Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:2248

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2022
Datum publicatie
19-07-2022
Zaaknummer
200.307.015_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek moeder voor het verkrijgen van vervangende toestemming om te verhuizen wordt afgewezen. Noodzaak niet aangetoond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 7 juli 2022

Zaaknummer: 200.307.015/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/290381 FA RK 21-1230

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. Mestrini,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. F.F.A.D.C. Tjalma.

Deze zaak gaat over minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ; en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 24 november 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 februari 2022, heeft de moeder het hof verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing met de kinderen naar [plaats] , alsmede de uitschrijving van de kinderen op de basisschool [school 1] respectievelijk de [school 2] te [woonplaats] en de inschrijving van [minderjarige 1] op de [school 3] te [plaats] en [minderjarige 2] op een passende school in [plaats] , meer in het bijzonder de [school 4] of School voor Speciaal Onderwijs [school 5] , althans een zodanige regeling als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 april 2022, heeft de vader het hof verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Kosten rechtens.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 mei 2022.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Mestrini;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Tjalma;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 24 november 2021;

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 29 april 2022;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 4 mei 2022;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 4 mei 2022.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ,

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.1.1.

Bij beschikking van 24 november 2021 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , zaaknummer C/03 /288465 / FA RK 21-538, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze echtscheiding is ingeschreven in de daartoe bestemde registers op 14 januari 2022.

In deze beschikking is verder, voor zover thans van belang, het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder bepaald en is de raad verzocht om een onderzoek te doen inzake de verdeling van de zorg en opvoedingstaken, in dat kader is de zaak pro forma aangehouden.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder, om haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen en om de kinderen uit te schrijven op de basisscholen van de kinderen in [woonplaats] en in te schrijven op passende basisscholen in [plaats] , afgewezen.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift, samengevat, aan dat aan alle criteria is voldaan om te komen tot het verlenen van een vervangende toestemming voor de verhuizing naar [plaats] .

Er is een emotionele en financiële noodzaak en een noodzaak op het gebied van huisvesting.

De moeder heeft, anders dan de rechtbank overweegt, de verhuizing goed doordacht en voorbereid. Zij heeft wel degelijk onderzoek verricht en zich laten informeren.

De moeder benadrukt dat haar belang om te mogen verhuizen wel degelijk groter is dan het belang van de vader. Zij is de hoofdopvoeder. Anders dan waar de rechtbank vanuit gaat, is er geen sprake van een gelijkwaardige verzorging en opvoeding van de kinderen. De moeder voelt zich niet fijn in [woonplaats] , heeft er geen netwerk en is niet opgewassen tegen de vader. De verhuizing is noodzakelijk in verband met de zorgtaken en de continuïteit van de zorg voor de kinderen. Daarbij komt dat de kinderen zich thuis voelen in [plaats] ; zij bezoeken zeer regelmatig de ouders van de moeder daar.

Dat de rechtbank heeft verwezen naar het belang van continuïteit van de voor [minderjarige 2] benodigde hulpverlening zonder dat hiertoe nader onderzoek is verricht is voor de moeder onbegrijpelijk. Zij meent dan ook dat niet kan worden geoordeeld dat een verhuizing daadwerkelijk te ingrijpend zou zijn voor [minderjarige 2] .

De moeder wijst erop dat zij wel degelijk ook heeft nagedacht over de compensatie van de vader. De compensatie kan in de vakanties en tijdens feestdagen plaats vinden alsook door video-contact. De moeder benadrukt dat zij in het belang acht van de kinderen om de omgang met de man structureel te laten plaatsvinden. Zij is bereid een groter aandeel in het vervoer van de kinderen te nemen. Ook is de moeder bereid om de vader financieel te compenseren voor zijn reiskosten. De kinderen zijn het gewend om dat stuk te reizen; ze gaat nu ook regelmatig naar [plaats] .

