Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:3013

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-08-2022
Datum publicatie
01-09-2022
Zaaknummer
200.296.463_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pony met schouderfractuur. Non-conformiteit: pony was reeds ten tijde van de aflevering niet geschikt voor de dressuursport op hoog niveau en beantwoordde al ten tijde van de aflevering niet aan de overeenkomst. Ongedaanmakingsverbintenissen, verzorgings- en stallingskosten, leskosten en overige schade en kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.296.463/01

arrest van 30 augustus 2022

in de zaak van

Stal 104 B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als: Stal 104,

advocaat: mr. S.A. Wensing te Emmen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A. van Toorn te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 mei 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 4 februari 2021, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser Stal 104 als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 8671273 / CV EXPL 20-4709)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld eindvonnis en het daaraan voorafgegane vonnis in incident van 17 september 2020, waarbij de vordering van [geïntimeerde] tot het treffen van voorlopige voorzieningen is afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het exploot van anticipatie van [geïntimeerde] ;

- de memorie van grieven, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, met producties;

  • -

    de akte overlegging productie van de zijde van Stal 104, met productie;

  • -

    de twee akten overleggen productie(s) van de zijde van [geïntimeerde] , met producties;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van Stal 104, met producties;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van [geïntimeerde] ;

  • -

    het bezwaar van de zijde van [geïntimeerde] tegen de door Stal 104 bij antwoordakte ingediende producties;

  • -

    de rolbeslissing van de rolraadsheer op dit bezwaar.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op

bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2.3.

Het hof zal daarbij de van de zijde van Stal 104 bij antwoordakte ingediende producties buiten beschouwing laten, nu [geïntimeerde] niet op deze producties heeft kunnen reageren. Uit hetgeen hierna wordt overwogen, volgt dat Stal 104 daardoor niet in haar belangen wordt geschaad.

3 De beoordeling

De vaststaande feiten

3.1.

Stal 104 houdt zich bedrijfsmatig bezig met het fokken en opleiden van paarden.

3.2.

Via bemiddeling door [persoon A] (hierna: [persoon A] ) heeft [geïntimeerde] op 4 juli 2019 bij schriftelijke koopovereenkomst voor zijn dochter [persoon B] (hierna: de dochter of [persoon B] ) de pony genaamd [de pony] (hierna: de pony of [de pony] ) gekocht van Stal 104 tegen betaling van een koopprijs van € 12.500,00.

3.3.

Bij aangetekende brief van 18 december 2019 heeft [geïntimeerde] aan Stal 104 laten weten dat de pony “totaal niet aan de verwachtingen voldoet”, dat de pony “sinds enige tijd (…) niet meer te berijden” is voor zijn dochter, dat het “begon (….) met het steeds weigeren aan te draven vanuit stap”, dat de pony nu “vaak in ongecontroleerde galop” ervandoor gaat “als ze aan wil draven”, dat dit “echt gevaarlijk” is en dat de pony “totaal ongeschikt” is voor zijn dochter. Ook heeft [geïntimeerde] bij deze brief te kennen gegeven de koopovereenkomst te willen ontbinden, omdat “de pony niet voldoet aan de verwachtingen die we bij de koop meerdere keren hebben duidelijk gemaakt. Namelijk dat we een brave pony zochten voor onze dochter waarmee ze de dressuursport kon beoefenen.” Per mail heeft [geïntimeerde] dit bericht ook aan [persoon A] verzonden.

3.4.

Bij e-mail van diezelfde dag heeft Stal 104 aan [geïntimeerde] laten weten dat zij “tot een oplossing” wil komen en heeft Stal 104 voorgesteld om [persoon B] op haar kosten een aantal keren met de pony bij [persoon A] te laten lessen, zodat ze “leert hoe ze [de pony] goed leert rijden.”

3.5.

Op 25 februari 2020 heeft [persoon B] met [de pony] een les gehad van [persoon A] .

3.6.

Op 18 maart 2020 heeft [de dierenarts 1] verbonden aan Paardenartsen Brabant in [vestigingsplaats] de pony onderzocht, omdat deze rechtsvoor kreupel liep. In het door deze dierenarts van dit onderzoek opgemaakte verslag van 14 april 2020 staat onder meer vermeld: “Diagnose: Fractuur met verplaatsing (dislocatie) naar distaal (richting schoudergewricht) van het tuberculum supraglenoidale van het schouderblad. Gezien de al aanwezige remodelering lijkt het waarschijnlijk dat de breuk al langer bestaat.”

3.7.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] de pony laten onderzoeken door [de dierenarts 2] verbonden aan Dierenartsenpraktijk De Wal in [vestigingsplaats] , België, en door [de dierenarts 3] verbonden aan Veterinair Centrum [locatie] . Deze dierenartsen hebben in hun onderzoeksverslagen van 27 maart 2020 respectievelijk 6 april 2020 vermeld dat sprake is van een fractuur van het schoudergewricht van minstens drie maanden oud.

3.8.

Bij e-mail van 8 april 2020 heeft [geïntimeerde] Stal 104 in kennis gesteld van

voormelde diagnose en te kennen gegeven dat hij aanspraak “kan en wil” maken “op mijn consumentenrecht om zodoende de koop te ontbinden”, dat de pony dan teruggenomen zou “moeten worden voor de aanschaf prijs en een vergoeding voor alle gemaakte kosten” en dat hij hoopt dat “we daar samen in alle redelijkheid uitkomen”.

3.9.

Ondanks verdere (e-mail)correspondentie namens en tussen partijen zijn partijen niet tot een oplossing gekomen.

Eerste aanleg

3.10.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd primair om a) de koopovereenkomst wegens bedrog te vernietigen dan wel te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden dan wel de koopovereenkomst te

ontbinden op grond van non-conformiteit, subsidiair om b) te verklaren voor recht dat de overeenkomst op grond van dwaling is vernietigd dan wel de overeenkomst te vernietigen op grond van dwaling, c) te verklaren voor recht dat de gedragingen en uitlatingen van Stal 104 als onrechtmatig en schadeveroorzakend jegens [geïntimeerde] moeten worden aangemerkt, zodat Stal 104 gehouden is deze schade te vergoeden en meer subsidiair om d) te verklaren dat de overeenkomst op grond van wederzijdse dwaling is vernietigd dan wel de overeenkomst op grond van wederzijdse dwaling te vernietigen en te verklaren dat het risico van deze dwaling door Stal 104 gedragen moet worden.

