Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:1776

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-06-2022
Datum publicatie
03-06-2022
Zaaknummer
20-000830-21
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2021:1313, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 317, 285 Sr: Anders dan de rechtbank spreekt het hof vrij van wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2). Hoewel het slachtoffer zich van zijn kleren moest ontdoen en de opdracht kreeg de kamer te verlaten, blijkt voor het hof onvoldoende dat het slachtoffer daarna werd belemmerd om te gaan en staan waar hij wilde. Op camerabeelden van de hal en overloop is te zien dat het slachtoffer niet onder controle wordt gehouden. Hij heeft in die tijd dus gelegenheid gehad om zich vrij te bewegen. Hof legt 3 jaar celstraf op voor afpersing en bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000830-21

Uitspraak : 3 juni 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 19 maart 2021, in de strafzaak met parketnummer 02-003894-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te Ter Apel.

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd om de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit ten aanzien van alle feiten, subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Voorts is verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, primair in verband met de verzochte vrijspraak en subsidiair omdat deze een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 5 januari 2020 te Middelburg

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van € 500, een horloge en

kleding, in elk geval enige goederen, die geheel of ten dele aan die

[slachtoffer] toebehoorden,

door die [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, te tonen en/of die [slachtoffer] te slaan en te schoppen

en/of daarbij dreigend de woorden toe te voegen “geef je geld en

horloge.” en/of “trek je kleren uit.”;


2.
hij op of omstreeks 5 januari 2020 te Middelburg

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,

door die [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, te tonen en/of die [slachtoffer] te slaan en schoppen

en/of daarbij dreigend de woorden toe te voegen “lopen, lopen” en/of “rennen, rennen.” en/of “je gaat met mij mee, naar Terneuzen, in de kofferbak.”;


3.
hij op of omstreeks 5 januari 2020 in de gemeente Middelburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met openlijk geweld met verenigde

krachten tegen personen en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht

en/of met zware mishandeling en/of met gijzeling, immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend:

- een vuurwapen dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp

getoond en dat op die [slachtoffer] gericht en/of

- die [slachtoffer] gedwongen zijn kleding uit te doen en met hen mee naar

buiten te gaan en/of

- een klap op zijn rug gegeven en tegen zijn linkerbeen geschopt en/of

- de kofferbak van een auto geopend en/of (daarbij) gezegd dat die [slachtoffer] daarin plaats moe(s)t nemen en/of

- meermalen, althans eenmaal tegen die [slachtoffer] de woorden

geschreeuwd, althans aan die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: “nu

lopen, opschieten, lopen nu (...), fack of, fack of now, now now, go downstairs, kurwa crazy, fack of down mijn vriend, do down! (...), lopen, lopen (...), rennen, rennen (...), Je gaat nu met mij mee naar Terneuzen in de kofferbak”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 2

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Uit de bewijsmiddelen komt naar het oordeel van het hof weliswaar naar voren dat [slachtoffer] zich van zijn kleren moest ontdoen en dat hij vervolgens de opdracht kreeg de kamer te verlaten, maar onvoldoende is gebleken dat de aangever [slachtoffer] daarna werd belemmerd om te gaan en te staan waar hij wilde. Van de situatie in de kamer van [getuige 2] is onvoldoende bekend om daaruit te kunnen afleiden dat, naast de afpersing, ook sprake was van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Met betrekking tot de situatie op de overloop en in de hal zijn camerabeelden voorhanden. Op die camerabeelden is te zien dat [slachtoffer] de trap af gestuurd wordt door de verdachte en dat [slachtoffer] gedwee de trap afloopt, maar de verdachte noch de medeverdachte [mededader] is hem hierbij gevolgd of heeft hem anderszins onder controle gehouden. Immers is de verdachte teruggelopen naar de kamer waar hij en [slachtoffer] vandaan kwamen en waar de voornoemde medeverdachte nog verbleef. Verder is te zien dat [slachtoffer] enige tijd beneden in de hal van het pand, vlakbij de trap blijft staan, contact heeft met een medebewoner en vraagt waar hij naar buiten kan, zonder dat de verdachte of [mededader] in de buurt zijn. Hij heeft in die tijd gelegenheid gehad om te gaan en staan waar hij wilde. Vervolgens zijn de verdachte en de medeverdachte [mededader] de trap af gekomen en hebben [slachtoffer] richting de voordeur en naar buiten gestuurd en geduwd.

