Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:3092

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-09-2022
Datum publicatie
14-09-2022
Zaaknummer
200.294.659_01
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beklamel-norm; Geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat de bestuurder ten tijde van het sluiten van de geldlening wist of behoorde te weten dat de schuldeiser door het niet nakomen van de (voorshands aangenomen) verplichting tot vestiging van een eerste pandrecht, schade zou leiden. Geen bestuurdersaansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.294.659/01

arrest van 6 september 2022

in de zaak van

[appellante] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. J.Ch. van der Tak te Bergen op Zoom,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende [woonplaats ] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr M.W. Steenpoorte te ‘s-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 mei 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 14 april 2021, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in (voorwaardelijke) reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/364184/ HA ZA 19-632)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellante] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] ;

  • -

    de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;

  • -

    de op voorhand door [appellante] toegezonden productie, die zij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

Feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

( a) [geïntimeerde] was bestuurder en aandeelhouder van de besloten vennootschap [bedrijf] .

( b) Op 3 november 2015 is een overeenkomst van geldlening gesloten tussen [geïntimeerde] (in privé) als schuldenaar en [appellante] als schuldeiser. Deze overeenkomst betrof een bedrag van in totaal € 150.000,- (prod. 1 cva). Tot zekerheid van de terugbetaling van dit bedrag is door [geïntimeerde] aan [appellante] een recht van eerste hypotheek op zijn woonhuis verstrekt.

( c) Een bericht aan ABN Amro van 12 maart 2016 van [eigenaar appellante] en [echtgenote van eigenaar appellante] luidt:

Hierbij delen wij u mede de verpande inventaris vrij te geven, welke door [bedrijf] jegens ons als zekerheid is verstrekt, middels de 18 november 2013 getekende leningovereenkomst.” (prod. 9 cva).

( e) Op 6 april 2016 is een onderhandse pandakte geregistreerd, ondertekend door [geïntimeerde] namens [bedrijf] op 5 november 2015 en door ABN AMRO Bank N.V. op 29 september 2015, waarbij [bedrijf] aan de bank een eerste pandrecht verstrekt op al haar tegenwoordige en toekomstige voorraden en inventaris (prod. 4 inl. dagv.).

( f) Op 21 april 2016 hebben [bedrijf] en [geïntimeerde] een pandakte opgemaakt, waarin stond beschreven dat door [bedrijf] aan [geïntimeerde] zou worden verpand “a. de gehele voorraad goederen b. de gehele voorraad inventaris”. [bedrijf] verklaarde daarbij dat zij bevoegd was over deze zaken te beschikken, vrij van beperkte rechten, met uitzondering van de te stellen zekerheden ten gunste van ABN Amro (prod. 5 inl. dagv./prod 10 cva).

( g) Onder omschrijving “lening [geïntimeerde]” is vanaf een bankrekening waarvan niet betwist is dat deze van [appellante] is, op 28 september 2018 een spoedoverboeking van

€ 75.000 gedaan naar de bankrekening van [bedrijf] . (prod. 3 inl. dagv.)

(h1) Overgelegd is een onderhandse overeenkomst tevens pandakte (prod. 2 inl. dagv.). Deze is met de hand gedateerd op 28 september 2018 en ondertekend namens [appellante] door [eigenaar appellante] . Dit exemplaar is niet namens [bedrijf] ondertekend.

Hierin staat vermeld dat [bedrijf] “op of omstreeks 1 oktober 2018” van [appellante] € 75.000,- als geldlening heeft ontvangen en dat partijen wensen deze overeenkomst en de bepalingen en bedingen waaronder de lening is verstrekt vast te leggen.

(h2) Artikel 9 “Zekerheid” van de akte bepaalt onder meer:

“9.1. Ten behoeve van de lening en daarover verschuldigde rente verstrekt schuldenaar hierbij een pandrecht op haar tegenwoordige en toekomstige bedrijfs-en handelsvoorraden (..)

9.3.

Schuldenaar verklaart dat zij tot het verpanden van de bij deze akte verpande voorraden bevoegd is en dat daarop geen andere beperkte rechten zijn gevestigd of daartoe toezeggingen zijn gedaan.

(h3) Eind oktober 2018 heeft [geïntimeerde] deze overeenkomst (ongetekend) bij [appellante] afgegeven. [eigenaar appellante] heeft de overeenkomst op enig moment getekend en gedateerd op 28 september 2018.