3.11.

Zowel primair als subsidiair heeft [geïntimeerde] , kort gezegd, gevorderd om e) Stal 104 te veroordelen tot betaling van € 1.500,00 als vergoeding voor immateriële schade. Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair heeft [geïntimeerde] , samengevat, gevorderd om Stal 104 te veroordelen om f) de pony terug te nemen en op te halen onder betaling van

€ 12.500,00, g) de verzorgings- en stallingskosten te vergoeden die [geïntimeerde] heeft gemaakt voor de pony, h) de aanvullende schade die [geïntimeerde] heeft geleden groot

€ 3.726,00 te vergoeden, alsmede kosten die gemaakt zijn en nog worden gemaakt ten behoeve van de pony, en om i) de buitengerechtelijke kosten te vergoeden, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. Een en ander met veroordeling van Stal 104 in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

3.12.

Stal 104 heeft verweer gevoerd.

3.13.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de koopovereenkomst op 18 december 2019 buitengerechtelijk is ontbonden. Ook heeft de kantonrechter Stal 104 veroordeeld om i) binnen vijf dagen na betekening van het vonnis de pony terug te nemen en op te halen bij [geïntimeerde] , ii) aan [geïntimeerde] € 12.500,00 te betalen, iii) de verzorgings- en stallingskosten te vergoeden die [geïntimeerde] heeft gemaakt ten behoeve van de pony van € 280,00 per maand, iv) de aanvullende schade die [geïntimeerde] heeft geleden groot € 3.726,00 te vergoeden, alsmede kosten die gemaakt zijn en nog worden gemaakt ten behoeve van de pony, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. Een en

ander met veroordeling van Stal 104 in de proces- en nakosten.

Hoger beroep

vordering

3.14.

Stal 104 heeft in hoger beroep, onder aanvoering van negen grieven, gevorderd het

bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen en [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen Stal 104 al aan [geïntimeerde] heeft moeten voldoen, te weten een bedrag groot € 22.550,53. Een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

3.15.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

feiten

3.16.

Met grief I klaagt Stal 104 over de in het bestreden vonnis onder 2. weergegeven feiten.

3.17.

Het hof heeft hiervoor, rekening houdend met wat partijen hierover over en weer in

hoger beroep hebben aangevoerd, een nieuw overzicht gegeven van de feiten waarvan het hof in hoger beroep uitgaat. Bij een afzonderlijke behandeling van deze grief heeft Stal 104 dan ook geen belang.

kern

3.18.

De grieven III tot en met VIII van Stal 104 hebben betrekking op de vraag of de pony ten tijde van de aflevering door Stal 104 aan [geïntimeerde] al dan niet aan de koopovereenkomst beantwoordde en de daaruit voor partijen voortvloeiende consequenties. Deze grieven stellen de toewijsbaarheid van de vorderingen van [geïntimeerde] in hoger beroep opnieuw aan de orde en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

wettelijk kader

3.19.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 7:17 BW een afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien. De eigenschappen voor bijzonder gebruik kunnen worden gekend door uitleg aan de hand van het zogenaamde Haviltex-criterium, waarbij het aankomt op hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs mochten verwachten op grond van de tekst van de overeenkomst, elkaars verklaringen en gedragingen en alle omstandigheden van het geval.

3.20.

Het is op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv aan de koper om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de zaak niet aan de koopovereenkomst voldoet.

hoog niveau

3.21.

Volgens [geïntimeerde] heeft hij de pony gekocht voor zijn dochter om daarmee deel te kunnen nemen aan dressuurwedstrijden op hoog niveau en is tussen partijen bij de koopovereenkomst voorzien in gebruik van de pony op hoog niveau.

3.22.

[geïntimeerde] heeft in dat verband aangevoerd dat in de verkoopadvertentie van de pony vermeld staat dat het een ‘FEI pony’ betreft. Ook heeft hij aangevoerd dat de afkorting ‘FEI’ staat voor Fédération Équestre Internationale, dat de FEI de overkoepelende organisatie voor de paardensport is en dat de FEI wereldwijd internationale wedstrijden organiseert.

3.23.

Daarmee is de pony naar het oordeel van het hof in de advertentie aangeprezen als pony die deelneemt of deelgenomen heeft aan wedstrijden op internationaal - en dus hoog - niveau. Reeds uit de vermelding ‘FEI pony’ in de advertentie volgt naar het oordeel van het hof dan ook dat [geïntimeerde] , ofschoon dat niet uitdrukkelijk in de overeenkomst is bepaald, mocht verwachten dat de pony geschikt was voor de dressuursport op hoog niveau. Anders dan Stal 104 betoogt, past de omschrijving ‘FEI pony’ niet bij een pony die geen internationale wedstrijden heeft gelopen, maar wel klaar is voor wedstrijden op internationaal niveau; een dergelijke pony zou als ‘FEI prospect’ omschreven kunnen worden. Wel valt naar het oordeel van het hof uit deze door Stal 104 voorgestane uitleg van de vermelding ‘FEI pony’ af te leiden dat de pony ook in haar ogen geschikt was voor deelname aan wedstrijden op hoog niveau. Daarbij komt dat Stal 104 in haar memorie van grieven zelf te kennen heeft gegeven dat de pony uitzonderlijk mooi was, beschikte over de nodige kwaliteiten, al in de hoogste nationale klasse van de ponydressuursport geklasseerd was en geschikt was als sportpony.

3.24.

Stal 104 heeft nog aangevoerd dat het niveau van de pony geen garantie biedt en dat de ontwikkeling van de pony afhankelijk is van de rijvaardigheden van de ruiter. Voor zover Stal 104 hiermee beoogt te stellen dat bij de koopovereenkomst niet is voorzien in gebruik van de pony voor de beoefening van de dressuursport op hoog niveau, kan dit haar niet baten. Nergens uit blijkt dat [persoon B] niet het niveau heeft om op hoog niveau aan dressuurwedstrijden deel te nemen. Integendeel, uit de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van twee instructeurs van [persoon B] maakt het hof op dat zij getalenteerd is en reeds eerder met een andere pony op hoog niveau (Z) geklasseerd is geweest.

fractuur

3.25.

