Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:2354

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2022
Datum publicatie
26-07-2022
Zaaknummer
200.295.240_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2021:3174
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

concurrentiebeding; hof beveelt een mondelinge behandeling voor nadere inlichtingen en voor het beproeven van een schikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0846
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.295.240/01

arrest van 12 juli 2022

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.M.J.P. Penners te Sittard,

tegen

Oranjegroep Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Oranjegroep,

advocaat: mr. F.J.H. Krumpelman te Rotterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 juli 2021 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 8313725 CV EXPL 20-642 gewezen vonnis van 7 april 2021.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 20 juli 2021 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 oktober 2021;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

Kern van het geschil

6.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. [appellant] is bij Oranjegroep als werknemer in dienst geweest. Hij is met Oranjegroep een “relatiebeding” en een “concurrentiebeding” overeengekomen. Het gaat erom of [appellant] dat relatie- en concurrentiebeding heeft overtreden en, als dat zo is, of hij dan op grond van het overeengekomen boetebeding de gevorderde boetes moet betalen aan Oranjegroep.

De feiten

6.2.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

6.2.1.

Oranjegroep exploiteert een uitzendonderneming. De uitzendkrachten zijn in dienst van één van haar werkmaatschappijen, Oranjeflex genaamd. De door Oranjegroep via de uitzendkrachten aangeboden werkzaamheden betreffen onder meer steigerbouw en isolatiewerkzaamheden.

6.2.2.

Het hoofdkantoor van Oranjegroep is gevestigd te [vestigingsplaats] . In 2017 heeft zij een vestiging te [vestigingsplaats] geopend. [appellant] is toen (op 1 juli 2017) voor de duur van een jaar in dienst getreden van Oranjegroep als accountmanager / projectleider regio Zuid. In de arbeidsovereenkomst staan een relatiebeding, een concurrentiebeding en een boetebeding.

6.2.3.

De arbeidsovereenkomst met [appellant] is met ingang van 1 juli 2018 voor onbepaalde tijd voortgezet. Partijen hebben dit in een nieuwe arbeidsovereenkomst vastgelegd. Ook die arbeidsovereenkomst bevat een relatie- en een concurrentiebeding en een daaraan gekoppeld boetebeding. Deze bedingen zijn als volgt geformuleerd:

Artikel 11 (Relatiebeding)

Het is werknemer niet toegestaan gedurende het bestaan der dienstbetrekking en binnen een tijdvak van één jaar na beëindiging van de dienstbetrekking, ongeacht de wijze van beëindiging, hetzij direct, hetzij indirect, al dan niet in dienstbetrekking, op enigerlei wijze werkzaam te zijn voor een handelsrelatie van werkgever en daarmee gelieerde vennootschappen en/of ondernemingen, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet. Onder handelsrelatie worden in elk geval verstaan “factuurklanten” van werkgever (klanten die in het jaar voorafgaande aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tenminste éénmaal een factuur van werkgever hebben ontvangen), alsmede leveranciers van personeel alsmede (ex-)werknemers van werkgever (werknemers die in het jaar voorgaande aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op enig moment in dienst van werkgever waren).

Artikel 12 (Concurrentiebeding)

Het is werknemer niet toegestaan om gedurende het bestaan der dienstbetrekking en binnen 12 maanden, binnen de provincie Limburg in enigerlei vorm een kantoor, bedrijf of beroep, gelijk, gelijkwaardig of aanverwant aan dat van werkgever en daarmee gelieerde vennootschappen en/of ondernemingen, te vestigen, uit te oefenen, mede uit te oefenen, of te doen uitoefenen, hetzij direct, hetzij indirect, alsook financieel, in welke vorm ook bij een dergelijk kantoor, bedrijf, beroep of de uitoefening daarvan belang te hebben, direct of indirect, of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin enig aandeel van welke aard te hebben.

Artikel 13 (Boete bij overtreding van het geheimhoudingsbeding, relatiebeding en concurrentiebeding)

Bij overtreding van het geheimhoudingsbeding, relatiebeding en / of concurrentiebeding verbeurt de werknemer een direct opeisbare boete van EUR 10.000,-- per overtreding en een boete van EUR 1.000,-- voor elke dag dat een overtreding voortduurt, te voldoen aan werkgever, onverminderd het recht van werkgever om volledige schadevergoeding te vorderen van werknemer. In geval van overtreding of niet-nakoming van één der bovenbedoelde verplichtingen is de werknemer uit kracht van het enkele feit der overtreding in gebreke, zonder dat sommatie of enige andere formaliteit nodig zal zijn en zonder dat schade behoeft te worden aangetoond.

