Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:2872

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-08-2022
Datum publicatie
08-09-2022
Zaaknummer
200.311.703_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling

voorlopige voorziening ex. art. 223 Rv, bekrachtiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 18 augustus 2022

Zaaknummer: 200.311.703/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/302250 / FA RK 22-676

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.M.D. de Waele,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E.V.S. van Baarle.

Deze zaak gaat over:

- [minderjarige] (roepnaam: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 5 april 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 14 juni 2022 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 5 april 2022.

2.2.

De man heeft op 21 juli 2022 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 juli 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door mr. De Waele;

- de man, bijgestaan door mr. Van Baarle;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft hiervan gebruik gemaakt door het ‘formulier bij kindgesprek’ in te vullen en aan het hof te retourneren op 7 juli 2022. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van de reactie van [minderjarige] weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- een e-mail van de advocaat van de vrouw d.d. 14 juli 2022 (met betrekking tot het procesdossier eerste aanleg);

- een V-formulier met een aanvulling van het beroepschrift met producties van de advocaat van de vrouw d.d. 18 juli 2022;

- een V-formulier met productie van de advocaat van de vrouw d.d. 22 juli 2022;

- een V-formulier met een e-mailbericht van de advocaat van de man d.d. 25 juli 2022;

- de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitnotitie van de advocaat van de vrouw.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn op 11 januari 2008 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 3 november 2009 heeft de rechtbank Haarlem de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 13 april 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Partijen zijn de ouders van [minderjarige] (roepnaam: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw bepaald.

3.3.

Bij beschikking van 10 juni 2020 heeft de rechtbank Noord-Holland, voor zover hier van belang:

- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] met ingang 27 juni 2020 bij de man zal zijn;

- bepaald dat het gezamenlijk gezag van partijen met ingang van 27 juni 2020 over [minderjarige] wordt beëindigd en dat de man alleen het gezag over [minderjarige] toekomt;

- met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 10 augustus 2016 en de beschikking van het hof Amsterdam van 18 juli 2017, als omgangsregeling vastgesteld dat [minderjarige] bij de vrouw verblijft in de oneven weken van vrijdag 17.00 uur (de vrouw haalt) tot zondag 17.00 uur (de man haalt). Daarnaast is een vakantieregeling vastgesteld. De overdrachten zullen plaatsvinden bij [locatie] [woonplaats vader] .

[minderjarige] woont sinds 7 augustus 2020 bij de man.

3.4.

Bij beschikking van 10 november 2020 heeft het hof Amsterdam voornoemde beschikking bekrachtigd voor zover daarbij is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man zal zijn en voor zover daarbij het gezamenlijk gezag is beëindigd en de man alleen met het gezag over [minderjarige] is belast.

Voorts is bij de beschikking van 10 november 2020 de beschikking van 10 juni 2020 vernietigd voor zover het betreft de omgangsregeling en, opnieuw rechtdoende, een voorlopige omgangsregeling bepaald, inhoudende dat begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vrouw van eenmaal per twee weken een dagdeel zal worden opgestart, begeleid door BJZ in [woonplaats vader] .

De raad is verzocht om een onderzoek in te stellen met betrekking tot de omgang. De behandeling van de zaak is daartoe aangehouden.

3.5.

Bij beschikking van 22 juni 2021 heeft het hof Amsterdam de beschikking van 10 juni 2020, voor zover daarbij een omgangsregeling tussen de vrouw en [minderjarige] is vastgesteld, vernietigd en in zoverre opnieuw beschikkende, voor zover hier van belang:

- bepaald dat [minderjarige] met ingang van de datum van die beschikking tot en met 31 augustus 2021 eens in de veertien dagen op de zaterdag omgang heeft met de vrouw van 13.00 uur tot 17.00 uur, onder begeleiding van BJZ in [woonplaats vader] dan wel een andere professionele instantie,

- bepaald dat [minderjarige] vanaf 1 september 2021 eens in de veertien dagen een weekend bij de vrouw verblijft van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] bij aanvang van elk omgangsmoment ophaalt bij [locatie] [woonplaats vader] en waarbij de man [minderjarige] aan het einde van elk omgangsmoment ophaalt bij [locatie] [plaats] .