( i) Op 7 december 2018 heeft [persoon A] van [appellante] aan [geïntimeerde] een overzicht gezonden van de uitstaande financieringen. Hij schreef onder meer:

“(..) Wij willen dan naar een situatie toe dat er alleen rente betaald hoeft te worden. (..) Wel zal er dan nu een aanvullende zekerheid verstrekt moeten worden aan [appellante] voor de laatst verstrekte lening van € 75.000,- Deze zekerheid zal bestaan uit een uitbreiding van de hypothecaire inschrijving op de woning van Rinus [ [geïntimeerde] , hof].” (prod. 7 cva)

( j) Op 8 december 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en zijn advocaat en [appellante] , van wie aanwezig waren [eigenaar appellante] en [persoon A] .

( k) Op 10 december 2018 is het hierboven onder (f) genoemde stille pandrecht van [geïntimeerde] geregistreerd.

( l) Op 19 december 2018 schreef [persoon A] onder meer aan (de advocaat van) [geïntimeerde] :

(..) Graag willen we zekerheid hebben voor het krediet van € 75.000,- welke beschikbaar is gesteld op 01-10-2018. Deze zekerheid willen wij, zoals reeds voorgesteld op 07-12-2018, via een uitbreiding van de hypothecaire inschrijving op de woning van [geïntimeerde].” (prod. 8 cva).

( m) Bij ongedateerde overeenkomst van geldlening tevens pandakte, geregistreerd op 21 december 2018, heeft [bedrijf] verklaard dat zij “omstreeks oktober 2015” van [geïntimeerde] € 150.000,- ter leen had ontvangen en dat zij aan [geïntimeerde] een pandrecht verstrekt op haar tegenwoordige en toekomstige bedrijfs-en handelsvoorraden en inventaris (prod. 5 inl. dagv.).

( n) Een email van [persoon A] aan (de advocaat van) [geïntimeerde] van 19 december 2018 (prod. 8 cva) luidt onder meer:

“(..) Graag willen we zekerheid voor het krediet van € 75.000,-- welke beschikbaar is gesteld op 01-10-2018. Deze zekerheid willen wij, zoals reeds voorgesteld op 07-12-2018, via een uitbreiding van de hypothecaire inschrijving op de woning van [geïntimeerde] .

Het stelt ons tot op heden nog steeds teleur dat het contract niet getekend wordt voor het extra krediet. (..)”

( o) Een email van 21 december 2018 van (de advocaat van) [geïntimeerde] aan [persoon A] van [appellante] (prod 10 cvr/ bij MB) luidt:

“(..) Nu het echter tussen partijen ten tijde van het verstrekken van de lening overeen is gekomen, het derhalve een verplichting is en jullie ons daarop aanspreken, tref jij conform verzoek bijgaand de getekende pandakte aan. Artikel 9 is iets aangepast omdat jullie geen eerste pandrecht krijgen, hetgeen jullie bekend is. Daarnaast heb ik naast de voorraad ook de inventaris nog onder het pandrecht gebracht omdat dit onderdeel van de afspraak was en nog niet stond opgenomen. (..)”

Als bijlage bij deze email zat blijkens de header een overeenkomst van geldlening.

(p1) Op 21 december is door [bedrijf] vertegenwoordigd door [geïntimeerde] enerzijds en [appellante] , vertegenwoordigd door [eigenaar appellante] anderzijds, een “overeenkomst van geldlening tevens pandakte” gesloten (prod. 1 nl. dagv.).

Hierin staat vermeld dat [bedrijf] “op of omstreeks 1 oktober 2018” van [appellante] € 75.000,- als geldlening heeft ontvangen en dat partijen wensen deze overeenkomst en de bepalingen en bedingen waaronder de lening is verstrekt vast te leggen.

(p2) Artikel 3 bepaalt dat een rentepercentage van 6% is overeengekomen.

(p3) Artikel 9 “Zekerheid” bepaalt onder meer:

“9.1. Ten behoeve van de lening en daarover verschuldigde rente verstrekt [ [bedrijf] ] hierbij een pandrecht op haar tegenwoordige en toekomstige bedrijfs-en handelsvoorraden en inventaris (..)

(p4) Deze pandakte is op 31 december 2018 geregistreerd.

( q) Op 4 juni 2019 is [bedrijf] op eigen aanvraag failliet verklaard met benoeming van [persoon B] tot curator.

( r) Inclusief rente bedroeg het door [geïntimeerde] verschuldigde bedrag op de lening van

€ 75.000,- van [appellante] per datum van het vonnis in eerste aanleg € 69.588,51.

