Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:1953

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2022
Datum publicatie
06-07-2022
Zaaknummer
200.297.962_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zakelijke overeenkomst van geldlening. Borgstelling door bestuurder? Uitleg overeenkomst, vaststellen partijen bij overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2022/2106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.297.962

arrest van 21 juni 2022

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: W.H.B.N. Litjens,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers

hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. L.M. Dressel.

1 Het procesverloop

1.1.

In de vonnissen van 27 februari 2019, 1 april 2020 en 26 mei 2021 van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch staat hoe de procedure bij de rechtbank verlopen is.

1.2.

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 28 juli 2021;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

1.3.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

2.2.

[appellant] was middellijk bestuurder en middellijk aandeelhouder van Zorgverlening [zorgverlener] B.V. (hierna: [zorgverlener] ).

2.3.

De vennootschap onder firma [geïntimeerde 1] V.O.F. verzorgde voor [zorgverlener] de administratie. Vennoten van [de V.O.F.] zijn de heer [geïntimeerde 1] (geïntimeerde sub 1) en zijn zoon, de heer [zoon] (hierna: [de zoon van geintimeerden] ). Deze zoon was de accountant van [zorgverlener] en van [appellant] in privé.

2.4.

Op 1 mei 2015 hebben [geïntimeerden] een overeenkomst van geldlening voor € 30.000,00 gesloten met [zorgverlener] (hierna: de overeenkomst). Voor zover hier van belang is daarin opgenomen:

Artikel 4: zekerheden

b) Indien en voor zover de Schuldenaar [hof: [zorgverlener] ] niet kan voldoen aan haar verplichting tot aflossing en betaling van het […] bedrag of de geldleningsovereenkomst eindigt van rechtswege als bedoeld in artikel 6, zal de heer [appellant] ,. als bestuurder van de vennootschap, zich persoonlijk en in privé aansprakelijk stellen voor het gehele nog openstaande saldo van de lening en tevens de, uit deze overeenkomst voortvloeiende, rente.

2.5.

In artikel 6 sub b van de overeenkomst staat dat de overeenkomst van rechtswege eindigt, (onder meer) als de schuldenaar failliet gaat. [zorgverlener] is kort daarna gefailleerd. Dat faillissement is geëindigd wegens gebrek aan baten.

2.6.

In eerste aanleg vorderden [geïntimeerden] veroordeling van [appellant] tot betaling van € 30.000,00 te vermeerderen met de contractuele rente van 5% per jaar en te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten. In het tussenvonnis van 1 april 2020 heeft de rechtbank [geïntimeerden] opgedragen te bewijzen dat zij met [appellant] zijn overeengekomen dat [appellant] privé aansprakelijk is voor het openstaande saldo en de rente. In het vonnis van 26 mei 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerden] het bewijs geleverd hebben. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van € 30.000,00, vermeerderd met de contractuele rente van 5% per jaar over dat bedrag vanaf 1 mei 2015, en heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

2.7.

In hoger beroep vordert [appellant] de vernietiging van de drie vonnissen van de rechtbank. Verder vordert hij dat het hof – opnieuw rechtdoende – de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog afwijst en [geïntimeerden] veroordeelt tot terugbetaling van de bedragen die [appellant] op basis van het eindvonnis onverschuldigd heeft betaald.

Uitleg overeenkomst

2.8.

Met zijn eerste twee grieven betoogt [appellant] dat de overeenkomst (meer in het bijzonder het in 2.4 aangehaalde artikel 4b) niet inhoudt dat hij in privé aansprakelijk is, zodat de bewijsopdracht ten onrechte is gegeven of – wanneer het hof anders oordeelt - in ieder geval [geïntimeerden] niet in het leveren van het bewijs zijn geslaagd.

2.9.

Partijen verschillen van mening over de vraag hoe artikel 4b van de overeenkomst moet worden uitgelegd. [appellant] betoogt dat een taalkundige uitleg van het desbetreffende artikel (door het gebruik van het woordje ‘zal’) meebrengt dat hij zich niet in privé heeft verbonden, [geïntimeerden] zijn van mening dat het artikel anders moet worden gelezen en juist tot aansprakelijkheid van [appellant] leidt. Om die reden heeft de rechtbank terecht bewijs opgedragen aan [geïntimeerden] , die immers hun vordering op dat artikel baseren.