Vast staat dat de pony een schouderfractuur heeft gehad.

3.26.

[geïntimeerde] beroept zich op de onderzoeksverslagen van de door hem ingeschakelde dierenartsen ter onderbouwing van zijn standpunt dat de pony door de schouderfractuur niet geschikt is voor deelname aan dressuurwedstrijden op hoog niveau en reeds ten tijde van de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde.

niet geschikt

3.27.

In het onderzoeksverslag van [de dierenarts 1] staat vermeld dat “de prognose als sportpony somber, als rijpony met lichte arbeid afwachtend en als weidepony acceptabel tot goed” is. In het verslag van [de dierenarts 2] staat vermeld dat de “Prognose voor de pony (…) eerder gereserveerd” is en in het verslag van [de dierenarts 3] staat vermeld dat deze fractuur “Prognostisch (…) niet goed voor het schoudergewricht” is en dat de pony “Wellicht (…), middels medicatie, nog enige tijd functioneel” kan “zijn als rijpony. De carrière zal naar tijd en niveau echter als beperkt moeten worden ingeschat.”

3.28.

In een op verzoek van de advocaat van [geïntimeerde] opgemaakt aanvullend verslag van [de dierenarts 3] van 26 juni 2020 staat vermeld: “De pony heeft arthrose van het schoudergewricht als gevolg van de fractuur. Deze arthrose is in beginsel een degeneratieve aandoening welke op termijn een slechte prognose heeft. Ik verwacht dat dit de carrière naar niveau van rijden en duur zal beperken. (…) Op enig moment zal deze schouderklacht niet of onvoldoende reageren op behandeling en zal de carrière moeten worden beëindigd. Of hij het gewenste niveau van rijden nog kan bereiken is maar zeer de vraag.” In een op verzoek van de advocaat van [geïntimeerde] opgemaakt aanvullend verslag van [de dierenarts 2] van 2 juli 2020 staat vermeld dat de reactie op een eventuele behandeling van het schoudergewricht “individueel verschillend” is “en ook steeds beperkt in tijd” is, “Dus het sportieve gebruik zal ook tegen zijn grenzen aan leunen en is individueel verschillend. Ook het terugkeren op niveau is niet zeker en steeds van beperkte duur. Finaal zal dit sowieso leiden tot chronisch, pertinent manken of claudicatie. Zelfs onnodig lijden van de pony kan de kop opsteken zodat euthanasie best uitgevoerd kan worden. (…) De prognose is zeer gereserveerd met op lange termijn zelfs een ongunstige prognose (…).”

3.29.

Aan de hand van deze verklaringen komt het hof tot de conclusie dat de pony niet geschikt is voor de dressuursport op hoog niveau en niet aan de koopovereenkomst beantwoordt.

3.30.

Daarbij komt dat ook de door Stal 104 ingeschakelde [de dierenarts 4] , verbonden aan Dierenkliniek Wolvega, in antwoord op vragen van de advocaat van Stal 104 bij e-mail van 14 september 2020 schriftelijk heeft verklaard dat het “te verwachten” is “dat de vastgestelde fractuur het functioneren als sportpony, al dan niet op lange termijn, in de weg staat.”

3.31.

Weliswaar heeft de door Stal 104 ingeschakelde [dierenarts 5] , verbonden aan Hippique [[X]] B.V. in [plaats] , in antwoord op vragen van de advocaat van Stal 104 bij e-mail van 3 januari 2022 schriftelijk verklaard dat “het breukje (…) doorgaans geen klachten” oplevert en dat “de klachten (…) door de artrosevorming” zijn ontstaan, maar deze verklaring leidt het hof niet tot een andere conclusie. Dit alleen al omdat ook deze dierenarts heeft verklaard dat er - daargelaten de oorzaak daarvan - sprake is van klachten bij de pony.

3.32.

Daarnaast hebben vier dierenartsen gemotiveerd andersluidend verklaard en ook heeft [geïntimeerde] een schriftelijke reactie van [de dierenarts 2] in het geding gebracht, waarin [de dierenarts 2] de verklaring van [dierenarts 5] weerspreekt. [de dierenarts 2] heeft onder meer verklaard: “Hij schrijft dat een fractuur (...) geen aanleiding geeft tot klachten. Dit impliceert dat deze fractuur een fractuur betreft van een nodeloos bot. Echter (…) deze fractuur geeft aanleiding tot een erge lichamelijke reactie, namelijk artrose. Artrose ontwikkelt zich in dit geval ten gevolge van een fractuur die in communicatie staat met (…) het schoudergewricht. En dit bot is functioneel belangrijk, anders zou dit geen aanleiding geven tot erge botreactie en artrose. Deze artrose ontwikkeling wekt niet enkel gewrichts- en botveranderingen op, maar door het verminderde gebruik van het gewricht leidt dit zelfs tot spieratrofie. Daarbij tevens zeggen dat dit pijnloos is opgetreden tart ook elke verbeelding. (…) Een definitieve genezing of verbetering is echter niet mogelijk. De pony zal nooit als sportpony kunnen dienen en ook als gewone rij pony zijn de verwachtingen zeer slecht. (…) Dit is niet zoals collega [dierenarts 5] schrijft een ‘breukje’ waar de pony geen last van zou hebben. Ook is niet correct dat [dierenarts 5] stelt dat de pony pas last heeft gekregen van het letsel nadat er artrose was ontstaan. Het ontstaan van een dergelijke breuk is zeer pijnlijk en de pony kan vanaf dat moment niet meer gereden worden en moet langere tijd stalrust hebben.”

Bovendien heeft [dierenarts 5] de pony niet zelf onderzocht, dit in tegenstelling tot de drie door [geïntimeerde] ingeschakelde dierenartsen.

ten tijde van de aflevering

3.33.

