Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:2274

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-07-2022
Datum publicatie
11-07-2022
Zaaknummer
20-002248-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging doodslag Arnhem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0483
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002248-20

Uitspraak : 11 juli 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 september 2020, in de strafzaak met parketnummer 05-171099-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum verdachte 1] op [geboortedatum verdachte 2] ,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken ter zake van -kort gezegd-:

  • -

    feit 1, primair: poging doodslag;

  • -

    feit 1, subsidiair: zware mishandeling;

  • -

    feit 1, meer subsidiair: poging tot zware mishandeling;

  • -

    feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Daarnaast zijn de benadeelde partijen, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet ontvankelijk in hun vorderingen verklaard.

Ten slotte heeft de rechtbank beslist op het beslag.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd, en dat het hof met dien verstande:

  • -

    bewezen zal verklaren hetgeen onder feit 1 primair en feit 2 is tenlastegelegd;

  • -

    verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] zal toewijzen tot het gewijzigde bedrag van € 39.100,95, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel, en;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] zal toewijzen tot een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.

Namens verdachte is integrale vrijspraak bepleit, en dientengevolge bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen. Ten aanzien van het beslag is verzocht om teruggave van de goederen aan de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 29 juni 2018 te Arnhem, althans in het arrondissement Oost-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, met dat opzet

- tegen die [benadeelde partij 1] heeft geroepen: “Ik steek jullie neer”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (vervolgens) meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de (linker)arm en/of (linker)schouder, althans het lichaam van die [benadeelde partij 1] heeft gestoken en/of gesneden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

1. subsidiair
hij op of omstreeks 29 juni 2018 te Arnhem, althans in het arrondissement Oost-Nederland, aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: een grote snijwond van ongeveer 30 centimeter waarbij het spierweefsel werd blootgelegd) heeft toegebracht, door

- tegen die [benadeelde partij 1] te roepen: “Ik steek jullie neer”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (vervolgens) die [benadeelde partij 1] opzettelijk meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de (linker)arm en/of (linker)schouder, althans het lichaam te steken en/of te snijden;

1. meer subsidiair
hij op of omstreeks 29 juni 2018 te Arnhem, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- tegen die [benadeelde partij 1] heeft geroepen: “Ik steek jullie neer”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (vervolgens) meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de (linker)arm en/of (linker)schouder, althans het lichaam van die [benadeelde partij 1] heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 29 juni 2018 te Arnhem, althans in het arrondissement Oost-Nederland, [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door tegen die [benadeelde partij 2] te roepen "Ik steek jullie neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij:

1. primair
op 29 juni 2018 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, met dat opzet

- tegen die [benadeelde partij 1] heeft geroepen: 'Ik steek jullie neer', althans woorden van gelijke aard en strekking en

- vervolgens met een mes, althans een scherp (steek)voorwerp, in de (linker)arm en/of (linker)schouder van die [benadeelde partij 1] heeft gestoken en/of gesneden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.
op 29 juni 2018 te Arnhem, [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door tegen die [benadeelde partij 2] te roepen "Ik steek jullie neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage; de bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en de omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Steekincident

Op vrijdag 29 juni 2018 omstreeks 03.30 uur liep aangeefster [benadeelde partij 1] samen met aangeefster [benadeelde partij 2] door het centrum van Arnhem naar huis. Op de Steenstraat heeft een voor haar onbekende man met een scherp voorwerp een grote, diepe en gapende snede gemaakt ter hoogte van haar linkerschouder over vrijwel de hele binnenzijde van haar bovenarm heen. Aan het steekincident gaat een zeer korte confrontatie vooraf, waarin de onbekende man iets roept in de trant van “ik steek jullie neer”.

Direct na het steekincident heeft [benadeelde partij 2] hiervan via het 112-alarmnummer melding gemaakt. Op de plaats delict is van [benadeelde partij 2] een verklaring opgenomen. [benadeelde partij 2] geeft aan dat de dader is weggelopen in de richting van het Velperplein.

