Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:2037

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-06-2022
Datum publicatie
27-06-2022
Zaaknummer
20-000057-21
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2020:6278, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is door het hof veroordeeld tot een gevangenissraf van 10 jaar en een schadevergoeding aan benadeelde partijen. Hij is schuldig aan twee verkrachtingen, twee keer mishandeling, een keer iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden. Vrijspraak van pogingen tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000057-21

Uitspraak : 27 juni 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie

’s-Hertogenbosch, van 16 december 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-060228-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Sierra Leone) op [geboortedag] 1999,

thans verblijvende in P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van tweemaal verkrachting (feiten 1 en 4) en wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van tweemaal poging tot doodslag (feiten 3 en 5) en diefstal (feit 6). De vorderingen van benadeelde partij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn gedeeltelijk toegewezen. Aan benadeelde [slachtoffer 1] is toegewezen een bedrag van € 15.104,08, bestaande uit € 104,08 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade, en aan benadeelde [slachtoffer 2] is toegewezen een bedrag van € 15.021,00, bestaande uit € 21,00 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade. In beide gevallen zijn de toegewezen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en zijn de benadeelde partijen voor het overige in de vorderingen niet-ontvankelijk verklaard, met de bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, zal vernietigen, en in zoverre opnieuw rechtdoende de feiten onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 primair zal bewezen verklaren en de verdachte ter zake van deze feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de immateriële schade ad € 30.000,00 wordt toegewezen en de materiële schade -met uitzondering van de post vervangen tuingereedschap- wordt toegewezen en dat de benadeelde partij voor dat deel van haar vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, waarbij het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] geheel wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1, 2, 3 primair en subsidiair, 4 en 5 primair en subsidiair. Ten aanzien van de onder de feiten 3 en 5 telkens meer subsidiair tenlastegelegde eenvoudige mishandeling heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw betoogd dat deze primair gelet op de bepleite vrijspraken dienen te worden afgewezen c.q. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Subsidiair, indien het hof tot een bewezenverklaring van een of meer feiten mocht komen, de vergoeding van immateriële schade telkens te matigen en de vordering van de benadeelde partij zover het de materiële schade betreft deels niet-ontvankelijk te verklaren c.q. af te wijzen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens de akte instellen hoger beroep door het openbaar ministerie onbeperkt ingesteld en daardoor ook gericht tegen de vrijspraak door de eerste rechter van het onder 6 tenlastegelegde feit. Nu de door de officier van justitie bij schriftuur ingediende grieven niet zien op de vrijspraak van feit 6 en de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft medegedeeld dat het hoger beroep van het openbaar ministerie niet ziet op feit 6 zal het hof het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ter zake van het onder 6 tenlastegelegde zonder onderzoek van de zaak zelf op de voet van art. 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), niet-ontvankelijk verklaren.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 21 februari 2020 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 1] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat hij, verdachte, een kus wilde en/of

- die [slachtoffer 1] bij de keel gepakt/gegrepen en/of vastgehouden en/of (hard) in de keel geknepen en/of

- die [slachtoffer 1] een kus op de mond gegeven en/of

- die [slachtoffer 1] bij haar gezicht vastgepakt/vastgehouden en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] een tongzoen gegeven en/of

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat hij seks wilde en/of

- ( vervolgens) toen die [slachtoffer 1] tegenstribbelde, haar (wederom) bij de keel en/of armen gepakt met zijn, verdachtes, handen en/of

- tegen die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, gezegd dat hij haar gaat doden, althans woorden van soortgelijke strekking, en/of

- toen die [slachtoffer 1] op de grond lag, haar broek uitgetrokken en/of

- ( vervolgens) zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of gehouden en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] laten omdraaien en zijn penis tegen de billen en/of anus van die [slachtoffer 1] geduwd en/of gehouden;

2.
hij op of omstreeks 21 februari 2020 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden door die [slachtoffer 1] opzettelijk en wederrechtelijk

- tegen de muur te duwen en/of te gooien en/of

- in het toilet te duwen en/of

- de deur van dat toilet te blokkeren;

3.

hij op of omstreeks 21 februari 2020 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven meermalen, althans eenmaal, met zijn hand(en) de keel van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen/dichtgeduwd en/of gehouden en/of daarbij meermalen, althans eenmaal, heeft gezegd dat hij haar wil doden en/of dat zij zal sterven, althans woorden van soortgelijke strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 21 februari 2020 te Eindhoven, althans in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant, althans in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, met zijn hand(en) de keel/hals, althans in elk geval het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt/beetgepakt en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen/dichtgeduwd, althans in elk geval in de keel/hals van die [slachtoffer 1] heeft geknepen, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 21 februari 2020 te Eindhoven, althans in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant, althans in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met zijn hand(en) bij/aan de keel/hals, althans in elk geval aan het lichaam, vast te pakken en/of beet te pakken en/of (vervolgens) de keel/hals van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen en/of dicht te duwen, althans in elk geval in de keel/hals, althans in elk geval in het lichaam, van die [slachtoffer 1] te knijpen, waardoor die [slachtoffer 1] pijn en/of letsel heeft bekomen;

4.
hij op of omstreeks 6 maart 2020 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 2] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer 2] met zijn hand(en) bij de schouder(s) gepakt en/of vastgehouden en/of

- die [slachtoffer 2] meerdere malen, althans eenmaal, met de vuist(en) in/tegen het gezicht/de wang geslagen en/of gestompt en/of

- die [slachtoffer 2] op de grond gegooid/geduwd en/of

- de kleding/trui van die [slachtoffer 2] strak om haar nek getrokken en/of gehouden en/of

