Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:2442

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-07-2022
Datum publicatie
28-07-2022
Zaaknummer
200.292.354_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet in hoger beroep. Geïntimeerden hebben gezien het rapport van een partijdeskundige onvoldoende betwist dat toegangsweg veilig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer gerechtshof: 200.292.354

(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant: 7561652)

arrest van 19 juli 2022

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante],

wonende te [woonplaats] ,

opposanten,

hierna: [appellanten] ,

advocaat: mr. M.W. Dieleman te Middelburg,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats] ,

geopposeerden,

hierna: [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. J. Ossewaarde te Middelburg,

1 Waar het in deze zaak over gaat

1.1.

[appellanten] zijn eigenaar van een weg met een lengte van 800 meter die onder andere toegang biedt tot een woning aan [adres] (hierna: de toegangsweg). [geïntimeerden] zijn eigenaar van de woning aan [adres] en hebben een erfdienstbaarheid van overpad over de toegangsweg. Partijen hebben een geschil over de vraag of de toegangsweg voldoende is onderhouden om geschikt te zijn voor gebruik als toegangsweg.

2 Het procesverloop bij de rechtbank en in hoger beroep

2.1.

Voor het procesverloop bij de rechtbank en in hoger beroep verwijst het hof naar de inhoud van het bij verstek gewezen arrest van 9 februari 2021 (hierna: het verstekarrest) en het arrest in het incident van 28 september 2021.

2.2.

[appellanten] hebben bij verzetdagvaarding in hoger beroep gevorderd dat zij worden ontheven van de veroordeling tegen hen uitgesproken bij verstekarrest van 9 februari 2021 en voorts om [geïntimeerden] alsnog niet ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep, dan wel het hoger beroep ongegrond te verklaren met bevestiging van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 31 december 2019 (het bestreden vonnis) en met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.

3 De beoordeling van het verzet in hoger beroep

3.1.

Het verzet is tijdig ingesteld.

3.2.

In eerste aanleg hebben [geïntimeerden] gevorderd, kort gezegd, dat [appellanten] hoofdelijk worden veroordeeld om aan de toegangsweg een van de maatregelen uit te voeren die in het inspectierapport van 5 oktober 2018 zijn geadviseerd door het bureau voor Advisering en Inspectie in de Weg en Waterbouw te [plaats], een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.

3.3.

Niet in geschil is dat [appellanten] de verplichting (op zich) hebben (genomen) om de toegangsweg te onderhouden. Waar het in de kern van de zaak thans nog om gaat is de vraag of de toegangsweg zo slecht is dat deze gevaar oplevert voor de gebruikers ervan. [geïntimeerden] betogen (in grief 2) dat dat het geval is. [appellanten] betwisten dat de toegangsweg onveilig is. Zij stellen hiertoe dat zij regelmatig onderhoud hebben laten uitvoeren aan de weg en dit nog steeds doen. Het onderhoud van de weg wordt uitgevoerd door middel van het opvullen van kuilen. In eerste instantie werd gebruik gemaakt van het middel duo mix, vanaf januari 2017 wordt gebruikt gemaakt van het middel gietmortel. Dit laatste middel zorgt ervoor dat er geen krimpscheuren ontstaan en biedt een afdoende oplossing voor het in veilige staat houden van de toegangsweg, aldus [appellanten] . Ter onderbouwing van hun standpunt hebben zij video-opnamen van de toegangsweg op 28 augustus 2019 en 4 april 2021 overgelegd.

3.4.

[geïntimeerden] hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat de toegangsweg onveilig is een rapport overgelegd van [persoon A], verbonden aan het bureau voor Advisering en Inspectie in de Weg en Waterbouw te [plaats], [persoon A] concludeert in zijn rapport van 11 oktober 2018 (productie 12 bij inleidende dagvaarding) - samengevat - dat de vele richels (hoogteverschillen) en gaten in de weg tot verkeersonveilige situaties leiden voor met name fietsers. Daarnaast heeft [persoon A] geconcludeerd dat de conditie van de wegverharding, het uitvoeren van klein onderhoud in de vorm van het aanbrengen van zand en/of grind ter plaatse van de onvlakheden en mede gelet op de verkeersonveiligheid geen optie meer is. Deze bevindingen zijn niet gemotiveerd betwist. [appellanten] stellen weliswaar dat zij zijn overgegaan op een andere wijze van onderhoud plegen, namelijk het gebruik van krimparme gietmortel, maar uit hun stellingen blijkt dat zij ten tijde van het onderzoek van [persoon A] hier reeds mee waren begonnen, terwijl [persoon A] de staat van de toegangsweg desondanks als onveilig heeft beoordeeld. Daarnaast geldt dat [appellanten] niet hebben gesteld dat de door [persoon A] genoemde onveilige richels en gaten in de weg inmiddels afdoende zijn hersteld. Bovendien blijkt uit de door [appellanten] overgelegde video-opnamen dat zich nog steeds vele gaten en scheuren in de weg bevinden zodat de overgelegde video-opnamen het rapport van [persoon A] niet weerleggen. Ook de stelling van [appellanten] dat de weg op dit moment zich in een betere staat bevindt in vergelijking met 2014 hebben zij niet met concrete feiten en omstandigheden toegelicht.

3.5.

De omstandigheid dat er geen klachten over de staat van de toegangsweg bij de gemeente zouden zijn binnengekomen, zoals door [appellanten] is aangevoerd, is evenmin voldoende om de conclusies van [persoon A] gemotiveerd tegen te spreken en kan dus niet tot ander oordeel leiden.

3.6.

De conclusie is dan ook dat [appellanten] , gezien de bevindingen van [persoon A], onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat de toegangsweg onveilig is. Grief 2 slaagt daarom. In het verlengde daarvan slaagt ook grief 3. [geïntimeerden] hadden in eerste aanleg gelijk moeten krijgen en daarom hadden [appellanten] in de proceskosten moeten worden veroordeeld.

Conclusie: verstekarrest blijft in stand

3.7.

Het verzet van [appellanten] treft geen doel en zal daarom ongegrond worden verklaard. Het hof zal het verstekarrest in stand laten (bekrachtigen).

Proceskostenveroordeling

3.8.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] in de kosten van het verzet en het incident in hoger beroep veroordelen. De kosten aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op in totaal € 1.671,00 (1 punt voor de hoofdzaak en 0,5 punt voor het incident x tarief II á € 1.114,00) aan salaris advocaat.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

4.1.

verklaart het verzet ongegrond,

4.2

bekrachtigt het arrest van 9 februari 2021, waarvan verzet,

4.3

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het verzet en het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 1.671,00,

4.4

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, O.G.H. Milar en C.B.M. Scholten van Aschat en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2022.

de griffier de rolraadsheer