Afgezien van de vraag in hoeverre er buiten op straat sprake was van een wederrechtelijke vrijheidsberoving op het moment dat de medeverdachte [mededader] handelingen heeft verricht die daarop gericht waren, kan uit de bewijsmiddelen niet voldoende blijken dat de verdachte van het voornemen van [mededader] daartoe tevoren op de hoogte was of dat hij aldaar enige wezenlijke bijdrage aan een door [mededader] voorgenomen vrijheidsberoving heeft geleverd. Temeer blijkt niet van een (vooropgezet) plan nu [getuige 1] , zijnde de bestuurder van de auto waarmee verdachte met [mededader] naar de woning van [getuige 2] was gekomen en die buiten stond te wachten, heeft verklaard dat hij tegen [mededader] heeft gezegd dat hij [slachtoffer] niet mee zou nemen in de auto (pg. 138 van het politiedossier). Op grond daarvan is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [mededader] ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 5 januari 2020 te Middelburg

tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en bedreiging met geweld

[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van ongeveer € 500, een horloge en

kleding, die aan die [slachtoffer] toebehoorden,

door die [slachtoffer] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en die [slachtoffer] te slaan en te schoppen en daarbij dreigend de woorden toe te voegen “geef je geld en horloge.” en “trek je kleren uit.”;

3.
hij op 5 januari 2020 in de gemeente Middelburg, tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk dreigend:

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en dat op die [slachtoffer] gericht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Met betrekking tot feit 3 overweegt het hof dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft bedreigd met openlijk geweld met verenigde krachten of met zware mishandeling.

Evenmin acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is van bedreiging met gijzeling, aangezien nergens uit blijkt dat het oogmerk van die eventuele vrijheidsberoving waarmee werd gedreigd, was om daardoor (een ander dan) die [slachtoffer] te dwingen iets te doen of niet te doen.

Wat betreft het tweede gedachtestreepje – die [slachtoffer] dwingen zijn kleding uit te doen en met hen mee naar buiten te gaan – overweegt het hof dat niet is gebleken dat de daar omschreven gedragingen hebben te gelden als uitvoeringshandelingen in het kader van de bewezenverklaarde bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.

Wat betreft de derde, vierde en vijfde gedachtestreepjes begrijpt het hof dat deze in verband staan met een bedreiging met wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dit is allereerst niet ten laste gelegd (immers is bedreiging met gijzeling ten laste gelegd) en voorts

verwijst het hof naar de vrijspraakoverweging met betrekking tot feit 2.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Verweren

A. Betrouwbaarheid verklaringen aangever [slachtoffer] en getuige [getuige 2]

Door de verdediging is ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verklaringen van aangever [slachtoffer] en getuige [getuige 2] buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat zij onbetrouwbaar zijn. De raadsman heeft daarbij verwezen naar verklaringen die zijn afgelegd in het onderzoek naar hun betrokkenheid bij Marktplaatsoplichtingen.

Het hof overweegt als volgt.

Aangever [slachtoffer] en de getuige [getuige 2] hebben zowel bij de politie ( [slachtoffer] op 5 januari 2020 en [getuige 2] op 13 januari 2020) als bij de rechter-commissaris (beiden op 28 januari 2021) verklaringen afgelegd. Deze houden in de kern het volgende in.

Op 5 januari 2020 waren zij samen in de kamer van [getuige 2] in Middelburg toen er op de deur werd geklopt. [slachtoffer] stond op het punt om naar huis toe te gaan en had op dat moment zijn kleren aan. [slachtoffer] is op aanwijzing van [getuige 2] in de kast gaan zitten. Toen [getuige 2] de deur van de kamer opende kwamen er twee mannen binnen. De kast waar [slachtoffer] zich bevond werd opengetrokken. Een van de mannen heeft daarop een pistool, althans iets dat op een pistool leek, op [slachtoffer] gericht. Daarna heeft de andere man [slachtoffer] bevolen om zijn geld en zijn horloge af te geven en vervolgens ook zijn kleding uit te trekken.

[getuige 2] heeft verklaard dat zij deze mannen kende. De man met het wapen was [mededader] en de man zonder wapen kende zij als “ [bijnaam verdachte] ”.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de persoon is die door [getuige 2] wordt aangeduid als “ [bijnaam verdachte] ”. Hij is met [mededader] naar de kamer van [getuige 2] gegaan en zij hebben daar in de kast [slachtoffer] aangetroffen. Hij zat in de kast verstopt en had alleen maar sokken en een onderbroek aan. Voorts heeft hij verklaard dat hij niet degene is geweest die aan [slachtoffer] heeft gevraagd om geld en een horloge af te geven en ook niet heeft gevraagd om kleding uit te trekken.

Volgens de verdediging wordt deze verklaring ondersteund door de verklaring die [mededader] op 22 december 2021 bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd. [mededader] heeft verklaard dat aangever [slachtoffer] in zijn onderbroek in de kast zat en dat de verdachte enkel de-escalerend heeft opgetreden.

Bij de afweging aan welke verklaringen het hof meer waarde hecht heeft het hof het volgende betrokken.

Aangever [slachtoffer] en de getuige [getuige 2] zijn in de kern bij hun verklaringen gebleven. Weliswaar heeft de getuige [getuige 2] bij haar eerste verhoor op 6 januari 2020 een verklaring afgelegd waarin zij niet geheel naar waarheid heeft verklaard, maar ook toen heeft zij verklaard dat er twee personen binnen kwamen en [slachtoffer] in de kast aantroffen, dat er een wapen bij was en dat er tegen [slachtoffer] gezegd werd dat hij zijn kleren uit moest doen. Zij heeft echter gezegd dat zij de namen van deze personen niet kende en dat zij de ene “ [bijnaam 1] ” noemde en de andere “ [bijnaam 2] ”. Op 13 januari 2020 heeft zij deze verklaring nader ingevuld in die zin dat de personen nader door haar zijn aangeduid als [mededader] en een vriend van hem die zij kent als “ [bijnaam verdachte] ”. Deze verklaring ondersteunt de aangifte van [slachtoffer] ook voor wat betreft de afgifte van geld en een horloge.

Op de vraag naar leugenachtige verklaringen heeft [getuige 2] bij de rechter-commissaris verklaard: “U vraagt mij of ik bij de politie destijds de waarheid heb verklaard. Niet toen ik vast zat. Ik was toen heel erg bang. De verklaringen die ik later als getuige heb afgelegd waren misschien ook niet helemaal naar waarheid. Het zou kunnen dat ik wel wat dingen heb gelogen. Het is ook weer niet waar dat alles is gelogen. Het zal misschien wel zijn dat ik onder druk wel een keer heb gelogen, maar echt niet alles. U vraagt mij of het de waarheid is dat meneer [slachtoffer] zich moest uitkleden. Dat is de waarheid. Het is ook de waarheid dat er een vuurwapen was.” Zij is daarbij naar het oordeel van het hof openhartig geweest over haar liegen, maar zij is wel bij haar verklaring gebleven dat [slachtoffer] zich moest uitkleden en dat er een wapen bij aanwezig was.

De verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 2] worden voorts ondersteund door de verklaring van [getuige 3] (pg. 169), zijnde de vader van [mededader] , dat zijn zoon tegen hem vertelde dat hij die man eerst zijn kleren uit had laten doen en hem toen in zijn nakie naar buiten had gewerkt en dat hij de kleren ergens in een afvalbak had gegooid.

Daartegenover staan de verklaringen van de verdachte en [mededader] , die alleen enige steun vinden in elkaar, maar waarbij ook opvalt dat verdachte aangeeft dat [slachtoffer] in de kast een onderbroek en sokken aan had, terwijl [mededader] slechts spreekt van een onderbroek.

Alles bezien en in het licht van de overige bewijsmiddelen hecht het hof meer waarde aan de verklaringen van [slachtoffer] en de getuige [getuige 2] dan aan de verklaringen van verdachte en zijn mededader. Het enkele feit dat [slachtoffer] en [getuige 2] in een onderzoek naar Marktplaatsoplichtingen niet geheel naar waarheid zouden hebben verklaard, wil naar het oordeel van het hof nog niet zeggen dat de verklaringen in de onderhavige zaak onbetrouwbaar zijn.

Het hof verwerpt het verweer.

B. Medeplegen

Voorts is aangevoerd dat van medeplegen geen sprake is nu de bewuste en nauwe samenwerking ontbreekt. Hetgeen [mededader] zonder plan of afstemming jegens [slachtoffer] heeft gedaan moet alleen voor zijn rekening blijven.

Feit 1

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het onder 1 bewezenverklaarde het volgende af.

De verdachte is samen met [mededader] de kamer van [getuige 2] in gegaan. [mededader] heeft toen een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getrokken en op [slachtoffer] gericht. Tegelijkertijd heeft verdachte [slachtoffer] te verstaan gegeven dat hij zijn kleding uit diende te trekken en kleding, geld en horloge diende af te geven. Gelet op de situatie zoals die uit de bewijsmiddelen blijkt kan het niet anders zijn dan dat de verdachte zich van het dreigen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bewust moet zijn geweest. Het slachtoffer heeft deze spullen aan de verdachte afgegeven.


Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [mededader] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Dat de verdachte daarbij zelf geen geweld heeft gebruikt doet daaraan niet af. Evenmin doet daaraan af dat een en ander mogelijk tevoren niet was afgesproken.

Door de verdediging is nog bepleit dat er geen sprake was van het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling met betrekking tot de kleding, omdat de verdachte geenszins van plan was deze goederen te behouden. Naar het oordeel van het hof is dit niet het enige criterium voor wederrechtelijk bevoordeling. Nog daargelaten welke bestemming de verdachten ten tijde van de afpersing voor de afgestane kleding in gedachten hadden, heeft de bevoordeling reeds plaatsgevonden op het moment dat verdachten de kleding feitelijk onder zich kregen en daarover als heer en meester konden beschikken. De bevoordeling kan er overigens ook in hebben bestaan dat [slachtoffer] door het uittrekken en afstaan van nagenoeg alle kleding zich in een kwetsbare positie ten opzichte van de verdachten zou bevinden, zodat hij zou doen wat de verdachten wilden.

Feit 3

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander bij het plegen van feit 1 aan [slachtoffer] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond. Derhalve kan de verdachte tevens worden aangemerkt als medepleger van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zoals onder feit 3 ten laste is gelegd. Van overige bedreigingen met een dergelijk voorwerp kan uit de bewijsmiddelen onvoldoende blijken.

Het verweer wordt verworpen.