In het onderzoeksverslag van [de dierenarts 1] staat vermeld dat “er een duidelijke

remodelering van het tuberculum en van het aangrenzende schouderblad zichtbaar” is en dat het “Gezien de al aanwezige remodelering (…) waarschijnlijk” lijkt “dat de breuk al langer bestaat.” Verder staat in dit verslag vermeld dat de pony een “Opvallend deukje ter hoogte van de schouder RV” heeft, dat “ter plaatse (…) zeer pijnlijk bij diepe palpatie” is. In het verslag van [de dierenarts 2] staat vermeld dat het gaat om een “oude fractuur (…) (minstens 3 maanden oud)” en dat “dit letsel vermoedelijk opgelopen is voor 2017. Op dat moment hadden ze een vermoeden van claudicatie tgv letsel in de carpus. Collega van Dierenartsen Midden Brabant zijn nu tot conclusie gekomen dat de claudicatie komt van de schouder. Dit kunnen wij alleen maar bevestigen.” In het verslag van [de dierenarts 3] staat vermeld: “Voor wat het ontstaan van de fractuur betreft kan ik zeggen dat hij op basis van de röntgenbeelden tenminste drie maanden oud is. Echter de pony heeft, volgens de eigenaar, geen ernstige kreupelheidsklachten gehad sinds de aankoop. Verder wordt er in de historie gesproken van trauma van het rechtervoorbeen, waarvan de littekens aan de binnenzijde van de pijp en de schouder ook getuigen. Klinisch en röntgenologisch onderzoek van [de pony] , in combinatie met de historie van de eigenaar overtuigt mij ervan dat de fractuur ouder is dan het moment van aankoop.”

3.34.

In het aanvullend verslag van [de dierenarts 3] staat vermeld: “Op basis van de mij beschikbare kennis van deze casus lijkt het me niet mogelijk dat de pony de fractuur heeft opgelopen in de periode dat hij bij [geïntimeerde] in bezit is. Ten eerste omdat er bij aankoop al zichtbare veranderingen zijn in het gebied van de schouder die duiden op een letsel in het verleden. [geïntimeerde] heeft mij foto’s van [de pony] laten zien welke zijn gemaakt vóór de aankoop. Hierop is te zien dat er een litteken in de vorm van een deuk aanwezig is bij de rechter schouder. Ten tweede omdat de pony, na ontstaan van de fractuur gedurende naar verwachting 2-4 maanden ernstig pijnlijk en kreupel moet zijn geweest. Dat past niet in de anamnese zoals ik die heb gekregen.” In het aanvullend verslag van [de dierenarts 2] staat vermeld: “Als een pony zulk letsel oploopt is deze dadelijk erg mank (in stap is dan al duidelijk manken te zien). (…) In dit specifiek geval gaat het over een oud letsel (cfr. RX onderzoek), dat op spontane wijze deels geheeld is en artrotische veranderingen aangebracht heeft bij dit schoudergewricht. Deze evolutie kan nooit gebeurd zijn in de periode dat de pony in eigendom is van de heer [geïntimeerde] . Omdat in de acute en subacute fase de pony min. 6 maanden boxrust moet hebben (geen operatie uitgevoerd) om tot enige heling te komen. Deze fase gaat steeds gepaard met erg manken dat vervolgens geleidelijk wegebt met lokale infiltratie en ontstekingsremmer (een periode van min. 6-12 maand is hiervoor vereist). (…) Het oplopen van het insult is minimum 1 jaar tot enkele jaren oud. De letsels van artrose van de schouder evolueren gestadig en zullen op termijn tot immobiliteit van de pony leiden.”

3.35.

[geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de pony door de schouderfractuur reeds ten tijde van de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde ook een door hem opgestelde tijdslijn, foto’s van de pony van voor de koop en een keuringsrapport met betrekking tot de pony van [dierenarts 6] in [plaats] van 14 augustus 2017 in het geding gebracht.

3.36.

Uit deze tijdslijn valt naar het oordeel van het hof op te maken dat de pony van juli 2019 tot en met februari 2020 regelmatig bereden is. Op de foto’s daterend van voor de koop van de pony is rechtsvoor een deukje in de schouder van de pony te zien. En uit bedoeld keuringsrapport uit 2017 - waarin Stal 104 als koper staat vermeld - valt op te maken dat de pony recent een ongeluk heeft gehad, dat de pony bij die keuring rechtsvoor niet helemaal goed liep, dat hij gevoelig reageerde op het litteken op zijn rechtervoorbeen en dat geadviseerd is de keuring enige tijd later nog een keer te herhalen.

3.37.

Aan de hand van de verklaringen van de door [geïntimeerde] ingeschakelde dierenartsen, bezien in samenhang met de hiervoor onder 3.35 vermelde stukken, komt het hof tot de conclusie dat de pony reeds ten tijde van de aflevering niet geschikt was voor de dressuursport op hoog niveau en al ten tijde van de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. In de verklaringen van de dierenartsen wordt melding gemaakt van remodelering/artrose, hetgeen duidt op een oudere fractuur. Uit de tijdslijn valt op te maken dat de pony bij [geïntimeerde] steeds gereden is, terwijl uit de verklaringen van de dierenartsen volgt dat de pony na het oplopen van de fractuur (ernstige) kreupelheidsklachten moet hebben gehad en gedurende langere tijd (box)rust moet hebben gehad. Daarmee is uitgesloten dat de fractuur na aflevering van de pony aan [geïntimeerde] is ontstaan. Het deukje in de schouder van de pony betekent wellicht niet dat - zoals dierenarts Van Kampen heeft verklaard - de fractuur met het blote oog is waar te nemen, maar daarmee is niet weersproken dat het deukje in de schouder van de pony duidt op een verandering/letsel in de schouder van de pony. Niet betwist is dat de foto’s waarop dit deukje te zien is, dateren van voor de koop van de pony. Dit bevestigt de conclusie dat de pony al ten tijde van de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Het keuringsrapport uit 2017, waarin melding wordt gemaakt van letsel aan het rechtervoorbeen van de pony, sluit daar naadloos op aan.

3.38.

De door Stal 104 ingeschakelde dierenarts, Van Kampen, heeft schriftelijk verklaard “dat er sprake is van forse remodelering”, zodat kan worden “gesteld (…) dat vastgestelde

fractuur reeds enige tijd aanwezig is. Een exacte termijn hiervoor kan echter in mijn ogen niet gesteld worden. De gestelde 3 maanden door collega [de dierenarts 3] is niet ondenkbaar.” De door Stal 104 ingeschakelde [dierenarts 5] , heeft schriftelijk verklaard: “Het is niet redelijk te veronderstellen dat dit trauma (zoals een val) zich heeft voorgedaan bij de verkoper gelet op de periode waarin artrosevorming plaatsvindt. Ik ga er dan ook vanuit dat het trauma in 2020 is opgelopen en de klachten snel daarna ontstonden door de artrosevorming.”