2.10.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [geïntimeerden] feiten en omstandigheden hebben bewezen waaruit volgt dat zij met [appellant] zijn overeengekomen dat hij privé aansprakelijk is voor het openstaande saldo uit hoofde van de overeenkomst.

2.11.

[de zoon van geintimeerden] heeft als getuige verklaard dat er verschillende keren met [appellant] over diens aansprakelijkheid in privé is gesproken. Zijn verklaring moet – gelet op zijn eigen en afgeleide belangen – weliswaar met enige terughoudendheid worden beoordeeld, maar het hof stelt vast dat de verklaring gedetailleerd is. Zo heeft [de zoon van geintimeerden] niet alleen verklaard dat meermaals is gesproken over privé aansprakelijkheid van [appellant] , maar ook over de achtergrond ervan (het was bij beide partijen bekend dat de onderneming van [appellant] in zwaar weer verkeerde) en het deels daarmee samenhangende verschil tussen de tekst van de geldlening van de ouders van [appellant] en die van de overeenkomst met [geïntimeerden] . De verklaring van [appellant] die niet meer inhoudt dan dat nooit gesproken zou zijn over zekerheden als voorwaarde, legt daar tegenover ook naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal.

2.12.

Bovendien schrijft [de zoon van geintimeerden] in een email van 10 maart 2015 dat in een vaststellingsovereenkomst opgenomen moet worden “dat, mocht [zorgverlener] alsnog failliet gaan, jij de lening alsnog in privé terugbetaalt.” In hoger beroep betwist [appellant] dat hij deze email heeft ontvangen, maar dat standpunt onderbouwt hij niet voldoende. Het betoog dat hij zich niet kan herinneren de email ooit gelezen te hebben is geen voldoende gemotiveerde betwisting van de ontvangst ervan. Het hof gaat er daarom vanuit dat [appellant] de hiervoor genoemde email waarin zijn overeen te komen privé aansprakelijkheid aan de orde wordt gesteld, heeft ontvangen. Dat hij de e-mail niet heeft gelezen of zich dat niet meer kan herinneren, komt voor zijn rekening en risico. Aan nadere bewijslevering op dit punt komt het hof daarom niet toe.

2.13.

[appellant] wijst er nog op dat de ouders van [appellant] ook een bedrag aan [zorgverlener] hebben geleend, zonder daarbij zekerheden te bedingen. Ook die overeenkomst is opgesteld door [de zoon van geintimeerden] . [de zoon van geintimeerden] heeft daarover als getuige verklaard dat in een bespreking met [appellant] de privé aansprakelijkheid aan de orde is gekomen in het kader van de kwestie dat de ouders van [appellant] hun lening in de nalatenschap konden verrekenen en [geïntimeerden] niet. Dat in de overeenkomst met [appellants] ouders een bepaling over zijn privé aansprakelijkheid ontbreekt, betekent daarom niet dat de bepaling in de overeenkomst met [geïntimeerden] zo uitgelegd zou moeten worden dat geen aansprakelijkheid in privé is overeengekomen.

2.14.

De conclusie is dat vast is komen te staan dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant] privé aansprakelijk is voor het openstaande saldo uit hoofde van de overeenkomst. De grieven 1 en 2 slagen niet.

Misbruik van recht

2.15.

Met grief 3 betoogt [appellant] , zo begrijpt het hof, dat [geïntimeerden] misbruik van recht maken door betaling van de hoofdsom en rente te vorderen. [appellant] verwijst hiervoor naar een buitengerechtelijk crediteurenakkoord, maar daarvan is ook in hoger beroep niet gebleken. [appellant] heeft enkel een regeling getroffen met twee banken die schuldeisers van hem in privé waren en hij stelt dat [geïntimeerden] daarvan op de hoogte waren. [appellant] licht niet toe – en het hof ziet niet in – waarom dat zou betekenen dat [geïntimeerden] misbruik van recht maken, door [appellant] aan te spreken tot betaling van het uitgeleende bedrag.

