Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:3

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-01-2022
Datum publicatie
05-01-2022
Zaaknummer
200.269.099_02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:9395
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering om conservatoir beslag op paard op te heffen. Onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser vóór het leggen van het beslag eigenaar is geworden van het paard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.269.099/02

arrest van 4 januari 2022

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. ing. J.J. Patelski te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.A.J. Emonds te ‘s-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 7 januari 2020 in het hoger beroep van het vonnis van 22 oktober 2019, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

5 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 7 januari 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald

  • -

    de mededeling op de rol dat de mondelinge behandeling niet is gehouden

  • -

    de memorie van grieven met producties 7, 8 en 9

  • -

    de memorie van antwoord met productie A, B, C en D

  • -

    de akte van [appellant]

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde]

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De feiten

In dit hoger beroep neemt het hof tot uitgangspunt de feiten die de rechtbank voorzieningenrechter heeft vastgesteld in onderdeel 2 van het bestreden vonnis.

Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

6.1.

[geïntimeerde] is vanaf 2010 eigenaar geweest van de merrie [merrie] (met levensnummer [levensnummer] ). Op 3 maart 2014 heeft [geïntimeerde] het paard afgegeven aan [persoon A] , die gehuwd is met [persoon B] . [persoon B] heeft een onderneming te [locatie] , met de naam [onderneming] . Nadien heeft [merrie] drie nakomelingen gekregen, [nakomeling 1] (2016), [nakomeling 2] (2017) en [nakomeling 3] (2018).

6.2.

[geïntimeerde] heeft op enig moment aan [persoon B] verzocht om afgifte van [merrie] en haar nakomelingen. [persoon B] heeft dit geweigerd.

6.3.

[geïntimeerde] heeft in kort geding gevorderd dat [persoon B] zal worden veroordeeld om de paarden aan haar af te geven. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen bij vonnis van 14 januari 2019.

6.4.

Op 1 februari 2019 heeft [geïntimeerde] ten laste van [persoon A] en [persoon B] conservatoir beslag laten leggen [merrie] . [merrie] bevond zich toen op het terrein van de onderneming van [persoon B] .

6.5.

Bij arrest van dit hof van 17 september 2019 is het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 januari 2019 bekrachtigd.

7 De procedure in eerste aanleg

7.1.

In de onderhavige procedure heeft [appellant] gevorderd:

‘1. Dat U Edelachtbare Heer/Vrouwe de Voorzieningenrechter het conservatoir

verhaalsbeslag op het paard [merrie] (levensnummer [levensnummer] ) opheft en

2. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de kosten rechtens te verhogen met

wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen

(eind)vonnis, alsmede [geïntimeerde] te veroordelen in de nakosten, begroot op

€ 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval

[geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan deze

uitspraak heeft voldaan, alsmede de kosten van de betekening van het vonnis,

althans een door U Edelachtbare Heer/Vrouwe de Voorzieningenrechter in

goede justitie te bepalen proces- en nakostenveroordeling.

een en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.’

7.2.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De stellingen en verweren van partijen komen hierna aan de orde, voor zover in hoger beroep van belang.

7.3.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen. Bij vonnis van 21 november 2019 heeft de rechtbank een kennelijke fout in de vaststelling van de proceskosten en de proceskostenveroordeling verbeterd.

8 De beoordeling in hoger beroep

8.1.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van de volgende vorderingen:

‘1. Het namens [geïntimeerde] gevestigde conservatoir verhaalsbeslag op het paard [merrie]

(levensnummer [levensnummer] ) op te heffen.

2. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen de

nakosten, te stellen op € 133,- (zonder betekening) en € 206,- (met betekening), onder

bepaling dat geïntimeerde de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd wordt

wanneer deze niet binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen

arrest zijn betaald.’

Het geschil in het kort

8.2.

[appellant] stelt dat hij eigenaar van [merrie] is. Volgens [appellant] heeft [persoon A] [merrie] met drie nakomelingen aan hem verkocht en geleverd, voordat [geïntimeerde] daarop beslag heeft laten leggen. Hij verlangt dat [geïntimeerde] het beslag opheft. [geïntimeerde] voert aan dat zij de eigenaar is van [merrie] en zij bestrijdt dat [appellant] de paarden heeft gekocht.