De week op-week af regeling die sinds 14 februari 2022 loopt is een tijdelijke regeling in afwachting van de raadsonderzoek. Feitelijk is het een co-ouderschap met de grootouders vaderszijde, omdat de man full time werkt. Ten aanzien van de verminderde contacten tussen de kinderen en grootouders vaderszijde merkt de moeder op dat de regeling die de vader voor ogen heeft in zeer beperkte mate afwijkt van de regeling die de moeder voor ogen heeft. De contacten met de grootouders worden als gevolg van de echtscheiding al ernstig beperkt. Bovendien zullen de kinderen, indien de moeder toestemming voor de verhuizing krijgt, in de vakanties substantieel langer bij de vader zijn en daarmee ook bij de grootouders (die naast de vader wonen).

Het is juist dat zij de echtelijke woning met financiële hulp van haar ouders kan overnemen. Zij had feitelijk geen keuze en de emotionele noodzaak tot verhuizen blijft bestaan.

3.5.

De vader heeft de grieven van de moeder gemotiveerd betwist en voert in het verweerschrift, samengevat, het navolgende aan. Er is volgens hem geen noodzaak tot verhuizen. De echtscheiding is inmiddels uitgesproken en de vader woont sinds medio februari 2022 in een huurwoning. De moeder zal de echtelijke woning toebedeeld krijgen en hij is daarmee akkoord. De vader betwist ook verder de financiële noodzaak; de moeder heeft een goede baan in [woonplaats] . De emotionele noodzaak voor de moeder om te verhuizen wordt eveneens betwist door de vader. De ouders hebben tot februari 2022 samen in de echtelijke woning gewoond en de kinderen weten pas sinds kort dat de ouders gaan scheiden.

Volgens de vader is de moeder degene die hem negatief afschildert en hij ontkent dat hij zich agressief heeft geuit jegens de moeder.

De vader wijst er op dat ook niet is gebleken dat de moeder de wisseling van de school voor de kinderen goed heeft voorbereid en doordacht. De vader acht het belang van de moeder om te verhuizen niet groter dan zijn belang.

Ook betwist hij de noodzaak in verband met de zorgtaken en de continuïteit voor de kinderen. Dat de zorg door de week enkel bij de moeder ligt en zij de hoofdopvoeder is klopt niet. De kinderen verblijven nu evenveel tijd bij elk van partijen. De man heeft goede afspraken met zijn werkgever kunnen maken als hij eerder naar huis moet voor de kinderen. Hij woont naast zijn ouders en zij staan altijd paraat om er voor de kinderen te zijn.

Door de verhuizing zullen de vader en de kinderen elkaar niet meer doordeweeks zien. De kinderen zullen in [plaats] sociale contacten opbouwen waardoor het te voorzien is dat dit zal leiden tot een verdere beperking van de contacten met de vader. De moeder geeft geen waarborg voor het structureel doorgang kunnen blijven vinden van de contacten tussen de kinderen en de vader. De reis van [plaats] naar [woonplaats] is bovendien een lange reis die een fysieke belasting voor de kinderen inhoudt. De verhuizing lijkt puur een persoonlijke wens te zijn van de moeder die in het geheel geen recht doet aan de belangen van de kinderen.

Enige verruiming van het verblijf van de kinderen in de vakanties bij de vader kan niet leiden tot een voor de kinderen wenselijke compensatie. De kinderen zijn opgegroeid en geworteld in [woonplaats] . Hebben vriendjes op school en gaan naar sportclubs. En er zijn nauwe persoonlijke betrekkingen met de familie van vader. Het is voorts nog maar de vraag of [minderjarige 2] (gelet op zijn kindeigenproblematiek) in staat is om een verhuizing en een wisseling van school en hulpverleners aan te kunnen. Daar zou dan bijkomen de verwerking van een forse inperking van zijn contact met de vader en grootouders.

3.6.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat het thans lopende onderzoek bij de raad ziet op de situatie dat beide ouders in [woonplaats] blijven wonen. De raad heeft het hof geadviseerd om de huidige situatie te bestendigen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

3.7.2.

De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toestemming van de vader behoeft.

Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen.

Bij een dergelijke beslissing dient het hof - conform vaste rechtspraak - alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen.