3.39.

Deze verklaringen leiden het hof niet tot een andere conclusie. De verklaring van dierenarts Van Kampen sluit, bezien in samenhang met de hiervoor onder 3.35 vermelde stukken, aan op de verklaringen van de door [geïntimeerde] ingeschakelde dierenartsen.

Daarmee hebben vier dierenartsen gemotiveerd andersluidend verklaard dan [dierenarts 5] en ook heeft [de dierenarts 2] in een schriftelijke reactie de verklaring van [dierenarts 5] weersproken. [de dierenarts 2] heeft onder meer verklaard: “Ik ben er van overtuigd dat dit letsel niet pijnloos kan zijn verlopen. Dit moet aanleiding gegeven hebben tot erg manken en dientengevolge onherroepelijke stalrust. Er is een keuringsrapport uit 2017 waarbij [dierenarts 6] vermeldt dat de pony [de pony] rechtsvoor op dat ogenblik niet goed was en voor herkeuring in aanmerking kwam. Achteraf zien we dat het paard in 2018 slechts aan enkele regionale wedstrijden deelneemt. (…) Feit is echter dat pony [de pony] ruim 15 maanden niet heeft deelgenomen aan wedstrijden. In ons onderzoek hebben wij eerder reeds aangegeven dat een tijdelijke verbetering van 6 tot 9 maanden, door een behandeling (…) mogelijk is. Of door een langdurige rustperiode kan ook een tijdelijke verbetering optreden. Een definitieve genezing of verbetering is echter niet mogelijk. De pony zal nooit als sportpony kunnen dienen en ook als gewone rij pony zijn de verwachtingen zeer slecht. Het feit dat de pony [de pony] enkele maanden naar behoren heeft gefunctioneerd is hiermede ook verklaard. Toen de pony echter weer op niveau moest werken openbaarde zich het oude letsel wederom. (…) Ook is niet correct dat [dierenarts 5] stelt dat de pony pas last heeft gekregen van het letsel nadat er artrose was ontstaan. Het ontstaan van een dergelijke breuk is zeer pijnlijk er de pony kan vanaf dat moment niet meer gereden worden en moet langere tijd stalrust hebben.”

3.40.

Voor zover Stal 104 nog bedoeld heeft aan te voeren dat de pony voor de verkoop aan [geïntimeerde] op het allerhoogste niveau heeft gepresteerd en daaruit volgt dat de fractuur niet aan het gebruik van de pony voor de wedstrijdsport op hoog niveau in de weg heeft gestaan, verwerpt het hof dit betoog. Uit de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte wedstrijdresultaten van de pony vóór de verkoop valt immers op te maken dat de pony al ruim een jaar voor de verkoop niet meer op wedstrijden is uitgebracht.

3.41.

Stal 104 heeft verder gesteld dat [persoon A] in februari 2020 geconstateerd heeft dat er

- met correcte training - niets met de pony aan de hand was. Deze stelling is weerlegd met de hiervoor weergegeven verklaringen van de dierenartsen. Dat er nog met de pony gereden is, doet niet af aan de fractuur en de als gevolg daarvan slechte prognose voor het gebruik van de pony. Voor zover Stal 104 ook bedoeld heeft te betogen dat de klachten van de pony door verdere training bij [persoon A] opgelost zouden kunnen worden, stuit dit betoog eveneens af op de hiervoor weergegeven verklaringen van de dierenartsen.

3.42.

Stal 104 heeft ook nog aangevoerd dat de pony bij [geïntimeerde] gewond is geraakt en dat het denkbaar is dat de klachten van de pony daaruit voortvloeien, maar dit betoog faalt. Hoewel juist is dat [geïntimeerde] de pony op 18 maart 2020 door [de dierenarts 1] heeft laten onderzoeken, omdat de pony kreupel uit de wei was gekomen en een klein wondje rechtsvoor op de (voor)knie (carpus) had, valt uit het onderzoeksverslag van deze dierenarts op te maken dat dit wondje “als oorzaak van de kreupelheid (…) uitgesloten” is. Bovendien stuit de stelling dat de pony de fractuur op of kort voor 18 maart 2020 heeft opgelopen af op het feit dat de fractuur op 20 maart 2020 door [de dierenarts 1] is vastgesteld, terwijl in de verklaringen van de door [geïntimeerde] ingeschakelde dierenartsen melding wordt gemaakt van remodelering/artrose, hetgeen - zoals hiervoor reeds overwogen - duidt op een oudere fractuur. Daarmee komt aan het door Stal 104 in het geding gebrachte e-mailbericht van 18 maart 2020 geen betekenis toe over de aard en ernst van het letsel van de pony.

3.43.

Daarenboven heeft Stal 104 nog aangevoerd dat sprake is geweest van mismanagement van de pony door [geïntimeerde] .

3.44.

Volgens Stal 104 ontbeerde de pony deugdelijk hoefbeslag toen zij de pony op 24 februari 2021 heeft opgehaald bij [geïntimeerde] . Ook verkeerde de pony toen in een zeer slechte voedingsconditie en was hij totaal onverzorgd. Er was - aldus Stal 104 - sprake van ernstige verwaarlozing van de pony. Stal 104 heeft ter onderbouwing van deze stelling een foto van de pony in het geding gebracht van 24 februari 2021.

3.45.

Uit voormelde foto valt naar het oordeel van het hof geenszins op te maken dat sprake was van ernstige verwaarlozing van de pony door [geïntimeerde] . Bovendien heeft [geïntimeerde] een schriftelijke verklaring van [de dierenarts 2] van 9 november 2021 in het geding gebracht, waarin [de dierenarts 2] heeft verklaard dat hij de pony op 23 februari 2021 nogmaals heeft onderzocht, dat de pony toen “in goede conditie, niet te vet” was, dat de voeten van de pony “normaal van vorm en goed onderhouden zijn” en dat de pony, uitgezonderd “de oude schouderfractuur rechtsvoor”, “in goede gezondheid en met de best mogelijke fysische conditie” verkeerde. Verder heeft [geïntimeerde] schriftelijke verklaringen van zijn hoefsmid van 4 november 2021 en zijn paardenscheerder van 8 november 2021 in het geding gebracht, waarin dezen hebben verklaard dat de hoefijzers van de pony verwijderd zijn, omdat de pony “niet meer gereden werd”, dat het “gangbaar” is dat de hoefwand daarna “een fractie afgebrokkeld” is, maar dat dit zich goed herstelt en “niet voor schade op de langere termijn” zorgt respectievelijk dat “het niet nodig was om de pony te scheren”, omdat de pony “niet meer gereden werd” en de scheerder hem “daarom ook niet meer geschoren” heeft. Daarmee heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof de stelling van Stal 104 dat sprake was van mismanagement gemotiveerd weerlegd. Zeker tegenover de verklaring van [de dierenarts 2] die de pony de dag voorafgaand aan de teruggave aan Stal 104 nog heeft onderzocht

heeft Stal 104 haar stelling dat sprake was van mismanagement onvoldoende onderbouwd.

conclusie

3.46.

Op grond van het voorgaande komt het hof, zoals reeds in 3.37 overwogen, tot de conclusie dat de pony ten tijde van de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. [geïntimeerde] heeft dit aangetoond en hetgeen Stal 104 daartegen heeft ingebracht, is onvoldoende. Door een non-conforme pony te verkopen aan [geïntimeerde] is Stal 104 tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:265 BW mocht [geïntimeerde] de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbinden. Terecht en op goede gronden heeft de kantonrechter dan ook voor recht verklaard dat de koopovereenkomst op 18 december 2019 buitengerechtelijk is ontbonden wegens non-conformiteit.

onderzoeksplicht

3.47.

In haar memorie van grieven heeft Stal 104 zich wederom beroepen op het verzaken van de onderzoeksplicht door [geïntimeerde] . Het hof leest in de memorie van grieven echter geen andere relevante stellingen of weren dan die reeds in eerste aanleg door Stal 104 met betrekking tot de onderzoeksplicht zijn aangevoerd en door de kantonrechter duidelijk en gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de kantonrechter heeft overwogen en neemt die overweging over. Daarbij merkt het hof nog op dat [geïntimeerde] voor de aankoop van de pony weliswaar wist dat de pony een röntgenologische bemerking (osteochondrose (OC)) had, maar dat [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat deze bemerking volgens zijn dierenarts weinig risico zou opleveren én dat dit de linkerachterknie van de pony betreft.

ongedaanmakingsverbintenissen

3.48.

Als gevolg van de ontbinding van de koopovereenkomst ontstaan voor partijen op grond van artikel 6:271 BW verbintenissen tot ongedaanmaking van de reeds ontvangen prestaties. Terecht en op goede gronden heeft de kantonrechter Stal 104 dan ook veroordeeld om de pony terug te nemen en op te halen bij [geïntimeerde] onder terugbetaling van de koopsom ten bedrage van € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

verzorgings- en stallingskosten, leskosten en overige schade en kosten

3.49.

Naast terugbetaling van de koopsom heeft [geïntimeerde] ook vergoeding van verzorgings- en stallingskosten en overige schade en kosten gevorderd op de voet van artikel 7:24 BW in samenhang met artikel 6:277 BW en de artikelen 6:74 en 6:84 BW.

3.50.

[geïntimeerde] heeft in dat kader twee overzichten met betrekking tot de verzorgings- en stallingskosten en overige schade en kosten in het geding gebracht. Volgens het eerste overzicht bedragen de verzorgings- en stallingskosten, die bestaan uit kosten voor voer, hooi, supplementen, vlas en kosten van de hoefsmid, in totaliteit € 280,00 per maand. Daarbij komen nog de leskosten van € 200,00 per maand. De overige in dit overzicht weergegeven schade en kosten bestaan - zo begrijpt het hof - uit reiskosten groot € 350,00, kosten van de zadelpasser groot € 100,00, kosten van de dierenarts groot € 2.393,00 en kosten van de tandarts groot € 183,00 alsmede kosten voor medicatie groot € 500,00. Volgens het tweede overzicht bedragen de verzorgings- en stallingskosten slechts € 250,00 per maand, omdat de pony niet gereden wordt en veel buiten loopt en minder voer krijgt. De leskosten en overige in dit overzicht weergegeven schade en kosten zijn gelijk aan de schade en kosten in het eerste overzicht, met dien verstande dat ook de kosten voor medicatie lager zijn (€ 278,00) en daarenboven kosten van de osteopaat (€ 150,00) gevorderd worden.

3.51.

Het hof stelt voorop dat voor toekenning van aanvullende schadevergoeding als door

[geïntimeerde] gevorderd niet slechts sprake moet zijn van een tekortkoming aan de zijde van Stal 104 (zie hiervoor onder 3.46), maar van een toerekenbare tekortkoming.

3.52.

Stal 104 heeft zich in dat verband - zo begrijpt het hof - op het standpunt gesteld dat zij niet op de hoogte was van het gebrek aan de pony, zodat de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend.

3.53.

Niet in geschil is echter dat Stal 104 beschikte over het keuringsrapport uit 2017, waaruit valt op te maken dat de pony recent een ongeluk had gehad, dat de pony bij die keuring rechtsvoor niet helemaal goed liep, dat hij gevoelig reageerde op het litteken op zijn rechtervoorbeen en dat geadviseerd is de keuring enige tijd later nog een keer te herhalen. In samenhang bezien met de aanvullende verklaringen van de dierenartsen [de dierenarts 3] en [de dierenarts 2] , waaruit volgt dat de pony na het ontstaan van de schouderfractuur een langere periode kreupel moet zijn geweest en gerevalideerd moet hebben, en de wedstrijdresultaten van de pony vóór de verkoop, waaruit valt op te maken dat de pony al ruim een jaar voor de verkoop niet meer op wedstrijden is uitgebracht, leidt het voorgaande het hof tot de conclusie dat de stelling van Stal 104 dat zij niet wist van het gebrek onvoldoende is om de tekortkoming niet krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening te laten komen. Daarbij betrekt het hof dat Stal 104 bij de verkoop van de pony handelde in de uitoefening van haar beroep of bedrijf en dat [geïntimeerde] de pony als particulier heeft gekocht.

3.54.