Spoedeisend belang

8.3.

Het is niet of onvoldoende weersproken dat het belang van [appellant] bij opheffing van het beslag toereikend is voor behandeling van zijn vorderingen in kort geding.

Eigendom [geïntimeerde]

8.4.

[appellant] heeft erop gewezen dat de rechtbank Limburg uitspraak heeft gedaan in een bodemzaak tussen [geïntimeerde] enerzijds en [persoon A] en [persoon B] anderzijds over de eigendom van onder meer [merrie] . Nadat de rechtbank bij tussenvonnis van 20 november 2019 [persoon A] en [persoon B] had toegelaten bewijs te leveren, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 12 augustus 2020 geoordeeld dat [persoon A] en [persoon B] erin zijn geslaagd te bewijzen dat [geïntimeerde] de paarden, waaronder [merrie] , in maart 2014 aan [persoon A] heeft verkocht en geleverd.

De vorderingen van [geïntimeerde] zijn afgewezen, maar de door [geïntimeerde] gelegde beslagen, waaronder dat op [merrie] , zijn niet opgeheven. [geïntimeerde] heeft hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld.

8.5.

Aan de uitspraak in het geding tussen [geïntimeerde] enerzijds en [persoon A] en [persoon B] anderzijds, heeft [appellant] geen conclusie verbonden voor de uitkomst van de onderhavige procedure. De uitspraak is ook niet van belang voor de uitkomst van deze procedure.

Het gaat in deze procedure om de vraag of [appellant] eigenaar is van [merrie] en niet of [geïntimeerde] eigenaar is. Alleen als [appellant] eigenaar is van [merrie] , heeft hij belang bij het opheffen van het beslag.

Koopovereenkomst [persoon A] - [appellant]

8.6.

Grief 1 betreft de vraag of [persoon A] [merrie] aan [appellant] heeft verkocht.

Volgens [appellant] blijkt de koopovereenkomst uit een schriftelijke verklaring op naam van [persoon A] van 11 november 2020 (productie 9 bij de memorie van grieven) en een factuur van [persoon A] waarop de datum van 1 augustus 2018 is vermeld (productie 2 bij dagvaarding).

8.7.

[geïntimeerde] heeft diverse omstandigheden naar voren gebracht die volgens haar erop wijzen dat geen sprake is van een daadwerkelijke koop, maar van een gefingeerde koop.

8.8.

Het gaat erom of [appellant] de eigendom van [merrie] heeft gekregen, en dus aan [appellant] is geleverd, voordat het beslag is gelegd. Indien het beslag is gelegd, voordat levering heeft plaatsgevonden, kan de eigendomsoverdracht niet tegen [geïntimeerde] worden ingeroepen door de blokkerende werking van het beslag. In deze procedure is niet in geschil dat als [merrie] vóór het leggen van het beslag aan [appellant] is verkocht, ook de levering en dus de eigendomsoverdracht voordien heeft plaatsgevonden. Het is dus de vraag of [merrie] vóór het leggen van het beslag aan [appellant] is verkocht. Het is aan [appellant] , die aan zijn vorderingen ten grondslag legt dat hij door de koop eigenaar is geworden van [merrie] , om voldoende te stellen waaruit volgt dat hij [merrie] vóór het leggen van het beslag heeft gekocht en zijn stellingen daarover aannemelijk te maken.

8.9.

In wezen heeft [appellant] geen ander bewijs of aanwijzing voor de gestelde verkoop dan verklaringen die hij aan [persoon A] toeschrijft. Zowel de schriftelijke verklaring als de factuur zijn immers volgens [appellant] afkomstig van [persoon A] . [persoon A] heeft, vanwege zijn geschil met [geïntimeerde] , een belang bij de uitkomst van dit kort geding. De verklaringen van [persoon A] acht het hof mede om die reden op zichzelf niet voldoende om de koop aannemelijk te achten.