- een mes gepakt en/of dat mes aan die [slachtoffer 2] getoond en/of dat mes naast de nek van die [slachtoffer 2] gehouden en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, (een) steekbeweging(en) gemaakt met een mes richting het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of

- met een mes de kleding van die [slachtoffer 2] kapot gesneden en/of de kleding van die [slachtoffer 2] uitgetrokken en/of

- ( vervolgens) zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gestopt en/of gehouden en/of

- ( vervolgens) zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of gehouden en/of

- ( vervolgens) zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of gehouden en/of

- met zijn, verdachtes, hand(en) de borsten van die [slachtoffer 2] betast/aangeraakt;

5.

hij op of omstreeks 6 maart 2020 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, de hals van de trui/kleding (langdurig) strak heeft getrokken om de nek van die [slachtoffer 2] en/of vast heeft gehouden en/of daarbij meermalen, althans eenmaal, heeft gezegd dat hij haar wil doden en/of I will kill you en/of dat zij zal sterven, althans woorden van soortgelijke strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 6 maart 2020 te Eindhoven, althans in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant, althans in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, de hals/col/het textiel van de trui/kleding (langdurig) (strak) om de hals/nek van die [slachtoffer 2] heeft getrokken/gerukt en/of heeft (vast)gehouden en/of die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, met de vuist(en) en/of hand(en) meerdere, althans in elk geval eenmaal, tegen de wang(en), althans in elk geval tegen het lichaam, heeft gestompt/geslagen, terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 6 maart 2020 te Eindhoven, althans in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant, althans in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, middels de hals/col/het textiel van haar trui/kleding (langdurig) (strak) om de nek/hals van die [slachtoffer 2] te trekken/rukken en/of vast te houden en/of die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, met de vuist(en) en/of hand(en) tegen de wang(en), althans in elk geval tegen het lichaam, te stompen/slaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 3 primair en subsidiair alsmede feit 5 primair en subsidiair

Het hof acht, zoals hierna zal worden overwogen, niet bewezen dat verdachte de onder 3 primair en subsidiair en 5 primair en subsidiair telkens tenlastegelegde poging tot doodslag c.q. poging tot zware mishandeling op/van [slachtoffer 1] respectievelijk [slachtoffer 2] heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 meer subsidiair, 4 en 5 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 21 februari 2020 te Eindhoven door geweld en door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 1] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat hij, verdachte, een kus wilde en

- die [slachtoffer 1] bij de keel gegrepen en vastgehouden en hard in de keel geknepen en

- die [slachtoffer 1] een kus op de mond gegeven en

- die [slachtoffer 1] bij haar gezicht vastgepakt/vastgehouden en vervolgens die [slachtoffer 1] een tongzoen gegeven en

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat hij seks wilde en

- vervolgens toen die [slachtoffer 1] tegenstribbelde, haar (wederom) bij de keel en armen gepakt met zijn, verdachtes, handen en

- tegen die [slachtoffer 1] meermalen gezegd dat hij haar gaat doden en

- toen die [slachtoffer 1] op de grond lag, haar broek uitgetrokken en

- vervolgens zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en gehouden en

- vervolgens die [slachtoffer 1] laten omdraaien en zijn penis tegen de billen en anus van die [slachtoffer 1] geduwd;

2.
hij op 21 februari 2020 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden door die [slachtoffer 1] opzettelijk en wederrechtelijk

- tegen de muur te gooien en

- in het toilet te duwen en

- de deur van dat toilet te blokkeren;

3 meer subsidiair.

hij op 21 februari 2020 te Eindhoven [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen met zijn handen bij de keel/hals vast te pakken en vervolgens de keel/hals van die [slachtoffer 1] dicht te duwen, waardoor die [slachtoffer 1] pijn en letsel heeft bekomen;

4.
hij op of omstreeks 6 maart 2020 te Eindhoven, door geweld en door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 2] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer 2] met zijn handen bij de schouders gepakt en vastgehouden en

- die [slachtoffer 2] meerdere malen met de vuist tegen de wang gestompt en

- die [slachtoffer 2] op de grond geduwd en

- de trui van die [slachtoffer 2] strak om haar nek getrokken en gehouden en

- een mes gepakt en dat mes aan die [slachtoffer 2] getoond en dat mes naast de nek van die [slachtoffer 2] gehouden en

- meerdere malen steekbewegingen gemaakt met een mes richting het lichaam van die [slachtoffer 2] en

- met een mes de kleding van die [slachtoffer 2] kapot gesneden en de kleding van die [slachtoffer 2] uitgetrokken en

- vervolgens zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd en gehouden en

- vervolgens zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en gehouden en

- met zijn, verdachtes, hand(en) de borsten van die [slachtoffer 2] aangeraakt;

5 meer subsidiair.
hij op of omstreeks 6 maart 2020 te Eindhoven [slachtoffer 2] heeft mishandeld door het textiel van haar trui strak om de nek/hals van die [slachtoffer 2] te trekken en vast te houden en die [slachtoffer 2] meermalen met de vuist tegen de wang te stompen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1,2,3 primair, 4 en 5 primair tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft op de gronden zoals nader verwoord in haar pleitnota in de kern aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder feit 1 tenlastegelegde verkrachting en de onder feit 2 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] alsmede van de onder feit 4 tenlastegelegde verkrachting van [slachtoffer 2] nu steeds sprake was van seksueel contact met wederzijdse instemming.

Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat de onder 3 en 5 telkens primair tenlastegelegde poging tot doodslag op aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard nu niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans aanwezig was op dodelijk letsel en evenmin dat de verdachte het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, had op het overlijden van aangeefsters. Het bij de aangeefsters vastgestelde letsel kan evenmin worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel hetgeen betekent dat de verdachte, aldus de raadsvrouw, ook van de onder 3 subsidiair en 5 subsidiair telkens tenlastegelegde poging tot zware mishandeling dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de onder 3 en 5 telkens meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt als volgt.

Feiten m.b.t. [slachtoffer 1] (1, 2 en 3 primair, subsidiair en meer subsidiair).

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 21 februari 2020 was mevrouw [slachtoffer 1] in haar tuin bezig met snoeiwerkzaamheden. De verdachte die op dat moment langs liep, bood haar spontaan aan te helpen. Aangeefster [slachtoffer 1] accepteerde dit en nadat de verdachte haar geholpen had, bood zij verdachte als dank voor zijn hulp iets te drinken aan. Nadat zij in de woning van aangeefster samen iets gedronken hadden, zei aangeefster dat de verdachte moest gaan. De verdachte antwoordde op agressieve wijze dat hij zo niet aangesproken wenste te worden en dat hij eerst een kus wilde. Toen zij dat weigerde, greep de verdachte aangeefster bij haar keel en sleepte hij haar naar de keuken. Er volgde een worsteling waarbij de verdachte de keel van aangeefster verschillende malen dichtdrukte en zich meermalen dreigend jegens haar uitliet. De verdachte zei tegen aangeefster dat hij seks met haar wilde. Toen aangeefster dit weigerde en op enig moment weg van hem probeerde te komen heeft verdachte haar teruggeduwd in de woonkamer en haar onder het roepen van bedreigingen verkracht. Toen aangeefster wederom probeerde weg te komen heeft de verdachte haar opgesloten op het toilet door de toiletdeur van buitenaf te barricaderen. Vervolgens heeft de verdachte het huis verlaten. Aangeefster is door haar buurvrouw uit het toilet bevrijd, nadat zij haar op de muur hoorde kloppen en hoorde roepen om hulp.

Feiten 1 en 2 verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft een consistente en zeer gedetailleerde verklaring afgelegd die wordt ondersteund door de letselrapportage, de verklaring van haar buurvrouw [naam] en door het door de politie aangetroffen sporenbeeld in de woning van aangeefster [slachtoffer 1] . De verklaring van de verdachte dat sprake zou zijn geweest van vrijwillige seks acht het hof volstrekt ongeloofwaardig, gelet op het aangetroffen letsel.

Het hof gaat ook voorbij aan de verklaring van de verdachte dat aangeefster [slachtoffer 1] zichzelf zou hebben opgesloten, nu door getuige [naam] is verklaard dat zij haar buurvrouw vanuit haar woning om hulp hoorde roepen en zij haar buurvrouw vervolgens – terwijl de toegang tot het toilet van buitenaf was gebarricadeerd – opgesloten op het toilet aantrof. Het sporenbeeld in de woning van aangeefster [slachtoffer 1] is daarnaast onderzocht door de politie. Zij vinden een schaal en een lamp zodanig gepositioneerd dat dit past bij het barricaderen van de toiletdeur. Ook zien zij dat de hendel van de deur van het toilet van binnenuit is afgebroken, hetgeen past bij een uiterste poging de deur van binnenuit te openen.

Feit 3 primair: poging tot doodslag

Het hof ziet zich voor vooraleerst voor de vraag gesteld of het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte erop gericht was om aangeefster [slachtoffer 1] van het leven te beroven door meermalen haar keel dicht te knijpen c.q. dicht te duwen. Hoewel uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte haar daarbij meerdere keren bedreigd heeft met de dood, blijkt daaruit tevens dat zijn handelingen er primair op gericht waren om seks met aangeefster te hebben. Het hof concludeert dan ook – anders dan de advocaat-generaal – dat de verdachte op het moment dat hij de keel van aangeefster dichtkneep/dichtduwde niet het boos opzet had om aangeefster te doden.

Vervolgens doet zich de vraag voor of de verdachte het voorwaardelijk opzet had om aangeefster te doden.

Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg – in dit geval de dood van aangeefster [slachtoffer 1] – zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen).

Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Vast is komen te staan dat de verdachte op 21 februari 2020 meerdere malen de keel van aangeefster [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en dichtgehouden. Aangeefster heeft hierover gedetailleerd verklaard en haar verklaring vindt steun in de medische informatie van de forensisch geneeskundige van het Catharina Ziekenhuis (dossierpagina 289-291). Uit deze informatie is gebleken dat aan weerszijden van de hals en ter hoogte van de nek van het slachtoffer meerdere bloeduitstortingen, roodheid en excoriaties (schaaf-en kraswonden) zijn aangetroffen.

Het dossier bevat geen aanwijzingen omtrent de duur van het dichtknijpen en dichtgeknepen houden van de keel en de kracht en de intensiteit daarvan. Uit de verklaring van aangeefster blijkt niet dat zij door dit handelen van verdachte het bewustzijn heeft verloren. De genezingsverwachting bedroeg naar verwachting enkele dagen.

In hoger beroep is op verzoek van het openbaar ministerie forensisch geneeskundig onderzoek gedaan naar het letsel van aangeefster (rapportage 17 december 2021). Ook de forensisch deskundige van het NFI concludeert dat de bloeduitstortingen in de hals gezien hun locatie, vorm en rangschikking aan weerszijden van de hals passen bij het in de keel knijpen/bij de keel grijpen (‘manuele strangulatie’).