Rente

2.16.

Met grief 4 betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte een rente van 5% heeft toegewezen. Het hof overweegt als volgt. In artikel 2 van de overeenkomst staat:

Artikel 2: rente

De geldlening draagt jaarlijks en te berekenen vanaf datum van verstrekking, een rente over het geleende of niet-afgeloste-deel daarvan. De rente gaat in per heden en verschijnt achteraf op 31 december van ieder jaar, voor het eerst op 31 december 2015, over het alsdan verstreken tijdvak.

Het rentepercentage wordt voor het tijdvak van heden tot 31 december 2020 vastgesteld op 5% (zijnde de gemiddelde twaalfmaands Euriborrente van januari 2015, te weten 0,276%, vermeerderd met een risico-/kostenopslag van 4,724%). Het rente percentage staat vast tot het einde van de looptijd. […]”

2.17.

De persoonlijke aansprakelijkheid van [appellant] geldt voor “het gehele nog openstaande saldo van de lening en tevens de, uit deze overeenkomst voortvloeiende, rente”. In de overeenkomst staat dat de hoogte van de rente alleen bepaald is voor de periode tot 31 december 2020 en het einde van de looptijd. Ook is overeengekomen dat de leningsovereenkomst zou eindigen in het geval van het faillissement van [zorgverlener] , waardoor de hoofdsom ineens opeisbaar zou worden. Maar datzelfde artikel bepaalt ook dat de rente verschuldigd is over het niet-afgeloste deel van het geleende bedrag. Er staat ook niets in de overeenkomst dat erop wijst dat na de looptijd van de overeenkomst geen rente meer verschuldigd zou zijn of dat dan een ander rentepercentage zou gaan gelden.

2.18.

Omdat partijen expliciet zijn overeengekomen dat [appellant] aansprakelijk zal zijn voor de uit de overeenkomst voortvloeiende rente én in de overeenkomst is bepaald dat over het niet afgeloste deel van het geleende een rente van vijf procent wordt berekend, moeten beide partijen over en weer hebben begrepen dat – als [zorgverlener] de lening niet tijdig en volledig aflost – [zorgverlener] ook na de looptijd van de lening een rente van vijf procent op jaarbasis verschuldigd zou zijn en dat de aansprakelijkheid van [appellant] ook daarop ziet.

Bewijsaanbod

2.19.

[geïntimeerden] hebben de bewijslast: zij moeten stellen – en bij voldoende betwisting bewijzen – dat [appellant] borg staat voor de schuld van [zorgverlener] . In eerste aanleg zijn getuigen gehoord, waaronder [appellant] zelf in contra-enquête. Het hof heeft op basis van al het bewijs, waaronder de afgelegde getuigenverklaringen, beslist en [appellant] voert in hoger beroep onvoldoende feiten en omstandigheden aan die tot een andere uitleg van de overeenkomst of tot een andere uitkomst van de procedure kunnen leiden. Dat betekent dat het hof in hoger beroep niet toekomt aan het leveren van (tegen)bewijs.

Conclusie

2.20.

Hoger beroep tegen het tussenvonnis van 27 februari 2019, waarin alleen een comparitie van partijen is bevolen, is niet mogelijk (artikel 131 Rv). Op dit punt is [appellant] daarom niet ontvankelijk.

2.21.

De grieven tegen het tussenvonnis van 1 april 2020 en het eindvonnis van 26 mei 2021 slagen niet. Het hof zal die vonnissen bekrachtigen.

2.22.

[appellant] is in hoger beroep in het ongelijk gesteld en het hof zal [appellant] daarom in de proceskosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 772,00

- salaris advocaat € 1.442,00 (1 punt × tarief III)

4 De uitspraak

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussenvonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 27 februari 2019;

bekrachtigt de vonnissen van die rechtbank van 1 april 2020 en 26 mei 2021;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 772,00 voor verschotten en op € 1.442,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, O.G.H. Milar en G. Creutzberg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juni 2022.

griffier rolraadsheer