( s) Op 26 augustus 2019 is door [appellante] conservatoir beslag gelegd op de woning van [geïntimeerde] te [plaats] tot zekerheid voor de terugbetaling van de lening.

( t) De netto executie opbrengst van de verkoop van de verpande zaken door pandhouder ABN Amro bedraagt volgens de curator € 43.709,16 (prod. 11 cva).

procesverloop

3.2.1.

[appellante] heeft [geïntimeerde] in rechte betrokken en na wijziging van eis in conventie gevorderd (kort samengevat)

( i) een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door aan [appellante] een eerste pandrecht op de voorraden van [bedrijf] toe te zeggen, wetende dat dit niet mogelijk was en daarmee [appellante] bewust misleidend, waardoor [appellante] schade heeft geleden;

(ii) a. primair veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 69.588,51 met contractuele rente vanaf 1 juli 2019;

b. subsidiair veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag nader op te maken bij staat;

(iii) met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure, inclusief de beslagkosten.

3.2.2.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in conventie afwijzing van de vorderingen van [appellante] en veroordeling in de (werkelijke) proceskosten gevorderd. In reconventie heeft hij gevorderd, onder de voorwaarde dat de vorderingen van [appellante] worden afgewezen:

( a) een verklaring voor recht dat [appellante] jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld;

( b) [appellante] te gebieden het gelegde conservatoire beslag op te heffen op straffe van een dwangsom;

( c) [appellante] te veroordelen in de werkelijke proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] , voorlopig begroot op € 6.000- excl. btw;

( d) met veroordeling van [appellante] in de proceskosten met rente en nakosten.

[appellante] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.3.

Bij het thans bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen in conventie afgewezen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten met nakosten en wettelijke rente.

In reconventie heeft zij voor recht verklaard dat [appellante] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld, nu het beslag ten onrechte is gelegd en zij heeft [appellante] geboden het beslag binnen zeven dagen op te heffen op straffe van een dwangsom, met veroordelingen van beide partijen in de proceskosten en afwijzing van het meer of anders gevorderde.

3.3.1.

[appellante] is met vijf grieven, waarvan één algemene grief, in hoger beroep gekomen van het vonnis. Zij vordert alsnog toewijzing van haar vorderingen in conventie en afwijzing van de vorderingen in reconventie met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

3.3.2.

Alhoewel [appellante] tijdens de comparitie van partijen bij de rechtbank heeft erkend dat de schade in verband met het gestelde onrechtmatige handelen niet meer kan bedragen dan het bedrag van de executieopbrengst van de voorraad, en zij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft beaamd dat zij niet het openstaande bedrag van de lening vordert, maar de executieopbrengst, heeft [appellante] desgevraagd haar eis niet verminderd. Het hof gaat dus uit van de vorderingen zoals in rov 3.2.1. weergegeven.

3.3.3.

Het hof zal de grieven van [appellante] gezamenlijk bespreken. Geen grief is gericht tegen het gebod tot opheffing van het beslag.

3.3.4.

[geïntimeerde] heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld.

kern van verwijten en verweer

3.4.1.

De kern van het verwijt dat [appellante] aan [geïntimeerde] maakt is dat aan haar op 28 september 2018 (toen zij de lening aan [bedrijf] verschafte) een eerste pandrecht op de tegenwoordige en toekomstige bedrijfsvoorraden zou zijn toegezegd door ( [geïntimeerde] als bestuurder van) [bedrijf] , terwijl naderhand is gebleken dat bedoelde goederen al in 2016 verpand waren aan ABN Amro, hetgeen [geïntimeerde] wist. Daar komt nog bij dat [geïntimeerde] zichzelf in december 2018 een tweede pandrecht op de goederen verleende. Door aldus te handelen heeft [geïntimeerde] onrechtmatig gehandeld jegens [appellante] . [appellante] heeft hierdoor schade geleden. Deze schade bestaat uit de executieopbrengst van de verpande goederen, die uiteindelijk niet aan haar maar aan ABN Amro te goede is gekomen.

3.4.2.