Signalement

Van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zijn op 29 juni 2018 aangiften opgenomen.

[benadeelde partij 1] geeft als signalement van de dader:

- geen Nederlander;

- iets groter dan 1.73;

- een beetje gezet.

[benadeelde partij 2] geeft in eerste instantie als signalement van de dader:

- een jongen van Turkse of Marokkaanse afkomst;

- van ongeveer 35 jaar oud;

- bruin haar;

- gekleed in een bruine jas.

In een wat latere verklaring in het ziekenhuis diezelfde avond vult zij het signalement aan met de volgende kenmerken:

- een Turkse man;

- getinte huidskleur;

- tussen de 30 en 40 jaar oud;

- klein en gezet postuur;

- donker/zwart haar, haar was kort met dun haar bovenop;

- opvallende brede wenkbrauwen, borstelachtig;

- lichte beige jas met twee zakken aan de voorzijde;

- donkere kleding;

- opvallend loopje, soort pinguïnloopje;

Camerabeelden

Naar aanleiding van het steekincident op de Steenstraat is door de politie de directe omgeving en de route naar en van de plaats delict bekeken op de aanwezigheid van beveiligingscamera’s hetgeen heeft geleid tot de volgende bevindingen.

Op de beelden van de Chocolaterie Albert, Steenstraat 1-A te Arnhem, is te zien dat die nacht rond 03.25 uur een persoon aankomt lopen vanuit het Velperplein en gaat in de richting van de Steenstraat. Hij draagt een donkere broek, donkere schoenen en een lichte jas. Binnen een halve minuut komt dezelfde persoon weer in beeld, nu vanuit de Steenstraat en gaand in de richting van het Velperplein. De persoon draagt een tas op zijn rechter heup. Na ongeveer anderhalve minuut komt dezelfde persoon weer vanuit het Velperplein aanlopen, loopt in de richting van de Steenstraat, blijft even staan, draait zich om en loopt weer in de richting van het Velperplein.

Omstreeks 03.28 uur die nacht komen twee personen (later geïdentificeerd als beide aangeefsters) vanuit boven in beeld en lopen in de richting van de Steenstraat het beeld uit.

Na ongeveer een halve minuut komt een persoon vanuit het Velperplein, rennend in beeld

en gaat in de richting van de Steenstraat. Omstreeks 03.30 uur komt diezelfde persoon weer rennend in beeld, komende uit de Steenstraat en gaande in de richting van het Velperplein, de hoek om in de richting van de Ir. J.P. van Muijlwijkstraat.

Op de beelden, op 29 juni 2018 tussen 03.00 en 04.00 uur geregistreerd vanaf de vestiging van Albert Heijn op de Velperbuitensingel 4 te Arnhem, is een persoon (in het proces-verbaal aangeduid als persoon 1) te zien die vanuit de Eusebiusbuitensingel komt aanlopen. Deze persoon loopt de Chocolaterie een keer voorbij, om vervolgens terug te keren in de richting van het verkeerslicht bij het Velperplein. Vanuit het centrum komen persoon 2 en 3 aanlopen (later herkend als de beide slachtoffers). Op het moment dat zij de straat oversteken, loopt persoon 1 op hen af. Persoon 2 en 3 lopen langs de Chocolaterie verder de Steenstraat in, het beeld uit. Persoon 1 rent in de richting van persoon 2 en 3 en verdwijnt ook uit beeld. Na nog geen minuut komt persoon 1 weer aanrennen en gaat in de richting van het Velperplein.

Op de beelden van 't Gouden Paleis, Hommelsestraat 38 te Arnhem, is omstreeks 03:31 uur een man te zien die komt uit de richting van de Ir. Van Muijlwijkstraat en loopt in de richting van de Spoorstraat. De man zwaait opvallend met zijn linkerarm, zijn rechterarm houdt hij nagenoeg stil. Hij is stevig tot dik, draagt een schoudertasje, een donkere broek en donkere schoenen.