3.6.

Tussen de vrouw en [minderjarige] heeft sinds 22 februari 2022 geen contact plaatsgevonden.

Lopende bodemprocedure bij de rechtbank Maastricht (onder zaaknummer C/03/302296)

3.7.

De vrouw heeft op 22 februari 2022 bij de rechtbank Maastricht een verzoekschrift ingediend. Haar verzoeken betreffen het wijzigen van het gezag, het vaststellen (hof: bedoeld zal zijn wijzigen) van de omgangsregeling, het aanstellen van bijzondere curatoren en een geregistreerd psycholoog voor [minderjarige] , het horen van [minderjarige] en een proceskostenveroordeling.

3.8.

De man heeft op 18 maart 2022 een verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken ingediend. Zijn verzoeken betreffen het ontzeggen van de omgang en een proceskostenveroordeling.

3.9.

De mondelinge behandeling in de bodemprocedure staat gepland op 14 oktober 2022.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking voorlopige voorzieningen ex. artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van 5 april 2022 heeft de rechtbank het volgende beslist:

“6.1. schorst voorlopig de bij beschikking van het hof Amsterdam van 22 juni 2021 bepaalde omgangsregeling en bepaalt dat de omgang tussen [minderjarige] en zijn moeder voorlopig , totdat daarover door de rechtbank nader wordt beslist of partijen in onderling overleg daarover nadere afspraken maken, zal plaatsvinden onder professionele begeleiding en regie van het ingezette traject bij [instantie] op de door deze hulpverlener aangegeven wijze, waarbij toegewerkt dient te worden naar de omgangsregeling zoals die door het hof Amsterdam bij beschikking van 22 juni 2021 was bepaald;

6.2.

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.3.

verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst af het meer of anders verzochte.”

4.2.

De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

1) het kind conform zijn rechten op grond van de Nederlandse wet en de toepasselijke verdragen te horen en aan zijn mening en opvattingen passend belang te hechten in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid zoals gedicteerd in diezelfde regelgeving (artikel 809 Rv.; artikel 12 IVRK; General comment No. 12 § 20; EU Handvest van de grondrechten; Kinderrechtenresulutie EP 2019/2876 (RSP); Richtsnoeren Kindvriendelijke Justitie van de Raad van Europa) en los daarvan:

2) een advocaat – bijzondere curator te benoemen die de stem van het kind deugdelijk verwoordt en de veiligheid en/of rechten van [minderjarige] garandeert en beschermt vooruitlopend op en gedurende de bodemprocedure met zaakkenmerk C/03/302296 en opdat [minderjarige] bij de beslissing op de verzoeken in die bodemprocedure zo via zijn bijzondere curator een procespositie krijgt en aan zijn mening conform art. 12 IVRK passend gewicht gegeven kan worden, gelet op het feit dat de beslissing in de bodemzaak een beslissing is die zijn belang centraal moet stellen en er conflicterende belangen met de vader van [minderjarige] die eenhoofdig gezag over hem uitoefent bestaan; de vrouw stelt voor mr. [betrokkene 1] , kantoorhoudende te [kantoorplaats] ;

3) totdat de rechtbank Maastricht in de bodemzaak heeft beslist, bij wijze van voorlopige voorziening:

(1) de man te gebieden op te houden ieder contact tussen de vrouw en [minderjarige] te frustreren,

(2) de man te gebieden per onmiddellijk de omgangsregeling zoals vastgesteld door het hof Amsterdam na te komen en (3) daarbij te bepalen dat, totdat in de hoofdzaak is beslist, [minderjarige] iedere schoolvakantie zoveel weken bij de vrouw mag verblijven als hij zelf aangeeft te willen nu hij in de periode augustus 2020 – juli 2022 geen enkele schoolvakantie bij de vrouw heeft ‘mogen’ verblijven, maar tenminste de helft van de zomervakantie bij de vrouw mag verblijven, en