De omstandigheid dat [geïntimeerde] de pony bij aankoop niet opnieuw heeft laten keuren, leidt het hof niet tot een ander oordeel (zie hiervoor onder 3.47).

3.55.

[geïntimeerde] heeft recht op vergoeding van de schade die hij heeft geleden doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst heeft plaatsgevonden (artikel 6:277 lid 1 BW). Uitgangspunt daarbij is dat het positief contractsbelang wordt vergoed. De verschuldigde schadevergoeding wordt gevonden door vergelijking van twee denkbare vermogenssituaties: enerzijds die welke zou zijn voortgevloeid uit een in alle opzichten onberispelijke nakoming, anderzijds die welke zou resulteren in een ontbinding zonder schadevergoeding, na afwikkeling van de daaruit voortvloeiende restitutieverplichtingen. Op de verplichting tot schadevergoeding zijn de artikelen 6:74 BW en verder en de artikelen 6:95 BW en verder van toepassing. Voor de toewijzing van aanvullende schadevergoeding is vereist dat er causaal verband bestaat tussen de (gestelde) schade en de non-conformiteit van de pony.

3.56.

Ten aanzien van de verzorgings- en stallingskosten heeft te gelden dat [geïntimeerde] deze kosten ook had moeten maken indien de pony wel had beantwoord aan de overeenkomst. Dat [geïntimeerde] extra kosten heeft moeten maken vanwege de non-conformiteit van de pony is niet gebleken. Vast staat wel dat Stal 104 de pony na de buitengerechtelijke ontbinding op 18 december 2019 niet heeft opgehaald en teruggenomen, maar dat zij de pony eerst op 24 februari 2021 heeft opgehaald en teruggenomen. De verzorgings- en stallingskosten over die periode zijn dan ook toewijsbaar. Stal 104 heeft de hoogte van de door [geïntimeerde] gevorderde verzorgings- en stallingskosten niet weersproken. Overeenkomstig de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte tijdslijn gaat het hof bij de berekening van deze kosten ervan uit dat de pony in de periode van 18 december 2019 tot en met februari 2020 nog gereden werd, zodat over die periode een bedrag van

€ 280,00 per maand vergoed dient te worden en dat de pony vanaf maart 2020 tot en met 24 februari 2021 niet meer gereden werd, zodat over die periode een bedrag van € 250,00 per maand vergoed dient te worden. In totaliteit is een bedrag groot (2,5 maanden x € 280,00 en 11,5 maanden x € 250,00 =) € 3.575,00 aan verzorgings- en stallingskosten toewijsbaar.

3.57.

Ten aanzien van de leskosten heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof evenmin onvoldoende onderbouwd dat hij deze kosten in de eerste maanden na aankoop heeft moeten maken vanwege de non-conformiteit van de pony. Bij brief van 18 december 2019 heeft [geïntimeerde] te kennen gegeven dat de pony “sinds enige tijd (…) niet meer te berijden” is voor zijn dochter. Bovendien acht het hof het, gezien de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte tijdslijn (zie hiervoor onder 3.36) niet aannemelijk dat ook na februari 2020 nog met de pony is gelest. Om die reden acht het hof de gevorderde leskosten toewijsbaar over de periode van december 2019 tot en met februari 2020. Stal 104 heeft de hoogte van de door [geïntimeerde] gevorderde leskosten niet weersproken. Daarmee is aan leskosten toewijsbaar een bedrag groot (3 maanden x € 200,00 =) € 600,00.

3.58.

De overige schade en kosten bestaan uit reiskosten groot € 350,00, kosten van de zadelpasser groot € 100,00, kosten van de dierenarts groot € 2.393,00 en kosten van de tandarts groot € 183,00 alsmede kosten van de osteopaat groot € 150,00 en kosten voor medicatie groot € 500,00 althans € 278,00. Van deze schade en kosten staat naar het oordeel van het hof voldoende vast dat deze in causaal verband staan met de non-conformiteit van de pony. Deze schade en kosten, waarvan de hoogte door Stal 104 niet is weersproken, zou niet zijn geleden respectievelijk zouden niet zijn gemaakt als de pony aan de overeenkomst had beantwoord. Deze schade en kosten - waarbij het hof de kosten voor medicatie middelt - zijn dan ook toewijsbaar voor een bedrag groot € 3.565,00.

3.59.

De door [geïntimeerde] over deze bedragen gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar als hierna in het dictum weergegeven, nu daartegen door Stal 104 geen specifiek verweer is gevoerd.

andere grondslagen

3.60.

Voor de volledigheid merkt het hof op dat de resterende door [geïntimeerde] gevorderde vergoedingen van schade en kosten (als toegewezen door de kantonrechter) ook niet ingevolge de overige grondslagen waarop [geïntimeerde] zijn vorderingen baseert voor vergoeding in aanmerking komen.

3.61.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd gesteld om te kunnen concluderen dat sprake is van bedrog aan de zijde van Stal 104. Dat de tekortkoming naar het oordeel van het hof krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van Stal 104 dient te komen, maakt niet dat vast is komen te staan dat Stal 104 wist van de schouderfractuur, laat staan dat aan de zijde van Stal 104 sprake is geweest van het opzettelijk doen van onjuiste mededelingen of het opzettelijk verzwijgen van informatie met betrekking tot de gezondheid van de pony als bedoeld in artikel 3:44 BW.

Daarbij betrekt het hof dat het naar eigen zeggen van [geïntimeerde] niet gebruikelijk is om bij een aankoopkeuring ook röntgenfoto’s van de schoudergewrichten te maken en dat er ondanks de schouderfractuur nog met de pony gereden is kunnen worden (zie hiervoor onder 3.41).

3.62.

Ook heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd gesteld om te kunnen concluderen dat sprake is van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) aan de zijde van Stal 104. Niet is komen vast te staan dat Stal 104 bewust onjuiste mededelingen heeft gedaan of bewust informatie heeft verzwegen over de gezondheid van de pony.

3.63.

Nu ten aanzien van dwaling geldt dat alleen als aan de vereisten van onrechtmatige daad is voldaan de dwalende jegens zijn wederpartij recht heeft op schadevergoeding (MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 915), kan ook het beroep op (wederzijdse) dwaling (artikel 6:228 BW) niet leiden tot toewijzing van de resterende door [geïntimeerde] gevorderde vergoedingen.