Deelconclusie: de persoon op de beelden is ook de dader van de tenlastegelegde feiten

Op grond van de door aangeefsters opgegeven signalementen en het signalement van de persoon zichtbaar op de camerabeelden, in combinatie met de locatie en het tijdstip van deze beelden, acht het hof bewezen dat de persoon die ter hoogte van de Chocolaterie op de Steenstraat heen en weer loopt en die in het proces-verbaal van de camerabeelden van de Albert Heijn als persoon 1 wordt aangeduid en die op de camerabeelden van ’t Gouden Paleis op de Hommelsestraat is te zien een en dezelfde persoon is en dat deze persoon als dader betrokken is bij het tenlastegelegde steekincident en de tenlastegelegde bedreiging.

Is de verdachte de dader?

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte de persoon op de beelden is en daarmee als dader van het steekincident en de bedreiging kan worden aangemerkt.

Verdachte ontkent de persoon op de beelden te zijn.

Verdachte wordt door meerdere getuigen herkend wanneer een compilatie van de eerdergenoemde camerabeelden worden vertoond bij het televisieprogramma Opsporing Verzocht. De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de camerabeelden van slechte kwaliteit zijn en dat de gelaatskenmerken niet waarneembaar zijn, hetgeen aan een herkenning van de verdachte als de persoon op de beelden in de weg staat. Voorts zijn in de optiek van de verdediging de herkenning van de verdachte op de beelden door getuigen niet onbevangen tot stand gekomen, hetgeen afbreuk doet aan de bewijswaarde.

Herkenning

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte is te zien en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie) zijn in dit verband van belang.

Herkenning van een persoon op beeld vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en– wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen. Dat moeilijk te rationaliseren holistische karakter maakt ook dat het enkele feit dat de kwaliteit van de camerabeelden te wensen overlaat of dat de verdachte daar maar ten delen op valt te zien, niet hoeft te betekenen dat de herkenning onbetrouwbaar is. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft/hoe beter men de betrokken persoon kent, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Wie iemand goed kent, heeft immers maar weinig nodig om hem of haar te herkennen.

In totaal verklaren 16 personen dat zij de verdachte op de beelden hebben herkend. Onder deze 16 personen bevinden zich 4 familieleden van de verdachte. Bij de overige getuigen gaat het onder meer om personen die de verdachte kennen van werk en/of casinobezoek dan wel vanuit de wijk waarin zowel de getuigen als de verdachte woonachtig zijn of zijn geweest. Van een groot deel van deze getuigen kan derhalve worden gesteld dat zij een meer dan oppervlakkige mate van bekendheid hebben met de verdachte, sterker nog veel getuigen kennen de verdachte al jaren. Verdachte wordt herkend vanaf bewegende beelden aan zijn postuur, houding, typische wijze van voortbewegen, de kleding en het op kruislingse wijze dragen van een tas. Met name het typische loopje wordt door vrijwel alle 16 getuigen benoemd. Aangeefster [benadeelde partij 2] heeft ook verklaard dat de dader een typisch loopje had. En ook de verbalisant die de camerabeelden van ’t Gouden Paleis heeft bekeken, maakt een opmerking over de wijze van voortbewegen van de dader. Dat bij de uitzending van Opsporing Verzocht is benoemd dat de dader een aparte, herkenbare manier van lopen heeft/een typisch loopje heeft, is naar het oordeel van hof geen voorinformatie die afdoet aan de betrouwbaarheid van de herkenningen van de getuigen nu uit de getoonde beelden, met name die van ’t Gouden Paleis, ook daadwerkelijk volgt dat de dader een apart loopje heeft.

De door het hof bij de beoordeling van de herkenningen te betrachten behoedzaamheid brengt met zich mee dat het hof een aantal “herkenningen” niet voor het bewijs zal bezigen nu deze tot stand lijken te zijn gekomen op grond van aan de desbetreffende getuige verschafte voorinformatie.

Het hof ziet aangaande de resterende verklaringen, inhoudende de herkenning van de verdachte op de camerabeelden, geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid daarvan te twijfelen. In de voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen beschrijven de betreffende getuigen dat loopje op een authentieke wijze zoals door henzelf eerder waargenomen. Bovendien is hun herkenning tevens gebaseerd op andere specifieke uiterlijke kenmerken die zij toeschrijven aan de verdachte als houding, postuur, kleding (beige jas) en (wijze van dragen van) een tas. De betrouwbaarheid van hun herkenning wordt verder versterkt door het aantal zelfde herkenningen en het feit dat ook de door aangeefsters opgegeven signalementen de verdachte op onderdelen zoals afkomst, haarkleur, een typisch loopje, en de mate van beharing bovenop de schedel, overeenstemmen met het signalement van de verdachte.

Het hof schuift het rapport van het looppatroon analyse van de afdeling Bewegingswetenschappen van de Universitair Medisch Centrum Groningen, van de Rijksuniversiteit Groningen van 2 maart 2020 terzijde, nu dit rapport geen aandacht besteed aan houding van hoofd, borst en arm en in dit rapport uitdrukkelijk is vermeld dat een paar opvallende kenmerken (zowel de dader als de verdachte vertonen een heupflexie (bilpartij meer naar achter) tijdens het lopen en beide personen vertonen een voorkeur voor een forse armzwaai met de linkerarm, terwijl de rechterarm stilgehouden wordt) niet zijn meegenomen in de likelihood ratio. Deze kenmerken worden wel opvallend genoemd door de deskundigen. Het hof merkt op dat de getuigen de verdachte onder meer aan deze opvallende kenmerken hebben herkend en dat ook de verbalisant die de camerabeelden van ’t Gouden Paleis bekijkt deze opvallende kenmerken (althans één er van) waarneemt.

Deelconclusie: de persoon op de beelden is verdachte

De vraag of de verdachte de persoon op de beelden is en daarmee als dader van het steekincident kan worden aangemerkt, beantwoordt het hof dan ook bevestigend.

Nadere bewijsoverweging met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde feit

Ondanks dat de precieze toedracht van het steekincident op basis van de aangiften en verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet kan worden gereconstrueerd stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Uit de aan het strafdossier toegevoegde letselbeschrijving en letselinterpretatie blijkt dat het steekincident bij aangeefster [benadeelde partij 1] een grote snijwond, dwars door meerdere spierlagen, heeft teweeg gebracht, verlopend van de voorzijde van de bovenarm juist onder het schoudergewricht richting handwaarts over de voorzijde van de bovenarm tot ongeveer 2/5 van de arm. De lengte van de wond wordt geschat op 20 tot 30 cm en de diepte op 3 tot 6 cm. De forensisch arts acht als voorwerp waarmee de verwonding is toegebracht een steekmes of koksmes waarschijnlijker dan een Stanleymes of afbreekmes aangezien deze tekort zullen zijn om met één snede dan wel houw de diepte door de spier te halen en tevens het hele traject te doorsnijden.

[benadeelde partij 2] heeft verklaard dat de dader versneld op hen af kwam lopen. [benadeelde partij 1] verklaart eerst door de dader tegen haar linker been te zijn geschopt en vervolgens te zijn gestoken.

Het bovenstaande brengt het hof tot het oordeel dat verdachte in beweging, met een scherp voorwerp, met een snijgedeelte langer dan een Stanleymes of afbreekmes, met kracht gelet op het verloop van de verwonding, bovenhands ter hoogte van het bovenlichaam op [benadeelde partij 1] heeft ingestoken.

Is er sprake van poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] ?