(4) de vader te gebieden [minderjarige] naar eigen inzichten toe te staan vrijelijk contact te hebben met de vrouw buiten de omgangsweekenden om,

onder het opleggen van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de man deze vier rechterlijke geboden niet zou nakomen, alsmede op straffe van lijfsdwang voor zover de man niet zou voldoen aan nakoming en met verlof desnodig de sterke arm in te schakelen om de man te dwingen uitvoer te geven aan de uitspraak van het hof op voornoemde vier punten.

4.3.

De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de vrouw onder 1, 2 en 3 af te wijzen en haar grieven ongegrond te verklaren. Daarnaast verzoekt de man het hof om de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, door de man begroot op 2 x € 4.850,-, dan wel een bedrag dat het hof juist acht.

5 De beoordeling

5.1.

Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Aangezien de hoofdzaak tussen partijen bij dit hof aanhangig is en die samenhang bestaat, is de vrouw ontvankelijk in haar verzoek tot het vaststellen van een voorlopige voorziening.

5.2.

Het hof stelt voorop dat een voorlopige voorziening naar haar aard een tijdelijke beslissing is die geldt voor de duur van de procedure. Vereist is dat de partij die de voorlopige voorziening vraagt een voldoende (dringend) belang moet hebben bij een dergelijk verzoek en dat van hem niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.

ten aanzien van het verzoek tot het horen van [minderjarige]

5.3.

De vrouw verzoekt het hof [minderjarige] in onderhavige procedure te horen. Zij stelt, kort gezegd, dat [minderjarige] graag gehoord wil worden. De vrouw meent dat de vader de uitnodiging voor het kindgesprek niet aan [minderjarige] heeft gegeven en dat hij er alles aan doet om [minderjarige] niet te laten horen. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling voorgesteld om [minderjarige] hierover te bellen.

5.4.

De man heeft tegen het verzoek van de vrouw gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens hem heeft het extra horen van [minderjarige] geen meerwaarde en is dit bovendien te belastend voor [minderjarige] .

5.5.

Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft in zijn schriftelijke reactie aan het hof laten weten dat hij al door de rechtbank is gehoord en niet wil komen.

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen reden om [minderjarige] in de onderhavige procedure opnieuw voor een kindgesprek uit te nodigen en/of om bij [minderjarige] na te vragen of hij de eerdere uitnodiging heeft ontvangen. Het verzoek van de vrouw daartoe zal daarom worden afgewezen.

ten aanzien van het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator

5.6.

De vrouw verzoekt het hof in de onderhavige procedure een advocaat-bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen ten behoeve van de bodemzaak. Daarbij heeft zij de voorkeur uitgesproken voor de benoeming van mr. [betrokkene 1] tot bijzondere curator. De benoeming van een bijzondere curator ten behoeve van de bodemzaak acht de vrouw nodig, kort gezegd, omdat door middel van een rapportage van een bijzondere curator het belang van [minderjarige] centraal komt te staan.

5.7.

De man heeft tegen dit verzoek gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verwijst naar het onderzoek dat eerder door een bijzondere curator (drs. [betrokkene 2] ) met betrekking tot [minderjarige] is uitgevoerd. Verder onderzoek door een nieuwe bijzondere curator is te belastend voor [minderjarige] , naast de hulpverlening die hij nu heeft. Er is ook geen rechtsgrond om nu een bijzondere curator te benoemen, aldus de man.

5.8.

Het hof overweegt als volgt.