Aan de deskundige zijn de volgende vragen voorgelegd:

  1. In hoeverre is het letsel levensbedreigend geweest?

  2. Indien de handelingen (potentieel) dodelijk zijn geweest, kan dan de mate van

waarschijnlijkheid worden geduid?

De NFI forensisch geneeskundige heeft daarop geantwoord:

“De bij [slachtoffer 1] waargenomen letsels bestonden uit bloeduitstortingen en oppervlakkige huidafschavingen, welke op zich niet levensbedreigend zijn. Een handeling waarbij samendrukkend geweld op de hals wordt uitgeoefend, kan echter wel potentieel dodelijk zijn. De kans op overlijden en de tijdsduur waar binnen de dood intreedt, is afhankelijk van vele factoren, waaronder de duur, eventuele tussentijdse onderbrekingen van het omsnoerende (het hof begrijpt uit de overige bevindingen dat hier is bedoeld ‘samendrukkend’) geweld, de mate waarin nog passage van lucht mogelijk is, in hoeverre hierbij eenzijdige dan wel tweezijdige compressie van bloedvaten in de hals plaatsvindt en van de fysieke conditie van het slachtoffer. In onderhavig geval bevond het letsel zich voornamelijk laag aan de hals en in de nek en waren er geen aanwijzingen voor geweld aan weerszijden van het strottenhoofd of stuwingsverschijnselen, waardoor het risico op bovengenoemde gevolgen waarschijnlijk beperkt is gebleven.”

Op de vraag of er iets gezegd kan worden over de kracht/intensiteit van de handelingen, gezien de letsels bij [slachtoffer 1] , heeft de deskundige geantwoord:

“De bij [slachtoffer 1] waargenomen letsels bestonden uit bloeduitstortingen en

oppervlakkige huidafschavingen. Het ontstaan van dergelijk letsel is behalve van de

intensiteit/kracht van de oorzakelijke geweldinwerkingen, tevens afhankelijk van

andere factoren, zoals individuele factoren, de aard van het veroorzakend object of

lichaamsdeel, et cetera. Er is een zekere mate van geweld nodig om het letsel te veroorzaken, dit is echter niet te kwantificeren.”

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] door het handelen van de verdachte zou komen te overlijden. Dat aangeefster in grote angst verkeerde, mede gelet op de met het geweld gepaard gaande (doods)bedreigingen trekt het hof niet in twijfel, echter is die angst onvoldoende om te concluderen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster. Nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] door zijn handelen zou komen te overlijden, dient de verdachte vrijgesproken te worden van de onder feit 3 tenlastegelegde poging tot doodslag op aangeefster [slachtoffer 1] .

Feit 3 subsidiair: poging tot zware mishandeling

Het hof is onder verwijzing naar voorgaande overwegingen, nu deze ook opgaan bij de beoordeling van de vraag of verdachte het verwijt treft dat hij heeft gepoogd aangeefster [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, van oordeel dat evenmin met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster [slachtoffer 1] . Zijn gedragingen zijn louter op basis van hun uiterlijke verschijningsvorm in combinatie met de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] en de letselbeschrijving onvoldoende om die conclusie zonder meer te rechtvaardigen. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.

Feit 3 meer subsidiair: mishandeling

Gelet op de verklaring van aangeefster, de letselbeschrijving en de verklaring van de verdachte acht het hof wel zonder meer bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 3 meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling.

Feiten m.b.t. [slachtoffer 2] (4 en 5 primair, subsidiair en meer subsidiair).

Op 6 maart 2020 was de verdachte op bezoek bij aangeefster [slachtoffer 2] in haar woning aan de [adres] te Eindhoven. Aangeefster kende verdachte sinds 28 januari 2020 en verdachte was inmiddels 4 à 5 keer bij aangeefster in de woning geweest. De verdachte had eten gekookt en daarna waren nog een vriend en vriendin van aangeefster op bezoek gekomen. Nadat deze waren vertrokken wilde aangeefster dat de verdachte vertrok. De verdachte gaf te kennen dat hij wilde blijven slapen. Toen aangeefster boos werd en zei dat het haar huis was en dat hij moest vertrekken, zei verdachte “You insult me”. In de keuken heeft verdachte toen zijn handen op haar schouders gelegd, haar met kracht omgedraaid en haar vervolgens met zijn vuisten tegen haar wangen gestompt. Daarna heeft hij haar bij de bovenkant van haar kleding vastgepakt en het textiel zodanig gedraaid dat deze strak om de nek/hals van aangeefster kwam te zitten, waardoor zij dacht dat zij zou stikken. Vervolgens bracht de verdachte haar ten val. Terwijl de verdachte haar met de linkerhand bij de keel vasthield pakte hij met zijn rechterhand een mes uit de keukenlade, waarmee hij aangeefster dreigde te steken. Nadat de verdachte de keel van aangeefster heeft losgelaten, heeft hij haar trui, met het mes in zijn hand, opengescheurd. Ook heeft hij de BH van haar lichaam gerukt met gebruikmaking van het mes. Vervolgens heeft verdachte aangeefster vaginaal verkracht. Uiteindelijk is de verdachte uit de woning vertrokken.

Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] . Zij heeft een consistente en zeer gedetailleerde verklaring afgelegd die op essentiële punten wordt ondersteund door de letselrapportage (dossierpagina’s 114 -117). De aangifte wordt voorts ondersteund door de resultaten van het DNA-onderzoek verricht door het NFI d.d. 1 oktober 2020 en het vergelijkend vezelonderzoek van het NFI (dossierpagina’s 205-212). Uit dit onderzoek volgt dat de verdachte inderdaad het desbetreffende mes in handen heeft gehad, op een ander moment dan bij het koken getuige de daarop door het NFI aangetroffen vezelsporen, en dat de BH van de aangeefster met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid met dit mes is beschadigd.