6.2.4.

[appellant] werkzaamheden voor Oranjegroep bestonden hoofdzakelijk uit het werven van uitzendkrachten. [appellant] heeft in 2018 (namens Oranjegroep) 373 uur voor [[X]] Montagebedrijf B.V. gewerkt in Noord-Holland.

6.2.5.

Op 21 januari 2019 heeft [appellant] de arbeidsovereenkomst met Oranjegroep opgezegd. De arbeidsovereenkomst is als gevolg daarvan geëindigd op 28 februari 2019.

6.2.6.

Op 1 maart 2019 is [appellant] in dienst getreden van [[Y]] B.V. te [vestigingsplaats]. [[Y]] B.V. exploiteert een uitzendbureau dat zich eveneens richt op opdrachtgevers in de steigerbouw. Via deze werkgever is [appellant] werkzaamheden gaan verrichten voor Scaffolding International B.V. en [[X]] Montagebedrijf B.V. Scaffolding International B.V. is een uitzendbureau, gevestigd te [vestigingsplaats] , dat zich richt op steigerbouw. [[X]] Montagebedrijf B.V. verricht activiteiten in de steigerbouw en was voorheen een opdrachtgever van Oranjegroep.

6.2.7.

Bij brief van 15 maart 2019 heeft Oranjegroep aan [appellant] medegedeeld dat hij (onder meer) het relatiebeding en het concurrentiebeding overtreden heeft, waardoor hij in ieder geval een boete van € 80.000,- aan Oranjegroep verschuldigd is. Partijen hebben daarover vervolgens gecorrespondeerd.

6.2.8.

Bij vonnis in kort geding van 19 december 2019 heeft de kantonrechter te Rotterdam op vordering van [appellant] het relatiebeding, het concurrentiebeding en het boetebeding geschorst tot en met 28 februari 2020.

De vorderingen en het oordeel van de kantonrechter

6.3.1.

Oranjegroep heeft (samengevat) (in conventie) gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 75.000,-, te vermeerderen met rente en proceskosten. Daartoe heeft Oranjegroep aangevoerd dat [appellant] het concurrentiebeding en het relatiebeding heeft overtreden, en dat hij daarom de overeengekomen boetes heeft verbeurd.

6.3.2.

[appellant] heeft (samengevat) op zijn beurt (in reconventie) gevorderd Oranjegroep te veroordelen om hem de jaaropgaaf 2019 te verstrekken op verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Oranjegroep in de proceskosten. In de loop van de procedure heeft [appellant] de vordering tot afgifte van de jaaropgaaf ingetrokken. De vordering om Oranjegroep te veroordelen in de proceskosten (in reconventie) heeft hij gehandhaafd.

6.3.3.

De kantonrechter heeft de vordering van Oranjegroep toegewezen. [appellant] is dus veroordeeld tot betaling van € 75.000,- (te vermeerderen met de wettelijke rente) en hij is veroordeeld in de proceskosten (in conventie). De kantonrechter hoefde niet meer te beslissen op de vordering van [appellant] om de jaaropgaaf te verstrekken, maar nog wel over de proceskosten. De kantonrechter heeft Oranjegroep veroordeeld in de proceskosten (in reconventie).

De omvang van het hoger beroep

6.4.1.

[appellant] is op tijd in hoger beroep gekomen. In zijn memorie van grieven schrijft hij dat het hof het vonnis van 7 april 2021 moet vernietigen en alle vorderingen van Oranjegroep alsnog moet afwijzen. Daarbij vermeldt [appellant] dat het om een vonnis in kort geding gaat, maar dat is een verschrijving. Deze procedure is een bodemprocedure.

6.4.2.

In de memorie van grieven merkt [appellant] op dat alles wat hij in eerste aanleg heeft aangevoerd, als volledig herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Het hof kan aan dat verzoek niet zonder meer gehoor geven. Een dergelijke verwijzing is onvoldoende om alles wat bij de kantonrechter is aangevoerd in de beoordeling van het hoger beroep te betrekken. Uit de memorie van grieven moet voldoende duidelijk zijn (zowel voor Oranjegroep als voor het hof) tegen welke beslissingen en oordelen van de kantonrechter het hoger beroep is gericht en wat de bedoeling is van het hoger beroep.

6.4.3.