8.10.

[appellant] heeft zijn stellingen over de verkoop niet op andere wijze aannemelijk gemaakt. In de eerste plaats heeft [appellant] in geen enkel opzicht aannemelijk gemaakt dat hij, zoals hij zegt, ‘semiprofessioneel’ handelt in paarden en in het kader daarvan [merrie] heeft gekocht. Van een inschrijving in het handelsregister, een btw-nummer of omzet in de paardenhandel blijkt niets. [appellant] heeft niet weersproken dat hij een bijstandsuitkering heeft. [appellant] heeft evenmin weersproken dat hij in een woonwijk woont, zonder nabijgelegen grasland. Waar zijn weide is, waar hij stelt [merrie] in augustus 2018 te hebben geplaatst (dagvaarding nr. 1), heeft hij niet duidelijk gemaakt. Verder ontbreekt elk bewijs en elke aanwijzing dat hij daadwerkelijk een koopprijs voor [merrie] aan [persoon A] heeft betaald. Daarnaast blijkt ook niet dat [appellant] na de gestelde koop enige kosten voor de verzorging of huisvesting van [merrie] heeft gemaakt, zoals voor stalling, voer of diensten van een dierenarts.

8.11.

Gelet op het voorgaande roepen de stellingen van [appellant] te veel vragen en twijfels op om in kort geding voldoende aannemelijk te achten dat [appellant] [merrie] heeft gekocht en eigenaar van [merrie] is geworden, vóór het leggen van het beslag door [geïntimeerde] . Grief 1 treft dus geen doel.

Beschrijving [merrie]

8.12.

Grief 2 bevat een uitleg van [appellant] voor het feit dat hij niet in staat was om de voorzieningenrechter een adequate beschrijving te geven van het uiterlijk van [merrie] .

8.13.

Het maakt geen verschil of [appellant] het uiterlijk van [merrie] weet te beschrijven.

Uit hetgeen het hof ten aanzien van grief 1 heeft overwogen, volgt dat dit niet doorslaggevend is voor de beslissing in dit kort geding.

Belangenafweging

8.14.

[appellant] heeft in dit kort geding het een en ander aangevoerd over de wederzijdse belangen die bij het beslag zijn betrokken. [appellant] stelt dat hij [merrie] wil verkopen, maar het is niet aannemelijk dat daarbij een dringend belang bestaat. [appellant] heeft er verder op gewezen dat [geïntimeerde] ook beslagen op andere goederen van [persoon A] en [persoon B] heeft gelegd die volgens hem voldoende zekerheid voor verhaal bieden. [appellant] heeft echter niet concreet gemaakt dat die beslagen voldoende verhaal bieden. Ook voor het overige heeft [appellant] geen belangen naar voren gebracht die zozeer opwegen tegen het belang van [geïntimeerde] bij het handhaven van het beslag, dat het beslag moet worden opgeheven, ondanks de twijfel die er is met betrekking tot de eigenaarspretenties van [appellant] .

Slot

8.15.

Grief 3 heeft geen zelfstandige betekenis en deelt dus het lot van de andere grieven.

8.16.

Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, behoeft het hof niet te bespreken. Er zijn immers geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of te bewijzen aangeboden, die tot een andere beslissing kunnen leiden. Het bewijsaanbod van [appellant] passeert het hof, omdat een kort geding zich niet leent voor bewijslevering.

8.17.

De slotsom is dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Proceskosten

8.18.

De proceskosten van het hoger beroep komen ten laste van [appellant] , omdat hij in het ongelijk is gesteld. Het hof stelt de proceskosten tot heden aan de zijde van [geïntimeerde] als volgt vast:

- griffierecht € 324,00

- salaris advocaat € 1.114,00 (tarief II, 1 punt)

totaal € 1.438,00

9 De uitspraak

Het hof:

9.1.

bekrachtigt het bestreden vonnis;

9.2.

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.438,00 tot heden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de dag van betekening van dit arrest tot de dag van betaling.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, L.S. Frakes en M.R. van Zanten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 januari 2022.

griffier rolraadsheer