen hij niet heeft gedaan. [slachtoffer] heeft ten gevolge van deze aanrijding zeer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een hoge dwarslaesie.

De verdachte heeft zich na het ongeval niet om het slachtoffer bekommerd, maar heeft slechts naar het schadebeeld van zijn eigen auto gekeken en is vervolgens doorgereden naar huis. Het slachtoffer is zwaargewond en in hulpeloze toestand op de weg achtergebleven.

Het leed dat door het ongeval is toegebracht aan [slachtoffer] is groot en onherstelbaar. De door de familie van het slachtoffer ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep afgelegde slachtofferverklaringen in het kader van het spreekrecht hebben pijnlijk duidelijk gemaakt op welke wijze het leven van [slachtoffer] ingrijpend en blijvend is veranderd. Als gevolg van de hoge dwarslaesie heeft het slachtoffer geen gevoel meer in zijn lichaam en is hij voor de dagelijkse zorg en het voorzien in zijn levensbehoeften volledig afhankelijk van anderen. Ook de psychische gevolgen voor het slachtoffer zijn zeer groot. Hij heeft last van nachtmerries en depressieve gevoelens.

De verdachte heeft zich op 22 april 2018, enkele uren na het ongeval en terwijl hij door de politie werd aangehouden, in een app-gesprek met vrienden op zeer onverschillige en zeer neerbuigende wijze uitgelaten over het ongeval en over het slachtoffer. De verdachte heeft dit zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep proberen af te doen met de verklaring dat sprake was van ‘grootspraak en stoerdoenerij’, maar het hof volgt de verdachte daarin niet. Het hof kan de uitspraken van de verdachte ook niet plaatsen in de stelling van de verdediging dat de verdachte onbedoeld bot overkomt, omdat hij moeite heeft met het uiten van emoties. Het standpunt van de verdediging dat de berichten ten onrechte zwaar worden meegewogen in de strafoplegging, nu deze immers nooit bestemd waren om te worden gelezen door derden, overtuigt het hof evenmin. Uit de reactie van de verdachte, zowel direct na het ongeval als in de tijd daarna, spreekt een stuitend gebrek aan empathie en verantwoordelijkheidsbesef. Daarnaast overweegt het hof dat de verdachte er zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep met zijn proceshouding blijk van heeft gegeven te willen ontkomen aan een veroordeling. De verklaring van de verdachte kàn gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen niet kloppen, maar desondanks houdt de verdachte voet bij stuk. Daarbij heeft de verdachte zich volstrekt onvoldoende rekenschap gegeven van wat zijn houding, het niet nemen van zijn verantwoordelijkheid en de weigering om openheid te geven over essentiële punten, zoals zijn drankgebruik die avond, doen met het slachtoffer en diens familie. Het hof rekent hem dit zwaar aan.

Het hof heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 26 april 2022. Daaruit volgt dat de verdachte op 28 januari 2014 een strafbeschikking heeft gekregen ter zake van rijden onder invloed, waarbij aan de verdachte een taakstraf en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zijn opgelegd. Deze strafbeschikking, die moet worden gezien als een waarschuwing, heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden op 22 april 2018 opnieuw onder invloed van een hoeveelheid alcohol een personenauto te gaan besturen, waarbij hij een ongeval met zeer zwaar lichamelijk letsel als gevolg heeft veroorzaakt. Het hof weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

Het hof heeft daarnaast acht geslagen op de reclasseringsrapporten die omtrent de persoon van de verdachte zijn opgemaakt en op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het opleggen van een taakstraf, al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging is bepleit, zou in het geheel geen recht doen aan de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De omstandigheid dat de verdachte door het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het risico loopt zijn baan te verliezen, legt voor het hof onvoldoende gewicht in de schaal.

Naar het oordeel van het hof kan ook niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, en de mate waarin het bewezenverklaarde persoonlijke leed teweeg heeft gebracht onvoldoende tot uitdrukking komen.

Alles overwegende acht het hof het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden.

Overeenkomstig het imperatief bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof tenslotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Het hof heeft geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg met ongeveer 3,5 maanden. Het hof is van oordeel dat deze overschrijding volstrekt in het niet valt bij de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en zal daarom volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in enige mate is overschreden, zonder daaraan verdere gevolgen te verbinden.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake het onder 1 primair bewezenverklaarde aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen, en wel voor de duur van 36 maanden.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Het verweer dat de verdachte, kort gezegd, het rijbewijs niet kan missen wordt door het hof verworpen omdat het belang van de bescherming van de verkeersveiligheid zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij behoud van het rijbewijs. Het hof acht een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor langere tijd noodzakelijk om de verdachte de onjuistheid van de bewezenverklaarde handelwijze te doen inzien.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde en de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Kwalificeert het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. A.J. Henzen, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. W.F. Koolen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman, griffier,

en op 3 augustus 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.