De verklaring van de verdachte dat sprake zou zijn geweest van vrijwillige seks acht het hof gelet op het voorgaande dan ook volstrekt niet geloofwaardig.

Feit 5 primair: poging tot doodslag

Het hof ziet zich ook ten aanzien van feit 5 primair voor de vraag gesteld of het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte erop gericht was om aangeefster [slachtoffer 2] van het leven te beroven door meermalen haar trui dicht om haar keel te trekken en vast te houden. Hoewel uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte haar daarbij meerdere keren bedreigd heeft met de dood, blijkt daaruit tevens dat zijn handelingen er primair op gericht waren om seks met aangeefster te hebben. Het hof concludeert dan ook – anders dan de advocaat-generaal – dat de verdachte op het moment dat hij de trui om de keel van aangeefster trok en vasthield niet het boos opzet had om aangeefster te doden.

Vervolgens doet zich de vraag voor of de verdachte het voorwaardelijk opzet had om aangeefster te doden, voor welk beoordelingskader het hof verwijst naar hetgeen hiervoor reeds te dien aanzien is overwogen.

Vast is komen te staan dat de verdachte in de nacht van 6 op 7 maart 2020 de trui van aangeefster [slachtoffer 2] om de nek/hals heeft getrokken en heeft vastgehouden. Aangeefster heeft hierover gedetailleerd verklaard en haar verklaring vindt steun in de medische informatie van de forensisch geneeskundige van het Catharina Ziekenhuis (dossierpagina’s 115-117). Uit deze informatie komt naar voren dat zich aan de linkerzijde van de hals en de nek een streepvormig huidletsel (snoerspoor) bevindt met een min of meer horizontaal beloop. Het letsel bestaat uit roodheid en oppervlakkige huidbeschadigingen. Aan de rechterzijde van de hals wordt een tweetal bloeduitstortingen gezien. Het aspect, beloop en de lokalisatie van het snoerspoor aan de hals en nek past bij strangulatie.

Het dossier bevat geen aanwijzingen omtrent de duur, de kracht en de intensiteit waarmee de verwurgingshandeling zou hebben plaatsgevonden. Uit het radiologische onderzoek is niet gebleken dat er schade aan het strottenhoofd is ontstaan (p. 118) Aangeefster heeft ook niet verklaard dat zij door deze handeling van de verdachte het bewustzijn heeft verloren. De genezingsverwachting van het letsel bedroeg naar verwachting enkele dagen.

In hoger beroep is op verzoek van het openbaar ministerie forensisch geneeskundig onderzoek gedaan naar het letsel van aangeefster (rapportage 17 december 2021). Ook de forensisch deskundige van het NFI concludeert dat de lijnvormige bloeduitstortingen in de hals en nek in combinatie met de (zeer) oppervlakkige huidafschaving passend is bij omsnoerend geweld van de hals en de nek.

Aan de deskundige zijn de volgende vragen voorgelegd:

  1. In hoeverre is het letsel levensbedreigend geweest?

  2. Indien de handelingen (potentieel) dodelijk zijn geweest, kan dan de mate van

waarschijnlijkheid worden geduid?

De NFI forensisch geneeskundige heeft daarop geantwoord:

“De bij [slachtoffer 2] waargenomen letsels bestonden uit bloeduitstortingen en oppervlakkige huidafschavingen, welke op zich niet levensbedreigend zijn. Een handeling waarbij omsnoerend geweld op de hals wordt uitgeoefend, kan echter wel potentieel dodelijk zijn. De kans op overlijden en de tijdsduur waarbinnen de dood intreedt, is afhankelijk van vele factoren, waaronder de duur, eventuele tussentijdse onderbrekingen van het omsnoerende geweld, de mate waarin nog passage van lucht mogelijk is, in hoeverre hierbij eenzijdige dan wel tweezijdige compressie van bloedvaten in de hals plaatsvindt en van de fysieke conditie van het slachtoffer.

In onderhavig geval bevond het letsel zich voornamelijk zijwaarts aan de hals en aan de achterzijde van de nek en waren er geen aanwijzingen voor geweld aan de voorzijde of stuwingsverschijnselen, waardoor het risico op bovengenoemde gevolgen waarschijnlijk beperkt is gebleven.”

Op de vraag of er iets gezegd kan worden over de kracht/intensiteit van de handelingen, gezien de letsels bij [slachtoffer 2] , heeft de deskundige geantwoord:

“De bij [slachtoffer 2] waargenomen letsels bestonden uit bloeduitstortingen en

oppervlakkige huidafschavingen. Het ontstaan van dergelijk letsel is behalve van de

intensiteit/kracht van de oorzakelijke geweldinwerkingen, tevens afhankelijk van

andere factoren, zoals individuele factoren, de aard van het veroorzakend object of

lichaamsdeel, et cetera. Er is een zekere mate van geweld nodig om het letsel te veroorzaken, dit is echter niet te kwantificeren.”

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 2] door het handelen van de verdachte zou komen te overlijden. Dat aangeefster in grote angst verkeerde, mede gelet op de met het geweld gepaard gaande (doods)bedreigingen trekt het hof niet in twijfel, echter is die angst onvoldoende om te concluderen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster. Nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] door zijn handelen zou komen te overlijden, dient de verdachte vrijgesproken te worden van de onder feit 5 tenlastegelegde poging tot doodslag op aangeefster [slachtoffer 2] .

Feit 5 subsidiair: poging tot zware mishandeling

Het hof is onder verwijzing naar voorgaande overwegingen, nu deze ook opgaan bij de beoordeling van de vraag of verdachte het verwijt treft dat hij heeft gepoogd aangeefster [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, van oordeel dat evenmin met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster [slachtoffer 2] . Zijn gedragingen zijn louter op basis van hun uiterlijke verschijningsvorm in combinatie met de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] en de letselbeschrijving onvoldoende om die conclusie zonder meer te rechtvaardigen. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de onder feit 5 subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.

Feit 5 meer subsidiair: mishandeling

Gelet op de verklaring van aangeefster, de letselbeschrijving en de verklaring van de verdachte acht het hof wel zonder meer bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 5 meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

verkrachting.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

verkrachting.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich op 21 februari 2020 op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan (de eendaadse samenloop) van verkrachting en mishandeling. Hij heeft het slachtoffer, de destijds 67-jarige [slachtoffer 1] , in haar eigen woning op gewelddadige wijze verkracht. Daarna heeft hij het slachtoffer opzettelijk en wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd door haar in het toilet op te sluiten waaruit zij pas na ongeveer 1,5 door de buurvrouw kon worden bevrijd. Twee weken later, in de avond en nacht van 6 op 7 maart 2020, heeft de verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan (de eendaadse samenloop) van verkrachting en mishandeling. Dit keer betrof het slachtoffer de destijds 63-jarige [slachtoffer 2] en ook toen vonden de bewezenverklaarde feiten plaats in de woning van het slachtoffer. Slachtoffer [slachtoffer 2] is weliswaar nadien door de verdachte niet opgesloten op haar toilet, maar de verdachte is na de verkrachting en de daarmee gepaard gaande geweldshandelingen nog circa anderhalf uur in haar woning verbleven, waardoor zij geen hulp durfde in te schakelen en zij zich wel voelde alsof zij van haar vrijheid was beroofd.

Beide vrouwen hadden zich gastvrij opgesteld jegens de verdachte. Slachtoffer [slachtoffer 1] had de verdachte die haar tot die dag onbekend was in haar woning uitgenodigd om hem te bedanken voor de hulp die hij spontaan geboden had bij snoeiwerkzaamheden in haar voortuin. Tussen slachtoffer [slachtoffer 2] en de verdachte bestond sinds eind januari 2020 al contact, dat door [slachtoffer 2] beschreven werd als vriendschappelijk en wat haar betreft, gelet op het leeftijdsverschil gezien kon worden als een moeder-zoon verhouding. Beide vrouwen hebben de verdachte op de betreffende pleegdata op enig moment verzocht hun woning te verlaten. De verdachte bleek hier niet van gediend, weigerde dit en vervolgens werd de verdachte zeer dreigend en gewelddadig jegens de vrouwen. In beide gevallen heeft de verdachte de vrouwen de keel dichtgeknepen/dichtgeduwd, waardoor zij vreesden voor hun leven, en heeft hij hen met fors geweld en onder het uiten van bedreigingen ertoe gedwongen de seksuele handelingen, waaronder vaginale penetratie, te ondergaan. Deze dwang werd jegens [slachtoffer 2] ook uitgeoefend door gebruik te maken van een mes.

Zij waren door het extreme geweld en de doodsbedreigingen van de verdachte zo angstig dat hun fysieke weerstand werd gebroken en zij geen andere uitweg zagen dan de seksuele, vernederende handelingen door verdachte te ondergaan. Bij slachtoffer [slachtoffer 2] leidde het geweld er toe dat zij de controle over haar lichaam verloor. Bovendien was er in beide gevallen sprake van onbeschermde seks. Dit alles speelde zich af in de woningen van de vrouwen. Hun eigen woning, de plaats bij uitstek waar zij het voor het zeggen hebben en waar zij zich veilig zouden moeten kunnen voelen. Verdachte heeft door zijn handelen het vertrouwen van deze vrouwen ernstig misbruikt.

Het betreft hier ernstige feiten en het hof rekent deze de verdachte zwaar aan.

Door het plegen van deze feiten heeft de verdachte op brutale en grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van beide slachtoffers. Als algemeen bekend mag worden verondersteld dat slachtoffers van dit soort feiten veelal nog langdurige nadelige, psychische gevolgen ondervinden. Uit de toelichting op hun vorderingen tot schadevergoeding en de (schriftelijke) slachtofferverklaringen volgt dat de impact van het handelen van verdachte op de levens van de slachtoffers enorm is. Uit die beide verklaringen komt naar voren dat hun leven na het voorval nooit meer hetzelfde is geweest of zal zijn.

Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 mei 2020, waaruit volgt dat de verdachte, die illegaal in Nederland verblijft, niet eerder hier te lande veroordeeld is voor een strafbaar feit. Voorts heeft het hof kennisgenomen van de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen.

Uit de in 2020 opgemaakte Pro justitie-rapportage van psycholoog H.E.W. Koornstra (29 september 2020) en psychiater J.L.M. Dinjens (17 september 2019) volgt dat tijdens het onderzoek niet is kunnen worden vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een verminderde toerekeningsvatbaarheid. Uit de rapporten blijkt dat verdachte een moeizame en traumatische levensloop heeft gehad, waarbij hij vanuit Sierra Leone via Libië in Zwitserland en vervolgens in januari 2019 én januari 2020 in Nederland terecht is gekomen. De psychiater beschrijft hem als onthecht, getraumatiseerd en gedepersonaliseerd. De psycholoog ziet een verwaarloosd, wat narcistisch gekleurd perspectief bij verdachte waarbij hij een egocentrische en empathieloze indruk maakt. Beide deskundigen zien echter geen (sterke) aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte er niet voor terugdeinst om uit het niets, op het moment dat hem wordt gezegd naar huis te gaan, zeer gewelddadig gedrag te vertonen en zijn seksuele wil met geweld op te leggen aan de beide slachtoffers. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn gedrag voor de slachtoffers die hem gastvrij hadden ontvangen en hem vertrouwden. De feiten hebben zich kort na elkaar voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte zijn gedrag niet kan bedwingen en dat sprake is van een groot risico op herhaling. Ook in hoger beroep heeft de verdachte geen openheid van zaken gegeven. Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting jegens de slachtoffers spijt betuigd maar voor het hof is ondanks herhaalde vragen op dat punt onduidelijk gebleven waar deze spijt zich op richt, nu de verdachte bij zijn ontkenning van de hem tenlastegelegde feiten blijft.

Het hof stelt voorop dat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, sinds 2013 als uitgangspunt voor verkrachting een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden kenden, waarbij rekening kon worden gehouden met strafvermeerderende en/of strafverminderende factoren. Sinds mei 2022 geldt binnen de rechtspraak een nieuw oriëntatiepunt voor straftoemeting voor verkrachting dat gedifferentieerd is naar de mate van dwang. Indien sprake is van een verkrachting met ernstig geweld geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden. Het hof ziet gelet op het toegepaste geweld, het groot aantal vernederende en bedreigende handelingen aanleiding om aansluiting te zoeken bij dit uitgangspunt.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest, gevorderd. Bij deze eis is de advocaat-generaal uitgegaan van ook een bewezenverklaring van de onder de feiten 3 en 5 telkens primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Het hof komt echter tot een andere bewezenverklaring, te weten van de bij die feiten telkens meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling. Het hof zal derhalve een lichtere straf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Dit laat echter onverlet dat het hof, met de officier van justitie die hoger beroep heeft ingesteld mede gelet op de gewijzigde oriëntatiepunten ten zake van verkrachting, van oordeel is dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, onvoldoende recht doet aan de ernst van de door de rechtbank bewezenverklaarde verkrachtingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feit 1 en 4) en de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] (feit 2), alsmede de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd. Ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 2] overweegt het hof in dit verband dat wederrechtelijke vrijheidsberoving weliswaar in haar zaak niet aan de verdachte ten laste is gelegd maar dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat ook zij gedurende een periode van een aantal uren door toedoen van de verdachte niet vrij was om te gaan en te staan waar zij wilde en in die tijd zeer angstig is geweest voor wat de verdachte haar mogelijk nog zou aandoen.

Het hof heeft, na een wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep, ook de mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bewezen geacht. Het hof is van oordeel dat hier telkens sprake is van eendaadse samenloop met de bewezenverklaarde verkrachtingen.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat uit een oogpunt van vergelding alsmede beveiliging van de maatschappij de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg – bij herstelvoeging – een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 30.513,92, bestaande uit € 513,92 ter zake van materiële schade en € 30.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.104,08, waarvan € 104,08 ter zake van materiële schade en € 15.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft bepaald dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering waardoor de vordering in volle omvang ter beoordeling aan het hof voorligt.

De vordering van de benadeelde partij bestaat uit de volgende posten:

materiële schade:

- reiskosten: € 44,82

- aanschaf medicatie: € 174,57

- vervangen kleding (broek) € 198,85

- vervangen kleding (bh + onderbroek) € 59,94

- vervangen tuingereedschap: € 35,74

€ 513,92

immateriële schade:

- smartengeld: € 30.000,00

Totaal gevorderde schade: € 30.513,92

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie in eerste aanleg, de vordering ten aanzien van immateriële schade en materiële schade geheel wordt toegewezen met uitzondering van de post vervangen tuingereedschap, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

De raadsvouw heeft met betrekking tot de gevorderde immateriële schade betoogd dat deze gematigd dient te worden tot maximaal € 15.000,00. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de post medicatie slechts gedeeltelijk kan worden toegewezen nu de vordering op dit punt niet volledig wordt onderbouwd en dat de vordering voor wat betreft de posten vervangen kleding en tuingereedschap niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dient te worden afgewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Immateriële schade

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding stelt het hof voorop dat immateriële schade slechts dan voor vergoeding in aanmerking komt indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon sprake is. De verdachte heeft de benadeelde partij op brute en vernederende wijze gedwongen om seksuele handelingen te ondergaan en heeft haar daarbij ernstig mishandeld. Door te handelen als bewezenverklaard heeft de verdachte niet alleen lichamelijk letsel veroorzaakt, maar ook psychisch letsel. Door en met de verkrachting heeft de verdachte de eer van het slachtoffer geschonden en een ernstige inbreuk gemaakt op zowel haar lichamelijke als geestelijke integriteit.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende causaal verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Uit de toelichting op de vordering en de namens de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring volgt dat de door de verdachte gepleegde feiten een enorme impact op het leven van de benadeelde partij hebben gehad en nog steeds hebben en tot grote psychische schade hebben geleid.

Het hof komt naast de bewezenverklaarde verkrachting en wederrechtelijke vrijheids-beroving ook tot bewezenverklaring van mishandeling die met de verkrachting gepaard is gegaan van [slachtoffer 1] . Het hof schat de immateriële schade op basis van de feiten en omstandigheden voor zover aan het hof bekend naar billijkheid op € 15.000,00. Voor het overige zal het hof de gevorderde immateriële schade afwijzen.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf na te melden pleegdatum.