Het verweer van [geïntimeerde] houdt samengevat in dat

(i) hij op 28 september 2018 - of later – namens [bedrijf] geen eerste pandrecht heeft toegezegd op tegenwoordige en toekomstige bedrijfsvoorraden (en/of inventaris);

(ii) [appellante] ook nooit om een dergelijk pandrecht heeft gevraagd. Uit de correspondentie in december 2018 blijkt dat [appellante] een aanvullende hypotheek op de woning van [geïntimeerde] privé wenste en pas na lang overleg akkoord ging met een pandrecht;

(iii) het [appellante] vanwege een bericht dat hij aan ABN Amro stuurde in maart 2016 al lang bekend was dat er een eerste pandrecht van ABN Amro op de betreffende goederen zou komen te rusten;

(iv) [geïntimeerde] aan [appellante] duidelijk heeft gemaakt dat het in december 2018 alsnog verstrekte pandrecht géén eerste pandrecht was en [appellante] hier mee akkoord is gegaan (getuige zijn ondertekening van de pandakte van december 2018).

bestuurdersaansprakelijkheid?

3.5.1.

[appellante] stelt dat door partijen (dat wil zeggen [geïntimeerde] als bestuurder van [bedrijf] en [eigenaar appellante] als bestuurder van [appellante] ) op 28 september 2018 is gesproken over de verstrekking door [bedrijf] van een eerste pandrecht op de tegenwoordige en toekomstige voorraad en inventaris, en dat [geïntimeerde] dit toen (dus: namens [bedrijf] ) heeft toegezegd. Dit blijkt ook uit de – niet door [geïntimeerde] getekende – pandakte, die [geïntimeerde] in oktober 2018 bij [appellante] heeft gebracht en die [geïntimeerde] ten onrechte weigerde te ondertekenen. In plaats hiervan heeft [bedrijf] aan [appellante] een lager gerangschikt pandrecht op alleen de tegenwoordige voorraden (en inventaris) verschaft.

[geïntimeerde] ontkent gemotiveerd dat hij heeft toegezegd dat [bedrijf] een eerste pandrecht als door [appellante] bedoeld zou verstrekken.

3.5.2.

De bewijslast van haar vorderingen rust op [appellante] . [appellante] biedt bewijs aan van haar stellingen. [appellante] klaagt op zich terecht dat de rechtbank haar niet in de gelegenheid heeft gesteld dit bewijs te leveren. Toch kan dit niet tot vernietiging van het vonnis leiden op grond van het volgende.

3.5.3.

De vorderingen van [appellante] zijn ingesteld tegen [geïntimeerde] privé. Het betreffen handelingen die [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf] zou hebben verricht, te weten het gestelde aanvaarden van de verplichting door [bedrijf] tot het verstrekken van een eerste pandrecht aan [appellante] , terwijl [geïntimeerde] wist dat [bedrijf] daaraan niet zou kunnen voldoen en [appellante] daardoor schade zou leiden. De te beantwoorden vraag is of sprake is van persoonlijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor handelingen die hij als bestuurder van [bedrijf] heeft verricht.

3.5.4.

Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof – onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 – het volgende voorop. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is.

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (zie onder meer HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 ( [naam] ) en HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 ( [partijnaam 1] / [partijnaam 2] ). In de kern houdt dit zogenoemde ‘Beklamelcriterium’ de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden.

3.6.1.

Door partijen is niet of nauwelijks gedebatteerd over het feit dat het hier primair gaat om de vraag of er sprake is van enige persoonlijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor de benadeling van [appellante] , schuldeiser van [bedrijf] , doordat de vennootschap de voorshands aangenomen verplichting tot het vestigen van een eerste pandrecht op voorraden en inventaris niet is nagekomen. Bij de mondelinge behandeling heeft [appellante] hier – ondanks de vragen van het hof – ook weinig aanleiding toe gezien. De rechter is evenwel verplicht op grond van art. 25 Rv om ambtshalve en onafhankelijk van de stellingen van de eisende partij te onderzoeken of de door deze tijdens het geding aan haar vorderingen ten grondslag gelegde feiten die vorderingen kunnen dragen.

3.6.2.

Het hof is in dit verband van oordeel dat zelfs als (na bewijslevering door [appellante] ) zou komen vast te staan dat [geïntimeerde] in september 2018 namens [bedrijf] had toegezegd dat die vennootschap aan [appellante] een eerste pandrecht zou verstrekken en [geïntimeerde] toen wist (of behoorde te weten) dat [bedrijf] daaraan niet zou kunnen voldoen vanwege een ouder pandrecht dat ABN Amro had verkregen, de vordering van [appellante] niet toewijsbaar zou zijn.