De overige door de raadsman aangevoerde verweren met betrekking tot hetgeen bewezen is verklaard vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen en behoeven geen bespreking.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

de eendaadse samenloop van

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de daarop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft, samen met [mededader] , het slachtoffer afgeperst en daarbij het slachtoffer bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Door het handelen van de verdachte en [mededader] , waarbij [mededader] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op het slachtoffer heeft gericht kon de redelijke vrees bij het slachtoffer worden gewekt dat hij zou worden neergeschoten. Terwijl voornoemd voorwerp op het slachtoffer werd gericht, heeft de verdachte tegen het slachtoffer gezegd dat hij zijn kleren uit moest doen. Vervolgens is het slachtoffer, die nog slechts in een onderbroek en sokken was gekleed, de gang opgestuurd. De verdachte is achter hem aangegaan en heeft, ten overstaan van een medebewoner die op het tumult was afgekomen, het slachtoffer bevolen de trap af te gaan en even later heeft hij hem bevolen om in zijn onderbroek de straat op te gaan. Daarbij heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het handelen van de verdachte kan worden gekenschetst als buitengewoon vernederend voor het slachtoffer, hetgeen het hof hem hoogst kwalijk neemt.

Het hof houdt in het kader van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte voorts ten nadele van de verdachte bij de straftoemeting rekening met de omstandigheid dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 januari 2022 blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor andere strafbare feiten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf werden aangetroffen, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.280,94. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De vordering bestaat uit de volgende posten:

  • -

    Ontvreemde contanten € 500,00

  • -

    Ontvreemde zonnebril Armani (nieuwwaarde minus 25% afschrijving) € 176,25

  • -

    Ontvreemde jas Moose Knuckles (nieuwwaarde minus 25% afschrijving) € 884,69

  • -

    Immateriële schade (smartengeld) € 1.720,00

De vordering is door de verdediging integraal betwist. Er is verzocht om, indien er een bewezenverklaring volgt, de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces zou opleveren. Daartoe is met betrekking tot de diverse posten aangevoerd dat de omvang van de schade niet duidelijk is en door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. De hoogte van het geldbedrag wordt betwist, omdat in de aangifte wordt gesproken over een bedrag van ongeveer € 500,00. Omtrent de zonnebril en de jas wordt betwist dat het originele merkartikelen zijn geweest en dat de aankoopfacturen of ander bewijs ontbreken om dit aan te tonen. Ook de immateriële schade acht de verdediging onvoldoende onderbouwd.

De advocaat van de benadeelde partij, mr. M.P. de Klerk, heeft bij e-mailbericht van 19 mei 2022 te kennen gegeven niet naar de zitting te kunnen komen en geen reden te zien voor een aanhoudingsverzoek. Ter nadere toelichting heeft hij slechts verwezen naar de informatie die in het dossier aanwezig is.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde evident vernederende en angst veroorzakende handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is met betrekking tot het overige gedeelte van de immateriële schade van oordeel dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd. De door de benadeelde partij bij de vordering gevoegde voorbeeldzaken acht het hof niet voldoende vergelijkbaar met de onderhavige zaak. Om een goede schatting te kunnen maken of er meer immateriële schade is geleden dan hiervoor vermeld zou het onderzoek moeten worden geschorst om nadere inlichtingen van de benadeelde partij daarover te verkrijgen.

Ook met betrekking tot de materiële schade is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Door de verdediging zijn deze bedragen uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist. Het hof acht beantwoording van de vragen van de verdediging noodzakelijk om enige schatting van de omvang van de schade te kunnen maken. De toelichting van de advocaat van de benadeelde partij geeft geen antwoord op deze vragen, zodat het onderzoek daarvoor zou moeten worden geschorst.

Nu de advocaat van de benadeelde partij geen reden heeft gezien om de vordering ter terechtzitting toe te lichten, is het hof van oordeel dat voor de niet toegewezen gedeelte van de immateriële en materiële schade de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering voor wat betreft de materiële schade en de immateriële schade voor zover deze post een bedrag van € 500,- te boven gaat niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 500,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

5 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 285 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

4 gram hennep en 1 xtc pil.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2020 tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2020 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. A.J. Henzen en mr. A.C. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van C.M. Sweep, griffier,

en op 3 juni 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Henzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.