Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:2906

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-08-2022
Datum publicatie
23-09-2022
Zaaknummer
20-002871-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich binnen één week schuldig heeft gemaakt aan meerdere (al dan niet gekwalificeerde) diefstallen in Helmond. Meer bepaald betreft het een diefstal vanuit een auto in de vroege ochtendspits bij een treinstation, een diefstal vanuit een woning in vereniging waarbij de verdachte op klaarlichte dag door middel van insluiping de woning is binnengedrongen, een nachtelijke diefstal in vereniging van twee kassalades uit een restaurant door middel van verbreking van de voordeur en een nachtelijke diefstal van een geldkluis uit een eetcafé. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Opheffing bevel voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002871-21

Uitspraak : 22 augustus 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 6 december 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-249025-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting ‘Nieuw Vosseveld 2’ –

het Huis van Bewaring te Vught.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
- ‘diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking’ (feit 1);
- ‘diefstal door twee of meer verenigde personen in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt’ (feit 2);
- ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking’ (feit 3) en
- ‘diefstal’ (feit 4),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest.
Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] integraal en hoofdelijk toegewezen tot het bedrag van € 853,23, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij [benadeelde 2] is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Ten behoeve van beide slachtoffers is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De benadeelde partij [benadeelde 2] is door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Deze benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Derhalve is deze vordering in hoger beroep niet aan de orde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte primair zal veroordelen tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest per

22 augustus 2022 en subsidiair tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest per 8 augustus 2022, telkens met aftrek van het voorarrest.

De raadsman van de verdachte heeft zich met betrekking tot het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast is vrijspraak van het onder feit 3 en feit 4 tenlastegelegde bepleit. Tevens is een straftoemetingsverweer gevoerd. Tegen de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is geen verweer gevoerd. Ten slotte is verzocht tot opheffing van het jegens de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg, tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 16 september 2021 te Helmond een transmitter bluetooth carkit en/of LED-lamp en/of magneetstrip en/of envelop, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om die/het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen/goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2.
hij op of omstreeks 15 september 2021 te Helmond tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan [adres] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),
- een horloge (zilveren) en/of
- een fiets (elektrische; merk/type: Stella Allegra Mdba Ea; kleur: wit; serienummer: [serienummer] ) en/of
- 200 euro (2x briefgeld 50 euro; 5x briefgeld 20 euro) en/of
- drie portemonnees (rood, blauw en zwart, met inhoud: sleutels en/of twee bankpassen [ING en ABN AMRO] en verschillende andere pasjes) en/of

- een handtasje en/of
- (huis)sleutels (van twee woningen) en/of
- een OV-chipkaart en/of
- een tas (handtas groen, ketting als hengsel) en/of
- een GSM (merk/type: Motorola Moto E, grijs; IMEI-nummer: [IMEI-nummer] ) en/of
- een helm en/of
- een ketting,
in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om die/het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.
hij op of omstreeks 12 september 2021 te Helmond tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee kassalades met inhoud (ongeveer 800 euro), in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 2] en/of restaurant [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om die/het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen/goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4.
hij op of omstreeks 10 september 2021 te Helmond geld (ongeveer 500 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 4] en/of eetcafé [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander, toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 16 september 2021 te Helmond een transmitter bluetooth carkit en LED-lamp en magneetstrip en envelop, die aan [benadeelde 3] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.
hij op 15 september 2021 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan [adres] ,
- een horloge (zilveren) en
- een fiets (elektrische; merk/type: Stella Allegra Mdba Ea; kleur: wit; serienummer: [serienummer] ) en
- 200 euro (2x briefgeld 50 euro; 5x briefgeld 20 euro) en
- drie portemonnees (rood, blauw en zwart) en
- (huis)sleutels (van twee woningen) en
- een OV-chipkaart en
- een tas (handtas groen, ketting als hengsel) en
- een GSM (merk/type: Motorola Moto E, grijs; IMEI-nummer: [IMEI-nummer] ) en
- een helm en
- een ketting,
die aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.
hij op 12 september 2021 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander, twee kassalades met inhoud (ongeveer 800 euro), die aan [benadeelde 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van verbreking;

4.
hij op 10 september 2021 te Helmond geld (ongeveer 500 euro) dat aan eetcafé [bedrijf 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde van het onder feit 1 en feit 4 tenlastegelegde wordt telkens als volgt gekwalificeerd:

diefstal.

Het bewezenverklaarde van het onder feit 2 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het bewezenverklaarde van het onder feit 3 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich binnen één week schuldig heeft gemaakt aan meerdere (al dan niet gekwalificeerde) diefstallen in Helmond. Meer bepaald betreft het een diefstal vanuit een auto in de vroege ochtendspits bij een treinstation, een diefstal vanuit een woning in vereniging waarbij de verdachte op klaarlichte dag door middel van insluiping de woning is binnengedrongen, een nachtelijke diefstal in vereniging van twee kassalades uit een restaurant door middel van verbreking van de voordeur en een nachtelijke diefstal van een geldkluis uit een eetcafé.
Door te handelen zoals bewezen is verklaard heeft de verdachte het eigendomsrecht van de slachtoffers geschonden. Dergelijk handelen veroorzaakt niet alleen materiële schade, maar zorgt eveneens voor overlast, ergernis en een gevoel van onveiligheid bij de slachtoffers. In het geval van de onder feit 2 bewezenverklaarde diefstal uit een woning is het op hoge leeftijd zijnde slachtoffer voorts geconfronteerd met een inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Terwijl zij buiten bezig was in haar tuin, is binnen haar huis doorzocht en zijn meerdere goederen, waaronder enige met haar dierbare emotionele herinneringen, weggenomen. Van dat alles heeft de verdachte zich kennelijk niets aangetrokken. Hij heeft slechts gehandeld uit het oogpunt van eigen financieel gewin. Het hof rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft in het kader van de straftoemeting acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 juni 2022, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Daaronder bevinden zich veroordelingen ter zake van vermogensdelicten. Die veroordelingen hebben de verdachte er klaarblijkelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte onder meer naar voren gebracht dat hij voornemens is om, wanneer hij op vrije voeten zal worden gesteld, eigen woonruimte en werk te gaan zoeken. In dat verband krijgt hij steun van een instelling voor maatschappelijke begeleiding in Helmond. De verdachte stelt voorlopig bij zijn moeder kunnen te verblijven. De verdachte heeft twee kinderen, met wie hij al geruime tijd geen contact meer heeft.

Het hof is van oordeel dat, ondanks de positieve wending die de verdachte aan zijn leven wil geven, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en zijn justitiële verleden, in verband met een juiste normhandhaving en gelet op de straffen die door dit hof in soortgelijke gevallen worden opgelegd, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van (gekwalificeerde) diefstallen, in aanmerking genomen.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Met oplegging van het voorwaardelijke deel van voormelde gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof komt daarmee tot een hogere gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal is gevorderd en dan waartoe door de verdediging bij pleidooi is verzocht, om de redenen als hiervoor vermeld.

Overeenkomstig het imperatief bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof tevens bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Naar het oordeel van het hof is het bepaalde in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, gelet op de hoogte van de op te leggen straf, niet aan de orde. Het hof wijst mitsdien het verzoek van de verdediging, strekkende tot onmiddellijke opheffing van de voorlopige hechtenis dan wel opheffing daarvan met ingang van het tijdstip waarop de duur van het voorarrest gelijk wordt aan elf maanden, af. Gelet op het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf zal het hof evenwel de voorlopige hechtenis opheffen met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 853,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering valt uiteen in de volgende posten:

  1. een bedrag van € 180,00 aan gestolen geld in een zwart nylon hoesje;

  2. een bedrag van € 20,00 aan gestolen geld in een zwart nylon hoesje;

  3. een bedrag van € 10,00 aan gestolen geld in een rode beugelportemonnee;

  4. een bedrag van € 35,00 aan gestolen geld in een tasje dat in gang hing;

  5. een bedrag van € 13,00 voor een hoesje van een telefoon;

  6. een bedrag van € 261,23 voor de aanschaf van nieuw hang- en sluitwerk;

  7. een bedrag van € 20,00 voor een ontvreemd groen schoudertasje;

  8. een bedrag van € 10,00 voor een ontvreemde zwart lederen portemonnee;

  9. een bedrag van € 9,00 voor tijdelijk vervangende sleutels als noodoplossing na de diefstal;

  10. een bedrag van € 295,00 aan smartengeld.

De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij integraal en hoofdelijk toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof stelt overigens vast dat de politierechter met het toegewezen bedrag van € 853,23 meer – maar wel overeenkomstig de som van de individuele materiële schadeposten – heeft toegewezen, te weten € 0,23, dan gevorderd. Voorts is de verdachte veroordeeld in de proces- en executiekosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft ter terechtzitting geen verweer gevoerd tegen de vordering tot schadevergoeding.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het onder feit 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte en zijn mededader rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden. Het hof overweegt in dat verband als volgt.

Het hof stelt vast dat de vordering tot schadevergoeding, voor zover die ziet op de hiervoor genoemde posten i. tot en met ix., niet is betwist en ook voldoende is onderbouwd, zodat het hof van oordeel is dat het gevorderde bedrag ad € 558,00 aan materiële schadevergoeding voor toewijzing gereedligt.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding (post x.) overweegt het hof als volgt. Immateriële schade komt slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht.

Het hof is op grond van het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat daarvan sprake is. De benadeelde partij heeft in dit verband immers in het schadeonderbouwingsformulier gesteld dat zij naar aanleiding van de diefstal vanuit haar woning als bijna 80-jarige te kampen heeft gehad met nagenoeg constante angst- en spanningsklachten, een verlies van het gevoel van veiligheid en slaapproblemen. Hierdoor is de benadeelde partij ook beperkt geweest in haar mobiliteit. De impact die de diefstal op haar heeft gehad, komt ook naar voren uit hetgeen namens haar ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht. Pas sinds enkele weken gaat het wat beter met de benadeelde partij, terwijl de diefstal toch alweer bijna een jaar geleden heeft plaatsgevonden. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat een insluiping in een woning met een daarop gevolgde diefstal waarbij het hele huis is doorzocht een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van bewoners kan opleveren, temeer indien het bewoners van hoge leeftijd betreft die ook nog ter plaatse aanwezig waren.

Het hof begroot de als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en zijn mededader rechtstreeks veroorzaakte immateriële schade naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 295,00. Het hof stelt vast dat de verdachte daarvoor samen met zijn mededader naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof, evenals de politierechter en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2021, zijnde de datum delict waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregelen

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en zijn mededader rechtstreeks materiële en immateriële schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 853,00. Hetzelfde geldt voor het toebrengen van rechtstreekse materiële schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] tot een bedrag van € 892,12. De verdachte is daarvoor jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte telkens de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormelde bedragen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2021 respectievelijk 12 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij telkens bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals luidden deze ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde van het onder feit 2 tenlastegelegde tot het bedrag van
€ 853,00 (zegge: achthonderddrieënvijftig euro) bestaande uit € 558,00 (zegge: vijfhonderdachtenvijftig euro) aan materiële schadevergoeding en € 295,00 (zegge: tweehonderdvijfennegentig euro) aan immateriële schadevergoeding, waarvoor de verdachte met zijn mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezenverklaarde van het onder feit 2 tenlastegelegde een bedrag te betalen van € 853,00 (zegge: achthonderddrieënvijftig euro) bestaande uit € 558,00 (zegge: vijfhonderdachtenvijftig euro) materiële schadevergoeding en € 295,00 (zegge: tweehonderdvijfennegentig euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 17 (zeventien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide voormelde betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het bewezenverklaarde van het onder feit 3 tenlastegelegde een bedrag te betalen van € 892,12 (zegge: achthonderdtweeënnegentig euro en twaalf cent) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 17 (zeventien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan de laatstgenoemde betalingsverplichting hebben voldaan, deze in zoverre vervalt;

heft op het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Aldus gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. B.F.M. Klappe, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,

en op 22 augustus 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.