Het hoger beroep van [appellant] is alleen gericht tegen hetgeen in conventie aan de orde was, dus tegen de veroordeling van [appellant] tot betaling van boetes aan Oranjegroep. Het hoger beroep van [appellant] is niet gericht tegen hetgeen in reconventie aan de orde was (daar heeft [appellant] ook geen belang bij). Oranjegroep is veroordeeld in de proceskosten in reconventie, maar zij is daarvan niet in hoger beroep gekomen. Dat betekent dat het hof geen oordeel hoeft te geven over de vordering in reconventie en dat dit onderdeel van het vonnis in dit hoger beroep niet meer aan de orde is.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het hoger beroep

6.5.

Zoals hiervoor onder 6.2.3 is vermeld staat in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst een relatiebeding en in artikel 12 een concurrentiebeding. Het hof merkt het relatiebeding ook aan als een concurrentiebeding in de zin van artikel 7:653 lid 1 BW, omdat het een beding is waarbij [appellant] wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de arbeidsovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn (HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:364).

Instructie aan partijen

6.6.1.

Partijen hebben in deze zaak niet verzocht om een mondelinge behandeling. Het hof ziet aanleiding om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om ambtshalve een mondelinge behandeling te bevelen (artikel 87 lid 1 en lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De reden daarvoor is dat het hof behoefte heeft aan nadere inlichtingen en omdat het hof een schikking tussen partijen wil beproeven. Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen naar aanleiding van het beroep van [appellant] op matiging van de boetes en vanwege het belemmeringsverbod in artikel 9a Waadi (Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs). Het hof zal dat hierna kort toelichten en partijen opdragen welke informatie zij (in ieder geval) moeten aandragen en waarop zij zich moeten voorbereiden.

6.6.2.

Oranjegroep dient voorafgaand aan de mondelinge behandeling stukken in het geding te brengen, voorzien van een korte schriftelijke toelichting, waaruit blijkt dat zij schade heeft geleden, wat de omvang van die schade is en hoe deze in causaal verband staat met de door haar gestelde overtredingen van de bedingen door [appellant] .

6.6.3.

[appellant] dient op zijn beurt inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie over de belastingjaren 2019 tot en met 2021. Het hof denkt daarbij aan loonstroken, jaaropgaves, maar met name (ook) aan belastingaangiftes en belastingaanslagen. Ook [appellant] dient dus stukken in het geding te brengen. Indien hij dat wenst kan hij deze stukken ook voorzien van een korte schriftelijke toelichting.

6.6.4.

Het hof wijst partijen er uitdrukkelijk op dat in dit stadium hun schriftelijke toelichting uitsluitend mag worden gegeven op de eigen documenten en dat deze maximaal één pagina mag beslaan. Het is dus niet de bedoeling hiermee te reageren op de documenten en/of de toelichting van de ander.

6.6.5.

Tussen partijen staat vast dat [appellant] in de tijd dat hij bij Oranjegroep in dienst was, tewerkgesteld is geweest bij [[X]] Montagebedrijf B.V. Ook staat vast dat [appellant] door [[Y]] (via Scaffolding International B.V.) tewerk is gesteld bij [[X]] Montagebedrijf B.V.

Het hof ziet hierin aanleiding om met partijen te spreken over de betekenis van het belemmeringsverbod van artikel 9a Waadi (Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs) en de invloed daarvan op de vordering van Oranjegroep.

6.6.6.

Partijen dienen zich erop voor te bereiden dat de mondelinge behandeling niet alleen is bedoeld om deze onderwerpen te bespreken. Ook andere onderwerpen kunnen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde komen.

6.6.7.

Zoals hiervoor al is vermeld zal het hof ook een schikking beproeven. Het hof geeft partijen in overweging om de mondelinge behandeling niet af te wachten en zelf een schikking tot stand te brengen.

6.6.8.

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

7 De uitspraak

Het hof:

7.1.

bepaalt dat partijen – natuurlijke personen in persoon en rechtspersonen deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor dit hof, dat daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door het hof te bepalen datum, met de hiervoor onder 6.6.1 vermelde doeleinden;

7.2.

bepaalt dat de advocaten de zaak desgewenst aan het begin van de zitting maximaal 10 minuten mogen toelichten aan de hand van spreeknotities;

7.3.

verwijst de zaak naar de rol van 9 augustus 2022 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de maanden september tot en met december 2022;

7.4.

bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van de zitting zal vaststellen;

7.5.

draagt partijen op de hiervoor onder 6.6.2 en 6.6.3 bedoelde informatie uiterlijk twee weken voor de zitting te doen toekomen aan de wederpartij en in vijfvoud aan het hof, met inachtneming van hetgeen is bepaald in 6.6.4;

7.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, M. van Ham en D.J.B. de Wolff en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 juli 2022.

griffier rolraadsheer