Hoewel het belang van de minderjarige een overweging van de eerste orde dient te zijn bij deze belangenafweging, kunnen andere belangen zwaarder wegen dan het belang van de minderjarige.

Het gaat onder meer om: het recht en belang van de verhuizende ouder en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten, de (on)mogelijkheid om op een andere wijze aan dat belang tegemoet te komen, de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid, de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren, de leeftijd van de minderjarige, de te overbruggen afstanden en de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg.

3.7.3.

Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de moeder niet heeft aangetoond dat er sprake is van een noodzaak om samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [plaats] te verhuizen. Dat betekent dat het hof de door de moeder verzochte toestemming om te mogen verhuizen niet zal verlenen. In aanvulling op hetgeen de rechtbank aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd, welke overwegingen het hof overneemt en na eigen afweging en waardering tot de zijne maakt, overweegt het hof het volgende.

3.7.4.

Op de mondelinge behandeling van het hof is gebleken dat de ouders sinds medio februari 2022 apart wonen. De moeder woont in de voormalige echtelijke woning en de vader in een huurhuis naast zijn ouders. Op advies van [instantie] , de instantie die betrokken is na een incident tussen de ouders waarbij Veilig Thuis is ingeschakeld, verblijven de kinderen week op week af bij de vader en de moeder. Verder is gebleken dat de moeder de voormalige echtelijke woning in [woonplaats] toebedeeld zal krijgen, en dat dit in de nabije toekomst juridisch en financieel wordt geregeld.

3.7.5.

Naar het oordeel van het hof heeft de moeder niet aangetoond op welke manier zij de kinderen financieel meer zou kunnen bieden in [plaats] . Het hof volgt de moeder ook niet in haar stelling dat, ondanks het feit dat zij de voormalige echtelijke woning krijgt toebedeeld, de emotionele noodzaak tot verhuizing blijft bestaan.

Hoewel de wens van de moeder om in [plaats] dichter bij haar ouders en haar netwerk te gaan wonen op zichzelf invoelbaar is, levert dit geen noodzaak op om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [plaats] te verhuizen. Temeer nu op de mondelinge behandeling is gebleken dat de lopende zorgregeling waarbij de kinderen week op week af bij de moeder en de vader verblijven goed verloopt en meer rust heeft gebracht. Het hof gaat voorbij aan het argument van de moeder dat zij in feite een co-ouderschapsregeling met de ouders van vader heeft omdat de vader fulltime werkt en minder beschikbaar is. Gebleken is dat de vader onlangs afspraken heeft kunnen maken met zijn werkgever en hierdoor overdag meer beschikbaar is voor de kinderen. Daarbij komt dat de grootouders vaderszijde al sinds de geboorte van de kinderen een grote rol spelen in hun leven, evenals de grootouders van moederszijde die op dit moment meerdere dagen bij de moeder en de kinderen komen om op te passen.

Bovendien zijn de ouders nog in afwachting van het onderzoek van de raad ten aanzien van onder meer de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals bevolen door de rechtbank in de voornoemde echtscheidingsbeschikking.

Het belang van de moeder weegt verder ook niet op tegen de belangen van de kinderen om op te kunnen groeien in de voor hen vertrouwde leefomgeving waar het sociale leven van de kinderen plaatsvindt en waar ook de vader woont met wie de kinderen op dit moment de helft van tijd verblijven. Dat geldt voor beide kinderen, nog los van het feit dat [minderjarige 2] mogelijk extra kwetsbaar is.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het feit dat de ouders niet of moeilijk communiceren geen reden is om toestemming te verlenen om te verhuizen. Bovendien is op de mondelinge behandeling van het hof gebleken dat de ouders in gesprek zijn met een systeemtherapeut in het kader van hun traject bij [instantie] (tot herstel van hun ouderrelatie in het belang van de kinderen). Het hof vertrouwt erop dat in dat traject ook het door de moeder beschreven gevoel van onveiligheid, dat zij heeft ervaren tijdens een incident met de vader, wordt betrokken.

3.8.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

Proceskosten

3.9.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 24 november 2021;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.P. de Beij en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en is op 7 juli 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier