Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:2904

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-08-2022
Datum publicatie
23-09-2022
Zaaknummer
20-000588-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging en beschadiging. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bedreigen met zware mishandeling van drie politieagenten en het beschadigen van twee politievoertuigen. De verdachte is in de nacht van 5 november 2017 te Rosmalen meermalen op twee dienstvoertuigen van de politie ingereden dan wel heeft hij daar tegenaan gebotst. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 108 dagen met aftrek van het voorarrest. Gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000588-20

Uitspraak : 22 augustus 2022

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie
’s-Hertogenbosch, van 12 februari 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-845663-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 primair aan hem tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder feit 1 subsidiair en het onder feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
- ‘bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd’ (feit 1 subsidiair) en
- ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd’ (feit 2),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de inbeslaggenomen auto van het merk Opel Astra verbeurdverklaard. Tevens zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] telkens toegewezen tot een bedrag van € 500,00, onder niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in het overige deel van hun vorderingen tot immateriële schadevergoeding en afwijzing van het door benadeelde partij [benadeelde 2] gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding. Ten slotte zijn ten behoeve van de slachtoffers maatregelen van schadevergoeding opgelegd.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van het voorarrest. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen is geconcludeerd tot toewijzing daarvan overeenkomstig de beslissingen van de rechtbank. Voorts heeft de advocaat-generaal gerequireerd tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto.

De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen is primair geconcludeerd dat deze daarin niet-ontvankelijk moeten worden verklaard en subsidiair is met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 3] geconcludeerd tot afwijzing.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, met verbetering en aanvulling van de gronden waarop dit berust en behalve voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg zullen de daarmee samenhangende overwegingen van de rechtbank in hun geheel worden vervangen in dier voege als hierna vermeld.

In hetgeen door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot het tenlastegelegde naar voren is gebracht ziet het hof geen aanleiding om tot andere bewijsbeslissingen te komen dan de rechtbank.

Wel acht het hof het zoals voormeld aangewezen om de bewijsoverwegingen van de rechtbank op onderdelen te verbeteren en een aanvullende bewijsoverweging op te nemen, telkens op na te melden wijze.

Verbetering van de bewijsoverwegingen

Het hof stelt vast dat in de beschrijving van ‘Situatie I’ op pagina 4 van het vonnis ten onrechte is vermeld ‘gemeente Rosmalen’, aangezien Rosmalen deel uitmaakt – gelijk bewezen is verklaard – van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Het woord ‘gemeente’ komt daarom te vervallen.

Het hof is voorts van oordeel dat de bewijsoverweging op pagina 4 van het vonnis, onder ‘Situatie II’, eerste volzin, moet komen te vervallen en de tweede volzin verbetering behoeft en derhalve komt te luiden als volgt:

“Een onopvallend dienstvoertuig van het merk Audi, bestuurd door verbalisant [benadeelde 3] , blokkeerde de doorgang van verdachte door met die Audi voor de Opel Astra, die in de richting van het kruispunt Berlicumseweg/Kloosterweg reed, te gaan staan.”

In de eerste volzin van de daaropvolgende tussenconclusie op pagina 4 van het vonnis komen de woorden ‘vanuit stilstand’ te vervallen.

Aanvullende bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat de processen-verbaal, zoals deze zijn opgemaakt door de betrokken verbalisanten, inconsistent, tegenstrijdig en onbetrouwbaar zijn. Voorts zijn er naast deze processen-verbaal weinig andere bronnen van bewijs, aldus de raadsman, zodat de verdachte integraal van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof ziet geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van bevindingen. Het daarin opgenomen relaas van ieder van de betreffende verbalisanten is, naar het oordeel van het hof, in ieder geval op de essentiële onderdelen die op de tenlastegelegde feiten zien, consistent en de daaruit naar voren komende feiten en omstandigheden vinden over en weer steun in elkaar. Juist op grond van die feiten en omstandigheden is de rechtbank gekomen tot de feitelijke vaststellingen zoals verwoord in het vonnis onder ‘situatie I, II, III en IV’. Het hof acht de processen-verbaal van bevindingen aldus betrouwbaar en bezigt die verklaringen, evenals de rechtbank, tot het bewijs. Het feit dat zich geen uitgebreid verkeersongevallenanalyserapport en evenmin een gedetailleerde situatieschets in het procesdossier bevindt, maakt dat niet anders.

De omstandigheid dat in geen der processen-verbaal van bevindingen is opgenomen dat de banden van de auto van de verdachte kapot waren (waardoor het volgens de raadsman niet goed mogelijk is om hard te rijden) – hetgeen wel op de foto’s in het dossier is waar te nemen – maakt evenmin dat de processen-verbaal van bevindingen als onbetrouwbaar terzijde moeten worden gesteld. Die foto’s hebben immers betrekking op de eindstand van die auto nadat zich de vier in het vonnis beschreven incidenten op 5 november 2017 te Rosmalen hadden voorgedaan. Het is zeer wel mogelijk dat de banden van de auto pas kapot zijn gegaan aan het einde van de achtervolging, tijdens de door de rechtbank beschreven ‘situatie IV’ (van welke feitelijkheden de rechtbank de verdachte overigens heeft vrijgesproken). Aldus kan niet met vrucht worden betoogd dat de verbalisanten, door te relateren zoals zij hebben gedaan, niet de (gehele) waarheid hebben geverbaliseerd en dat hun relaas om die reden als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt.

Het verweer treft aldus geen doel. Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Op te leggen gevangenisstraf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bedreigen met zware mishandeling van drie politieagenten en het beschadigen van twee politievoertuigen. De verdachte is in de nacht van 5 november 2017 te Rosmalen meermalen op twee dienstvoertuigen van de politie ingereden dan wel heeft hij daar tegenaan gebotst. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verbalisanten, die zich op die momenten in de politievoertuigen bevonden, angst aangejaagd. Zijn gedrag heeft ook letsel veroorzaakt. Dit zijn naar het oordeel van het hof ernstige feiten. De handelwijze van de verdachte heeft grote impact gehad op de betrokken verbalisanten. Dit komt (mede) naar voren uit hun toelichting op de door hen als benadeelde partij ingediende vorderingen. Het hof neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat hij wetshandhavers – mensen die in het belang van de gehele samenleving hun werk doen – op een dergelijke manier heeft bejegend en zelfs in gevaar heeft gebracht. Verder heeft de verdachte veel materiële schade veroorzaakt door tegen de dienstvoertuigen van de politie aan te rijden.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 juni 2022, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.
Uit het de verdachte betreffende ECRIS-uittreksel d.d. 13 februari 2018 volgt evenwel dat de verdachte door de Poolse justitie eerder onherroepelijk ter zake van strafbare feiten in Polen is veroordeeld tot (onder meer) langdurige vrijheidsstraffen, waaronder voor ernstige geweldsmisdrijven.

Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Oplegging van een straf gelijk aan de duur van het voorarrest, waartoe door de verdediging is verzocht, doet in het licht van al het voorgaande naar ’s hofs oordeel onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, zodat het hof daartoe niet zal overgaan. Het is ook om die reden dat het hof – per saldo – komt tot de oplegging van een hogere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd, nu deze is uitgegaan van een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en het hof ‘slechts’ komt tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde.

Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak nog het volgende.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft voorts te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld.

Het hof stelt vast dat de verdachte op 5 november 2017 voor het eerst door de politie is verhoord en in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 12 februari 2020 vonnis gewezen. Vervolgens is namens de verdachte op 25 februari 2020 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 22 augustus 2022 – einduitspraak. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt 2 jaren en ruim 3 maanden. Voor wat betreft de behandeling in hoger beroep geldt dat de duur daarvan 2 jaren en bijna 6 maanden bedraagt.

Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Van dergelijke bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop in deze zaak verklaren en rechtvaardigen is het hof niet gebleken.

Resumerend stelt het hof vast dat telkens einduitspraak is gedaan na het verstrijken van twee jaren. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 3 maanden overschreden. In hoger beroep is sprake van een overschrijding van bijna 6 maanden. Het hof zal de totale overschrijding ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting en wel in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met 10%, zijnde 12 dagen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 108 dagen met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op smartengeld.

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 929,31, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 850,00 aan smartengeld (post i.) en een bedrag van € 79,31 aan kosten voor eigen risico uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst, gemaakt in verband met een röntgenonderzoek (post ii.).

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op smartengeld.

De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] toegewezen tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. De door benadeelde partij [benadeelde 2] gevorderde schadepost ii. is afgewezen. De rechtbank heeft de benadeelde partijen in het overige deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

Alle benadeelde partijen hebben te kennen gegeven hun vorderingen in hoger beroep te handhaven. De vorderingen liggen derhalve ook in hoger beroep in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor.

De raadsman van de verdachte heeft primair geconcludeerd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding, in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 3] geconcludeerd tot afwijzing daarvan, omdat deze vorderingen onvoldoende zouden zijn onderbouwd.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade hebben geleden. Daartoe overweegt het hof als volgt.

De benadeelde partijen hebben allen gesteld dat de bewezenverklaarde bedreigingen gevoelens van angst en onveiligheid hebben veroorzaakt. De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zijn verzoek tot immateriële schadevergoeding onderbouwd door te stellen dat hij het onderhavige incident als een van de meest heftigste in zijn carrière heeft ervaren, hetgeen zich heeft geuit in het gedurende een aantal weken slecht slapen en herbelevingen.
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft ter toelichting op zijn verzoek tot schadevergoeding onder meer aangevoerd dat hij gedurende ongeveer een maand niet goed in zijn vel zat. Hij was erg geschrokken door het incident, was meer prikkelbaar en hij is alerter geworden op mogelijke gevaarzettende situaties.
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft naar voren gebracht dat het incident veel indruk op hem heeft gemaakt en dat hij de angst had dat hij het incident niet na zou kunnen vertellen.

Het is naar het oordeel van het hof voorts een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van ernstige bedreigingen zoals de onderhavige, waarin de benadeelde partijen zich geconfronteerd zagen met zeer agressief gedrag van de verdachte waarbij het met opzet rijden tegen de dienstauto’s van de politie waarin de benadeelde partijen zich bevonden niet door de verdachte werd geschuwd, gedurende enige tijd last kunnen hebben van angstgevoelens.

Het hof is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door de bedreigingen is opgetreden valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek, nu kan worden gesproken van aantasting in de persoon van de benadeelde partijen. Het hof begroot deze immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van

€ 500,00. Bijgevolg zal het meer of anders gevorderde worden afgewezen.

Het hof kan met betrekking tot de door de benadeelde partij [benadeelde 2] gevorderde schadepost ii. in deze strafrechtelijke procedure niet genoegzaam vaststellen dat de gestelde materiële schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde strafbare feit onder 1 subsidiair voor zover dit ziet op deze benadeelde partij. Een nader onderzoek naar de causaliteit zou naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Mitsdien zal het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Het toe te wijzen bedrag zal telkens, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2017, zijnde de datum van de delicten, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partijen. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partijen nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregelen

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan de slachtoffers [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] is toegebracht, telkens tot een bedrag van
€ 500,00. De verdachte is daarvoor jegens elk der slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte maatregelen tot schadevergoeding op

te leggen, telkens ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij telkens bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf, de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 108 (honderdacht) dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde tot het bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot schadevergoeding voor het overige af;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde 1] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezenverklaarde van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde een bedrag te betalen van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 10 (tien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezenverklaarde van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde tot het bedrag van
€ 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot vergoeding van immateriële schade voor het overige af;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk met betrekking tot de gevorderde materiële schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde 2] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het bewezenverklaarde van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde een bedrag te betalen van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 10 (tien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het bewezenverklaarde van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde tot het bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] tot schadevergoeding voor het overige af;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde 3] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het bewezenverklaarde van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde een bedrag te betalen van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 10 (tien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte telkens aan een van beide hiervoor genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.

Aldus gewezen door:

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. B.F.M. Klappe, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,

en op 22 augustus 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.