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg — zoals hier de dood — is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Het hof oordeelt dat het steken in het lichaam ter hoogte van het bovenlichaam, verricht op de wijze zoals de verdachte dat heeft gedaan, te weten in versnelde beweging, bovenhands en met kracht instekend op een bewegend persoon, een aanmerkelijke kans in het leven roept dat aangeefster daardoor komt te overlijden. Alhoewel de verdachte [benadeelde partij 1] niet in een slagader of vitale organen heeft geraakt, bevinden zich in de omgeving van het gebied waar aangeefster is gestoken wel belangrijke (slag)aderen en vitale organen. Dat geldt niet alleen voor het bovenlichaam zelf (de romp), maar ook voor de bovenarm waarin de verdachte [benadeelde partij 1] heeft geraakt. Een steekverwonding in het bovenlichaam kan snel tot de dood leiden. Dit is een algemene ervaringsregel, zodat een ieder – en dus ook verdachte – wetenschap heeft van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het op een dergelijke wijze aldaar te steken met een dergelijk scherp voorwerp, is bovendien naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood van [benadeelde partij 1] dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties, waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard, is niet gebleken.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich schuldig gemaakt een poging tot doodslag, zodat het hof het onder 1 primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht.

Ook het onder 2 tenlastegelegde feit acht het hof gelet op de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sancties

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren met aftrek van het voorarrest. De verdediging heeft geen straftoemetingsverweer gevoerd.

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag en een bedreiging tegen het leven gericht. Een tot dan toe voor aangeefsters gezellig verlopen uitgaansavond is door de verdachte verworden tot een drama. Volkomen uit het niets, zonder dat aangeefsters daartoe maar op enigerlei wijze aanleiding hebben gegeven, heeft de verdachte de aangeefsters ernstig verbaal bedreigd, en erger nog aan deze bedreiging ten aanzien van één van hen, uitvoering gegeven. Verdachte heeft niets ontziend op [benadeelde partij 1] ingestoken. Treffend wordt het letsel dat de verdachte met één steek bij het slachtoffer teweeg brengt door de forensisch arts getypeerd als een houw, dat wil zeggen een slag met een scherp voorwerp. De foto’s in het strafdossier, met daarop zichtbaar een diepe gapende snijwond, spreken boekdelen. Slachtoffer [benadeelde partij 1] mag van geluk spreken dat zij bij deze aanslag niet het leven heeft gelaten of blijvend fysiek gehandicapt is geraakt.

Verdachte heeft beide aangeefsters ernstig getraumatiseerd. Beide aangeefsters kampen nog altijd dagelijks met de naweeën die het steekincident teweeg heeft gebracht. Het heeft [benadeelde partij 2] figuurlijk en [benadeelde partij 1] daarnaast tevens letterlijk voor het leven getekend. Dagelijks zal zij zich geconfronteerd zien met een fors ontsierend litteken en herinnerd worden aan hetgeen verdachte haar heeft aangedaan. Beide aangeefsters hebben zich onder behandeling moeten stellen teneinde aan opgelopen psychotraumata het hoofd te bieden. Uit de slachtofferverklaring van beide aangeefsters blijkt de grote impact die dit drama op hun leven heeft gemaakt en naar verwachting blijvend zal maken. Niet alleen heeft de verdachte bij aangeefsters gevoelens van angst en onveiligheid aangewakkerd, ook bij omstanders en op de samenleving als geheel laat een feit als het onderhavige een diepe indruk na. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

De verdachte heeft geen enkele verantwoording genomen voor de door hem gepleegde feiten. In het kader van een ambulant Pro Justitia onderzoek is de verdachte onderzocht door een psycholoog en een psychiater. Gelet op de ontkennende proceshouding van de verdachte en het feit dat de verdachte niet het achterste van zijn tong heeft laten zien en zich moeilijk laat kennen, hebben de onderzoekers onvoldoende antwoord kunnen geven op de gestelde vragen. De verdachte is vervolgens ter observatie opgenomen in het Pieter Baan Centrum. De verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek naar zijn geestvermogens door gedragsdeskundigen, verbonden aan het Pieter Baan Centrum, geweigerd. Hoewel er in het verleden van de verdachte aanwijzingen zijn dat er bij de verdachte persoonlijkheidsproblematiek speelt, hebben de gedragsdeskundigen door een gebrek aan medewerking van de zijde van de verdachte een persoonlijkheidsstoornis niet kunnen aantonen noch kunnen uitsluiten. Hierdoor heeft het hof geen zicht gekregen op hetgeen de verdachte heeft bewogen zich zo nietsontziend te gedragen. Het baart het hof grote zorgen dat er weinig, ogenschijnlijk niets, nodig is om de verdachte tot deze daden aan te zetten.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof voorts gelet op de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 april 2022 waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer geweldsdelicten.

Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Verdachte heeft geen werk, is gebrouilleerd met een deel van zijn familie en zorgt voor zijn moeder die op leeftijd is.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Gevangenneming

Het hof is na het onderzoek van oordeel dat uit de in het arrest opgenomen bewezenverklaring blijkt van ernstige bezwaren tegen verdachte ter zake van feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Het hof is voorts van oordeel dat blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert nu er sprake is van verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld en de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt.

Het hof zal daarom de gevangenneming van de verdachte bevelen, dit bevel zal apart worden geminuteerd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 72.089,20. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering en ter terechtzitting in hoger beroep haar vordering thans gedeeltelijk gehandhaafd.

Het hof stelt vast dat namens de verdachte geen verweer is gevoerd ten aanzien van de hoogte van de gevorderde immateriële en materiële schade.

Vordering

De gevorderde materiële schade bestaat -na wijziging van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep- thans nog uit de volgende posten:

  1. Medische kosten eigen risico € 933,95

  2. Kleding € 160,00

  3. Studievertraging € 10.225,00

  4. Zelfwerkzaamheid € 390,00

  5. Huishoudelijke hulp € 2.392,00 +/+

Totaal € 14.100,95

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de benadeelde partij gevorderd haar een bedrag toe te wijzen ter hoogte van € 25.000,-.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht. Het hof zal de materiële schade geheel toewijzen voor het totaalbedrag van € 14.100,95.

Immateriële schade

Wat betreft de post immateriële schade heeft het hof heeft rekening gehouden met het geestelijk en lichamelijk letsel dat de benadeelde partij heeft opgelopen als gevolg van verdachtes handelen. Het hof zal de vordering tot vergoeding van immateriële tot op heden geleden schade, rekening houdend met de in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengeld en op grond van redelijkheid en billijkheid, schatten op en geheel toewijzen tot een bedrag van € 25.000,-.

Wettelijke rente

Het hof zal de toegewezen vordering van de benadeelde partij vermeerderen met de wettelijke rente wat betreft de materiële schade vanaf 27 juli 2020, de dag waarop de vordering is ingediend en wat betreft de immateriële schade vanaf 29 juni 2018 de dag waarop het onder 1 bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden, tot aan de dag der algehele voldoening

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij 1] is toegebracht tot een bedrag van € 39.100,95. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor overwogen, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.320,66. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Vordering

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  1. Huurkosten (6 maanden x € 570,00) € 3.420,00

  2. Ziektekosten, eigen risico 2019 € 385,00

  3. Reiskosten vanwege andere woonplek € 436,10

  4. Reiskosten zitting eerste aanleg € 79,56, +/+

Totaal € 4.320,66

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de benadeelde partij gevorderd haar een bedrag toe te wijzen dat het hof redelijk acht in de betreffende situatie.

Het hof begrijpt de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] aldus dat zij zelfstandig schade vordert waarvan zij stelt dat die rechtstreeks door het bewezenverklaarde onder 1 (de poging doodslag op [benadeelde partij 1] ) aan haar is toegebracht, zogenaamde shockschade. Het hof begrijpt dat de vordering niet ziet op het onder 2 (de bedreiging van [benadeelde partij 2] ) bewezenverklaarde.