[appellante] heeft namelijk niet althans onvoldoende concreet gesteld dat op het moment dat [geïntimeerde] namens [bedrijf] de (voorshands aangenomen) verplichting tot het vestigen van een eerste pandrecht zou zijn aangegaan (dus in september 2018), hij wist of behoorde te begrijpen dat [appellante] als gevolg van het niet nakomen van deze verplichting schade zou lijden. Dit had, zo volgt uit hetgeen hiervoor in rov, 3.5.4. is overwogen, echter wel op de weg van [appellante] gelegen. Hierbij is van belang dat de enkele omstandigheid dat [appellante] geen eerste maar een tweede pandrecht heeft verkregen, niet betekent dat zij dientengevolge schade lijdt. Van schade is immers slechts sprake indien [bedrijf] haar verplichtingen uit hoofde van de geldlening niet nakomt en geen verhaal biedt voor de schade die [appellante] daardoor lijdt. Het had dus op de weg van [appellante] gelegen om voldoende concreet te stellen dat [geïntimeerde] in september 2018 wist of behoorde te weten dat [bedrijf] haar verplichtingen uit hoofde van de geldlening niet zou nakomen en daarvoor ook geen verhaal zou bieden.

3.6.3.

[appellante] volstaat in dit kader echter met de algemene stelling dat er in september 2018, ten tijde van het aangaan van de lening en de door [appellante] gestelde toezegging tot het vestigen van een eerste pandrecht, grote financiële problemen waren. [geïntimeerde] heeft hiertegenover aangevoerd dat dat het in september 2018 nog goed ging met [bedrijf] , en dat de eerste problemen pas in december opdoemden, zijn door [appellante] niet betwist. Dit maakt dat het aan [appellante] was om haar stelling dat er in september 2018 grote financiële problemen waren te onderbouwen. Dit heeft zij echter nagelaten.

Integendeel, bij akte in eerste aanleg d.d. 27 november 2019 heeft [appellante] gesteld:

“[ [geïntimeerde] ] heeft ten tijde van de toezegging tot het vestigen van een 1e pandrecht ook nog medegedeeld dat het te lenen bedrag bestemd was om een specifieke lastige crediteur te betalen en dat er voor het overige geen problemen met andere crediteuren bestonden en er geen financiële problemen waren.

Voorts heeft hij (..) verklaard (..) dat zijn voorraad zeker ca € 300.000,00 bedroeg.

Dat beide mededelingen voor [ [appellante] ] doorslaggevend zijn geweest om de gelden (..) te verstrekken.”

[appellante] heeft niet gesteld dat deze mededelingen van [geïntimeerde] op onwaarheid zouden berusten.

Door [geïntimeerde] is onweersproken aangevoerd dat in september en december 2018 op geen enkele wijze een faillissement voor [bedrijf] dreigde (onder meer omdat zij nog in onderhandeling was met een serieuze overnamekandidaat) en zij tot aan het faillissement alle aflossingstermijnen van haar leningen aan [appellante] heeft voldaan.

3.6.4.

Nu [appellante] op dit punt niet heeft voldaan aan haar stelplicht, kan er niet van worden uitgegaan dat de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het niet verkrijgen van een eerste pandrecht voorzienbaar was op het moment dat [geïntimeerde] in september 2018 namens [bedrijf] de (voorshands aangenomen) verplichting tot het vestigen van dit pandrecht zou zijn aangegaan. Het hof komt wegens het niet voldoen aan haar stelplicht, niet toe aan enige bewijslevering door [appellante] .

De conclusie moet daarom luiden dat [geïntimeerde] als bestuurder van [bedrijf] niet persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor deze schade.

3.6.5.

Bij deze stand van zaken is niet meer relevant dat [geïntimeerde] op 10 december 2018 een pandrecht op (een deel van) de betreffende goederen - dat reeds op 21 april 2016 was overeengekomen tussen hem en [bedrijf] - heeft geregistreerd, noch dat de email van [geïntimeerde] aan [persoon A] van 21 december 2018 enerzijds duidelijk maakt dat er geen sprake kan zijn van een eerste pandrecht voor [appellante] , maar anderzijds in strijd met de eigen stellingen van [geïntimeerde] gewag maakt van een ten tijde van het verstrekken van de lening reeds overeengekomen verplichting tot het verstrekken van een pandrecht.

slot

3.7.

De slotsom is dat de grieven falen en het vonnis, onder aanvulling van de gronden waarop het berust, zal worden bekrachtigd, voor zover het aan het oordeel van het hof is onderworpen.

[appellante] zal, als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, als gevorderd met de wettelijke rente hierover.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt, onder aanvulling van de gronden waarop het berust, het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg van 14 april 2021;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 772,00 aan griffierecht en op € 5.077,50 aan salaris advocaat,

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, N.W.M. van den Heuvel en H.R. Quint en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 september 2022.

griffier rolraadsheer