3.64.

Van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) is evenmin sprake. Niet valt in te zien dat een eventuele verrijking van Stal 104 tot aan het moment van ontbinding van de overeenkomst als ongerechtvaardigd dient te worden aangemerkt. Verder volgt uit het voorgaande dat de door [geïntimeerde] gevorderde schade en kosten betrekking hebbend op de periode na de ontbinding van de overeenkomst grotendeels worden toegewezen en dat voor zover deze schade en kosten niet worden toegewezen evenmin sprake kan zijn van een verrijking die als ongerechtvaardigd moet worden aangemerkt.

schadebeperkingsplicht

3.65.

In haar memorie van grieven heeft Stal 104 zich wederom beroepen op schending van de schadebeperkingsplicht door [geïntimeerde] . Zij heeft in dat verband aangevoerd dat [geïntimeerde] heeft verzuimd adequate expertise in te schakelen nadat het gedrag van de pony volgens [geïntimeerde] gevaarlijke situaties opleverde. Dit betoog faalt reeds omdat [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat hij instructeurs, een tandarts en een zadelpasser heeft geraadpleegd. Ook heeft Stal 104 net als in eerste aanleg aangevoerd dat [geïntimeerde] (te) lang heeft gewacht met het inschakelen van een dierenarts. Deze stelling is door de kantonrechter al duidelijk en gemotiveerd verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de kantonrechter heeft overwogen en neemt die overweging over. Verder heeft Stal 104 in dat verband nog aangevoerd dat de pony is uitgegleden en kreupel is geraakt en dat [geïntimeerde] de pony niet tijdig heeft laten onderzoeken, laat staan behandelen voor zover dat nodig zou zijn geweest. Voor zover Stal 104 hiermee doelt op de kreupelheid in maart 2020 verwerpt het hof dit betoog, nu vast is komen te staan dat deze kreupelheid het gevolg is geweest van de schouderfractuur. Dat de pony niet tijdig is onderzocht en (voor zover mogelijk) behandeld, heeft Stal 104 niet nader onderbouwd en blijkt nergens uit. Voor zover Stal 104 hiermee doelt op enige andere kreupelheid gaat het hof aan dit betoog voorbij bij gebreke van enige nadere onderbouwing.

3.66.

Stal 104 heeft in het kader van de door haar gestelde schending van de schadebeperkingsplicht door [geïntimeerde] ook aangevoerd dat sprake was van ernstige verwaarlozing van de pony door [geïntimeerde] . Dit betoog stuit echter af op hetgeen het hof hiervoor in de rechtsoverwegingen 3.43 en verder heeft overwogen.

veeggrief

3.67.

Grief IX is gericht tegen de toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] door de

kantonrechter en de proceskostenveroordeling. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis

en behoeft om die reden geen nadere behandeling.

bewijslevering

3.68.

Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Stal 104 heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] , haar standpunt met betrekking tot de conformiteit van de pony ten tijde van de aflevering en ook haar standpunt ter zake de staat van de pony bij teruggave onvoldoende onderbouwd om aan bewijslevering toe te komen en zij heeft voor het overige in hoger beroep bovendien niets aangevoerd dat tot andere conclusies aanleiding kan geven. [geïntimeerde] heeft ten aanzien van de vergoeding van schade en kosten onvoldoende concreet feitelijke stellingen aangevoerd, die indien die komen vast te staan, tot een andere beslissing aanleiding geven.

Slotsom

3.69.

De slotsom is dat het hoger beroep deels slaagt, maar dat dit slechts leidt tot een gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de veroordeling van Stal 104 in de verzorgings- en stallingskosten, de leskosten en overige schade en kosten betreffend, te vermeerderen met de wettelijke rente. Stal 104 zal worden veroordeeld tot vergoeding van de verzorgings- en stallingskosten, de leskosten en overige schade en kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als hierna in het dictum weergegeven. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.

3.70.

Voor terugbetaling van hetgeen krachtens het bestreden vonnis al door Stal 104 is betaald, als gevorderd door Stal 104, bestaat bij deze uitkomst slechts grond voor zover Stal 104 meer heeft betaald aan [geïntimeerde] aan verzorgings- en stallingskosten, leskosten en overige schade en kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, dan waartoe zij op grond van het hierna weergegeven dictum gehouden is.

3.71.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal het hof Stal 104 veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten worden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 338,00 aan griffierecht en € 2.884,00 voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (2 punten, tarief III in hoger beroep à € 1.442,00 per punt).

4 De uitspraak

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 4 februari 2021, voor zover Stal 104 hierin is veroordeeld tot vergoeding van:

- de verzorgings- en stallingskosten die [geïntimeerde] heeft gemaakt ten behoeve van [de pony] van € 280,00 per maand vanaf 4 juli 2019 tot de dag dat Stal 104 de pony ophaalt, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 juli 2019;

- de aanvullende schade die [geïntimeerde] heeft geleden ter hoogte van totaal € 3.726,00 alsmede kosten die gemaakt zijn en nog worden gemaakt ten behoeve van de pony tot de dag dat Stal 104 de pony ophaalt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2019;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Stal 104 tot vergoeding van de verzorgings- en stallingskosten die [geïntimeerde] in de periode van 18 december 2019 tot en met 24 februari 2021 heeft gemaakt ten behoeve van de pony ten bedrage van € 3.575,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag

vanaf 18 december 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Stal 104 tot vergoeding van de leskosten die [geïntimeerde] in de periode van december 2019 tot en met februari 2020 heeft gemaakt ten behoeve van de pony ten bedrage van € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 december 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Stal 104 tot vergoeding van aanvullende schade die [geïntimeerde] heeft geleden en aanvullende kosten die [geïntimeerde] ten behoeve van de pony heeft gemaakt ter hoogte van in totaal € 3.565,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 december 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Stal 104 in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 338,00 aan griffierecht en op € 2.884,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan Stal 104 terug te betalen hetgeen Stal 104 ter uitvoering van het bestreden vonnis meer aan [geïntimeerde] heeft betaald dan waartoe zij op grond van onderhavig dictum gehouden is;

wijst af het (in hoger beroep) meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.K.N. Vos, O.G.H. Milar en A. van Zanten-Baris en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 augustus 2022.

griffier rolraadsheer