Het hof stelt het volgende voorop. Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan een hevige emotionele schok teweeg brengt (secundair slachtoffer). Gezichtspunten die daarbij een rol spelen zijn: (a) de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, (b) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan en (c) de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer. Het recht op vergoeding van schokschade is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel waarbij geldt dat zowel de materiële als immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking komt.

Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schockschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking. (ECLI:NL:HR:2022:958).

Het hof is van oordeel dat gelet op hetgeen aangeefster [benadeelde partij 1] door de verdachte is aangedaan en de gevolgen die dit voor haar hebben gehad, alsmede de wijze waarop de benadeelde partij [benadeelde partij 2] hiermee is geconfronteerd en de aard en de hechtheid van de relatie tussen beiden, dat de verdachte ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] . Het hof stelt verder vast dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] door een psychotherapeut is gediagnostiseerd met PTSS en dat zij daarvoor behandeling ondergaat/heeft ondergaan.

Het hof stelt vast dat namens de verdachte geen verweer is gevoerd ten aanzien van de hoogte van de gevorderde immateriële en materiële schade.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen schade heeft geleden die het gevolg is van het door haar opgelopen geestelijk letsel. Het hof zal de materiële schade toewijzen ten aanzien van de posten onder 1, 2 en 3 tot een bedrag van € 4.241,10.

Voor het overige, post 4, overweegt het hof als volgt.

De artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geven, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin een in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld (vgl. HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600). Uit artikel 238 Rv volgt dat (alleen) een in persoon procederende partij reis- en aanverwante kosten, gemaakt voor het bijwonen van de zitting, als proceskosten vergoed kan krijgen. In deze procedure heeft de benadeelde partij in eerste aanleg geprocedeerd met bijstand van een gemachtigde en dus niet in persoon. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt, zijn gesteld noch gebleken. Deze reiskosten worden daarom afgewezen.

Immateriële schade

Wat betreft de post immateriële schade heeft het hof heeft rekening gehouden met het geestelijk letsel dat de benadeelde partij heeft opgelopen als gevolg van verdachtes handelen. Het hof zal de vordering tot vergoeding van immateriële tot op heden geleden schade, rekening houdend met de in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengeld en op grond van redelijkheid en billijkheid, schatten op en toewijzen tot een bedrag van € 1.000-.

Wettelijke rente

Het hof zal de toegewezen vordering van de benadeelde partij vermeerderen met de wettelijke rente wat betreft de materiële schade vanaf 27 augustus 2020, de dag waarop de vordering is ingediend en wat betreft de immateriële schade vanaf 29 juni 2018 de dag waarop het onder 1 bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden, tot aan de dag der algehele voldoening

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij 2] is toegebracht tot een bedrag van € 5.241,10. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke zoals hiervoor overwogen, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Beslag

Het hof zal voor wat betreft de onder verdachte inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten twee schoenen, gelasten dat deze aan hem zullen worden teruggegeven, nu niet is gebleken dat enig strafvorderlijk belang zich tegen teruggave hiervan verzet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de gevangenneming van verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2 stk schoenen (omschrijving: Blauw: merk: Adidas).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 39.100,95 (negenendertigduizend honderd euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 14.100,95 (veertienduizend honderd euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 39.100,95 (negenendertigduizend honderd euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 14.100,95 (veertienduizend honderd euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 230 (tweehonderddertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

27 juli 2020;

en van de immateriële schade op:

29 juni 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.241,10 (vijfduizend tweehonderdeenenveertig euro en tien cent) bestaande uit € 4.241,10 (vierduizend tweehonderdeenenveertig euro en tien cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.241,10 (vijfduizend tweehonderdeenenveertig euro en tien cent) bestaande uit € 4.241,10 (vierduizend tweehonderdeenenveertig euro en tien cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 61 (eenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

27 augustus 2020;

en van de immateriële schade op:

29 juni 2018.

Aldus gewezen door:

mr. R. Lonterman, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. S.V. Pelsser, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. V.C. Minneboo, griffier,

en op 11 juli 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.