Materiële schade

Het hof acht de gevorderde materiële schade als rechtstreeks door het bewezenverklaarde onder 1, 2 en 3 toewijsbaar tot een bedrag van € 104,08, te weten reiskosten ad € 44,82 en aangeschafte medicatie ad € 59,26. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De overigens gevorderde vergoeding van aangeschafte medicatie (ad € 115,31) zal het hof afwijzen nu deze post niet is onderbouwd met betalingsbewijzen en zijdens de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep is medegedeeld dat deze betalingsbewijzen ook niet meer getraceerd kunnen worden.

Ten aanzien van de posten vervangen kleding en tuingereedschap is het hof van oordeel dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en deze schade onvoldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat hier sprake is van rechtstreekse schade. Het hof zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Wettelijke rente

De ingangsdatum van de wettelijke rente wat betreft de immateriële schade zal het hof bepalen op 21 februari 2020, zijnde de datum waarop de feiten zijn gepleegd en de schade is ontstaan. De ingangsdatum van de wettelijke rente wat betreft de materiële schade zal het hof bepalen op 25 november 2020 zijnde de datum waarop door de advocaat van de benadeelde partij de oorspronkelijke vordering tot schadevergoeding is ingediend.

Kostenveroordeling

Het hof zal de verdachte veroordelen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 15.104,08. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 november 2020 ter zake van de materiële schade en 21 februari 2020 ter zake van de immateriële schade telkens tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 30.021,00, bestaande uit € 21,00 ter zake van materiële schade en € 30.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.021,00,

waarvan € 21,00 ter zake van materiële schade en € 15.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft bepaald dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering waardoor de vordering in volle omvang ter beoordeling aan het hof voorligt.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering integraal toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvouw heeft met betrekking tot de gevorderde immateriële schade betoogd dat deze gematigd dient te worden tot maximaal € 15.000,00.

Het hof overweegt als volgt.

Immateriële schade

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding stelt het hof voorop dat immateriële schade slechts dan voor vergoeding in aanmerking komt indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon sprake is. De verdachte heeft de benadeelde partij op brute en vernederende wijze gedwongen om seksuele handelingen te ondergaan en heeft haar daarbij ernstig mishandeld. Door te handelen als bewezenverklaard heeft de verdachte niet alleen lichamelijk letsel veroorzaakt, maar ook psychisch letsel. Door en met de verkrachting heeft de verdachte de eer van het slachtoffer geschonden en een ernstige inbreuk gemaakt op zowel haar lichamelijke als geestelijke integriteit.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Uit de toelichting op de vordering en de namens de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring volgt dat de door de verdachte gepleegde feiten een enorme impact op het leven van de benadeelde partij hebben gehad en nog steeds hebben en tot grote psychische schade hebben geleid.

Het hof komt naast de bewezenverklaarde verkrachting ook tot bewezenverklaring van mishandeling die met de verkrachting gepaard is gegaan van [slachtoffer 2] . Het hof schat de immateriële schade op basis van de feiten en omstandigheden voor zover aan het hof bekend naar billijkheid op € 15.000,00. Voor het overige zal het hof de gevorderde immateriële schade afwijzen., Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum.

Materiële schade

Het hof acht de gevorderde reiskosten i.v.m. ondergane behandeling ad € 21,00 toewijsbaar als rechtstreeks door het bewezenverklaarde onder 4 en 5 veroorzaakte schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Wettelijke rente

De ingangsdatum van de wettelijke rente zal het hof wat betreft de immateriële schade bepalen op 7 maart 2020, zijnde de datum waarop de feiten zijn gepleegd en de schade is ontstaan. De ingangsdatum van de wettelijke rente wat betreft de materiële schade zal het hof bepalen op 25 november 2020 zijnde de datum waarop door de advocaat van de benadeelde partij de oorspronkelijke vordering tot schadevergoeding is ingediend.

Kostenveroordeling

Het hof zal de verdachte veroordelen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 15.021,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 november 2020 ter zake van de materiële schade en 7 maart 2020 ter zake van de immateriële schade telkens tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 55, 57, 242, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ter zake van het onder 6 tenlastegelegde niet-ontvankelijk.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair, 3 subsidiair, 5 primair en

5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 meer subsidiair, 4 en 5 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 meer subsidiair, 4 en 5 meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1, 2 en 3 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.104,08 (vijftienduizend honderdvier euro en acht cent) bestaande uit € 104,08 (honderdvier euro en acht cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 15.115,31 (vijftienduizend honderdvijftien euro en eenendertig cent) bestaande uit

€ 115,31 (honderdvijftien euro en eenendertig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.104,08 (vijftienduizend honderdvier euro en acht cent) bestaande uit € 104,08 (honderdvier euro en acht cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 110 (honderdtien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 november 2020 en van de immateriële schade op 21 februari 2020.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 4 en 5 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.021,00 (vijftienduizend eenentwintig euro) bestaande uit € 21,00 (eenentwintig euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 15.000,00 (vijftien duizend euro) aan immateriële schade af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 4 en 5 meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.021,00 (vijftiendertigduizend eenentwintig euro) bestaande uit

€ 21,00 (eenentwintig euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 110 (honderdtien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

25 november 2020 en van de immateriële schade op 7 maart 2020.

Aldus gewezen door:

mr. G.J. Schiffers, voorzitter,

mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. G.C. Bos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier,

en op 27 juni 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.