Het verzoek van de vrouw tot benoeming van een advocaat-bijzondere curator maakt ook deel uit van hetgeen in de bodemprocedure aan de rechtbank is voorgelegd. In die procedure verzoekt de vrouw namelijk twee bijzondere curatoren aan te stellen: bij voorkeur een ter zake van ontwikkelingspsychologie en/of klinische psychologie deskundige bijzondere curator en een advocaat-bijzondere curator, voor zover de laatste niet in onderhavige procedure is benoemd voor [minderjarige] . Naar het oordeel van het hof is de beslissing over de benoeming van een (of meerdere) bijzondere curator(en) voor [minderjarige] voorbehouden aan de bodemrechter en verzet de aard van onderhavige procedure zich tegen het nemen van een beslissing hierover.

Het hof zal daarom de door de vrouw verzochte voorlopige voorziening tot het benoemen van een advocaat-bijzondere curator afwijzen.

ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot de omgangsregeling

5.9.

De vrouw voert, samengevat, het volgende aan.

De belangen van [minderjarige] worden door zijn verblijf bij de man ernstig geschonden. Op 11 januari 2022 is, na uitlatingen van [minderjarige] op school, door de school een crisismelding gedaan bij Veilig Thuis vanwege twijfels over de veiligheid van [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de man. Na de crisismelding is het gedrag van de man richting [minderjarige] verergerd. De vrouw zag dat [minderjarige] in steeds grotere nood kwam verkeren door de toenemende druk en controle die de man op hem uitoefende. Zij heeft daarom de bodemprocedure en voorlopige voorzieningenprocedure gestart. De man heeft direct nadat hij op 22 februari 2022 hiervan kennis nam [minderjarige] ieder contact en omgang met de vrouw verboden. De omgang moet zo spoedig mogelijk in het belang van [minderjarige] worden hervat. Hij mist zijn moeder en familie en het gaat niet goed met zijn psychische gezondheid in de huidige situatie. De mondelinge behandeling in de bodemprocedure is uitgesteld tot oktober 2022 en kan niet worden afgewacht. Het traject bij [instantie] is pas na de mondelinge behandeling in de voorlopige voorzieningen procedure ingezet en zij houdt zich niet bezig met begeleiding van de omgang. De rechtbank is ten onrechte hiervan uitgegaan.

5.10.

De man voert als verweer, samengevat, het volgende aan.

De weergave over de crisismelding in januari 2022 door de vrouw is onjuist. Er is geen sprake van een onveilige opvoedsituatie bij de man. De man betwist ook dat hij het contact tussen de vrouw en [minderjarige] frustreert. [minderjarige] zit klem tussen de ouders. Het traject bij [instantie] dat is ingezet, is niet vrijblijvend. Er zijn door [instantie] twee ouder-behandelaren en een kindercoach ingezet. De focus is eerst gelegd bij [minderjarige] en het gezin waar hij zijn hoofdverblijf heeft. [minderjarige] heeft een keer per veertien dagen een gesprek. Daarnaast zijn er met de ouders aparte gesprekken. Aan de man heeft [instantie] tijdens het laatste gesprek kenbaar gemaakt dat zij gaat kijken wat zij zelf ten aanzien van de omgang kan doen en wat wordt uitbesteed via een BOR-traject. De man staat open voor (begeleide) omgang tussen de vrouw en [minderjarige] , waarbij de lijn van [instantie] leidend is. Als nu een omgangsregeling wordt vastgelegd, zal dat de voortgang van het traject bij [instantie] mogelijk frustreren. De druk die de vrouw met haar handelen en verzoeken tot omgang op [minderjarige] legt, houdt hem in de wachtstand wat niet in zijn belang is.

5.11.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende geadviseerd.

Het is een langslepende, zorgwekkende situatie die tussen partijen speelt. De raad heeft zelf geen contact met [instantie] gehad, maar het is voorstelbaar dat in een dergelijke complexe situatie eerst begonnen wordt met gesprekken met de ouders en het kind apart. Dat voortraject, waarin gewerkt wordt aan een basis, is nodig om de omgang te laten slagen. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] te veel wordt belast met spanning. Hij heeft belang bij een goede verhouding met beide ouders. Het doel is dat het contact tussen [minderjarige] en de vrouw wordt hersteld.

5.12.

Het hof overweegt het volgende.

5.12.1.

Artikel 1:377a BW bepaalt dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouder of met degene tot wij hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat. De rechter stelt op verzoek van die persoon, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling vast inzake de uitoefening van het omgangsrecht.

5.12.2.

Op grond van de processtukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof het volgende gebleken.

De verhoudingen tussen partijen zijn langdurig en ernstig verstoord. Na de betrokkenheid van Veilig Thuis Zuid-Limburg begin 2022, naar aanleiding van een vraag/melding vanuit de school van [minderjarige] , heeft Veilig Thuis de zorg overgedragen aan Team Jeugd [vestiging] . De casusregisseur van Team Jeugd ziet erop toe dat passende hulp wordt ingezet. Er is gekozen voor de inzet van een traject bij [instantie] . Partijen en [minderjarige] hebben inmiddels meerdere, individuele gesprekken gevoerd met de aan hen toegewezen ouder-behandelaren en kindercoach van [instantie] . Dit traject loopt, maar het hof stelt vast dat de situatie tussen partijen zodanig gespannen is dat hervatting van de omgangsregeling zoals door het gerechtshof Amsterdam is bepaald niet zonder de inzet van hulpverlening kan. Het hof is daarom, evenals de rechtbank, van oordeel dat de omgang tussen de vrouw en [minderjarige] voorlopig moet plaatsvinden onder professionele begeleiding.

Partijen verschillen van visie op wat [instantie] ten aanzien van de omgangsregeling gaat doen. Het hof acht het zorgelijk dat deze visies zo verschillend zijn, maar leidt uit de informatie van [instantie] zelf, die bij de processtukken in het geding is gebracht, het volgende af.

5.12.3.

[instantie] heeft bij e-mailbericht aan de rechtbank d.d. 20 april 2022 de verwachting van het trajectverloop weergegeven. Zij geeft aan dat de verwachting is dat in eerste instantie de focus gelegd wordt op [minderjarige] en diens (hoofdverblijf)gezin en dat van daaruit verder zal worden gekeken naar wat wenselijk en haalbaar is, ook gezien de verdere ontwikkeling van [minderjarige] . Zij geeft daarbij aan dat [instantie] zich niet bezig gaat houden met de omgang, omdat dit voor meer druk kan zorgen en [minderjarige] nog meer het gevoel kan geven, iets te moeten of zelfs te moeten kiezen. Dit wil zij voorkomen. Vervolgens geeft [instantie] aan dat indien contactopbouw met de vrouw aan de orde is, dit in het traject uiteraard meegenomen zal worden.

Gelet op deze laatste zin, gaat het hof ervan uit dat [instantie] – met in achtneming van de geldende voorlopige voorziening – in het lopende traject ook gaat inzetten op contactherstel en -opbouw tussen de vrouw en [minderjarige] , onder begeleiding van [instantie] zelf of van een (onder regie van [instantie] ) daarvoor ingeschakelde instantie (BOR-traject), hetgeen in het belang van [minderjarige] is.

5.12.4.

Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het betreft de beslissing onder 6.1., bekrachtigen en de door de vrouw verzochte voorlopige voorzieningen met betrekking tot de omgangsregeling afwijzen.

ten aanzien van de proceskosten

5.13.

De man verzoekt het hof de vrouw te veroordelen in de proceskosten. Hij voert, samengevat, aan dat hij door de hoeveelheid procedures die de vrouw voert, de wijze waarop zij procedeert en haar weigerachtige houding om uitvoering te geven aan de beschikkingen, op kosten wordt gejaagd en geschaad wordt in zijn procesmogelijkheden. Hij hoopt dat een financiële prikkel de opstelling van de vrouw doet staken.

5.14.

Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten en acht een compensatie van kosten, overeenkomstig het uitgangspunt in zaken van personen- en familierecht, redelijk in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 5 april 2022, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, H. van Winkel en K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.