Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:1654

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-05-2022
Datum publicatie
01-06-2022
Zaaknummer
200.293.252_02
Formele relaties
Na prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2020:1542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Onteigeningsrecht. Onteigening ten behoeve van ontgronding. Verwijzing na cassatie (HR 2-10-2020, ECLI:NL:HR:2020:1542). Aanvullend advies deskundigen. Geen nieuwe deskundigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.293.252/02

arrest van 24 mei 2022

in de zaak van

Gemeente Bergen,

met zetel te Bergen (L),

eiseres,

hierna gezamenlijk aan te duiden als de Gemeente,

advocaat: mr. H. Zeilmaker te Arnhem,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats] ,

6. [gedaagde 6],
wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [gedaagden] ,

advocaat: mr. H.A. Bijkerk te Utrecht,

na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 2 oktober 2020 (nummer 19/02697) in het beroep in cassatie tussen de Gemeente als eiseres tot cassatie en [gedaagden] als verweerders in cassatie tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 17 april 2019 met zaaknummer C/03/240638 / HA ZA 17-500, gewezen tussen de Gemeente als eiseres en [gedaagden] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg en in cassatie

Het hof verwijst naar het hiervóór genoemde arrest van de Hoge Raad.

2 Het geding na verwijzing

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de memorie na verwijzing van de Gemeente, met producties 1 en 2

  • -

    de memorie van antwoord na verwijzing van [gedaagden]

  • -

    de mondelinge behandeling op 14 april 2022 en de spreekaantekeningen van partijen

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De feiten

3.1.

In dit hoger beroep neemt het hof tot uitgangspunt de feiten die de Hoge Raad heeft vermeld in onderdeel 2.2 van zijn arrest. Deze feiten zijn:

3.2.

[gedaagden] zijn ieder voor een zesde deel eigenaar geweest van het perceel kadastraal bekend als gemeente Bergen (L), sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer] , groot 03.19.90 ha (hierna: het perceel of het onteigende).

3.3.

Bij vonnis van 1 november 2017 van de rechtbank Limburg is ten name van de Gemeente de onteigening uitgesproken van het perceel. Dit vonnis is op 7 december 2017 ingeschreven in de openbare registers.

3.4.

De onteigening heeft plaatsgevonden ter uitvoering van het bestemmingsplan

'Maaspark Well, deel rivierverruiming'. Het plangebied wordt nagenoeg geheel ontgrond. Ook het perceel wordt ontgrond.

3.5.

Daarnaast staat vast dat de Gemeente voor het ontgronden een overeenkomst heeft gesloten met Kampergeul B.V. (hierna: Kampergeul).

4 De procedure in feitelijke instanties

4.1.

Het gaat in de onderhavige procedure nog om het vaststellen van de schadeloosstelling voor het ontnemen van het onteigende.

4.2.

De Commissie van Deskundigen heeft op 5 juli 2018 advies aan de rechtbank uitgebracht.

4.3.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de schadeloosstelling vastgesteld op

€ 315.703,-. De Gemeente is veroordeeld om dit bedrag, verminderd met een reeds betaald voorschot, aan [gedaagden] te betalen, met rente.

5 De procedure in cassatie

5.1.

De Gemeente is van het bestreden vonnis in cassatie gekomen.

5.2.

Bij zijn arrest van 2 oktober 2020 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

‘3.4 Onderdeel III klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het verweer van de Gemeente dat de deskundigen in hun berekening van de opbrengsten uit het onderhavige project zijn uitgegaan van 'gewassen grind' terwijl zij aan de kostenkant zijn uitgegaan van 'vuil grind', hetgeen inconsistent is en grote financiële consequenties heeft. Dit maakt het oordeel van de rechtbank (in rov. 2.12) dat zij de conclusies en daaraan ten grondslag liggende argumentatie van de deskundigen overneemt, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aldus het onderdeel.

3.5

De Gemeente heeft ten overstaan van de rechtbank betoogd dat de deskundigen in hun definitieve advies bij de berekening van de opbrengsten zijn uitgegaan van 'gewassen grind', terwijl zij bij de berekening van de kosten zijn uitgegaan van 'vuil grind'. Dat dit betoog van de Gemeente onjuist is, blijkt niet uit het deskundigenbericht of uit het vonnis van de rechtbank. Indien het betoog van de Gemeente juist is, heeft dat mogelijk gevolgen voor de waarde van het onteigende. De rechtbank had dan ook niet zonder op dit betoog van de Gemeente in te gaan, de waardebepaling door de deskundigen en de daaraan ten grondslag liggende argumenten tot de hare mogen maken. De hiervoor in 3.4 weergegeven klacht slaagt daarom.’

5.3.

De overige klachten zijn verworpen of met toepassing van art. 81 lid 1 RO buiten behandeling gelaten.

5.4.

Het bestreden vonnis is vernietigd en de zaak is ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof.

6 De beoordeling in hoger beroep na verwijzing

Het advies van de deskundigen

6.1.

De deskundigen hebben in hun advies onder meer het volgende vermeld:

‘Vanuit oogpunt van zorgvuldigheid kiezen deskundigen ervoor om zich in het onderhavige niet louter te verlaten op de comparatieve methode, maar tevens acht te slaan op de uitkomst van een 'gemengde benadering’, waarbij wordt gewerkt met een agrarische basiswaarde en een 'opslag' (die mede een basis vindt in een residuele berekening).

(…)

De agrarische (basis)waarde wordt door deskundigen thans begroot op EUR 6 per m2.

De residueel berekende opslag behoeft nu niet meer te worden gebaseerd op gegevens uit een ander project, nu de gemeente de exploitatiegegevens van Kampergeul heeft verstrekt. Die gegevens – waarin nog een groot aantal aannames zit, omdat wordt gewerkt met een lange periode van exploitatie en ontwikkeling – moeten met de nodige voorzichtigheid worden gehanteerd.

(…)

Bij toepassing van de residuele methode baseren deskundigen zich op de exploitatiecijfers van Sweco. Voor zover deze cijfers aannemelijk voor kwamen zijn ze overgenomen; voor zover deskundigen op een onderdeel tot een andere schatting kwamen zijn ze op dat onderdeel aangepast.

(…)

Opbrengsten winning (gespreid over 11 jaar) € 179.158.000

(…)

Totaal winkosten (gespreid 11 jaar) € 106.658.033

(…)

Deskundigen merken overigens op dat een residueel berekende grondwaarde niet noodzakelijkerwijs hoeft te zijn opgebouwd uit getallen zoals die zijn gerealiseerd of geprognosticeerd door Kampergeul. Ook hier gaat het uiteindelijk om het begroten van een prijs die een redelijk handelende koper zou overeenkomen met een redelijk handelende verkoper. Die partijen – met name de koper – zullen rekenen met zo realistisch mogelijke inschattingen, waarvoor de gegevens die Kampergeul – via de gemeente – heeft gedeeld met deskundigen zeker een nuttige indicatie vormen, maar die gegevens zijn dus niet `zaligmakend'.

(…)

Opbrengsten

Deskundigen gaan uit van een bedrag van EUR 179 MIO aan opbrengsten uit het project:

type delfstof: m3 sg ton EUR/ton

grind 4.234.100 1,70 7.197.970 € 9,50 € 68.380.715

(…)

Daarnaast gaan deskundigen uit van gewassen grind, waarmee niet is gezegd dat niet deels vuil grind (tegen lagere verwerkingskosten) kan worden verkocht. Dat is een vrije keuze van de redelijk handelend delfstoffenexploitant die deskundigen zich moeten voorstellen.

(…)

Kosten

(…)

De kosten die winningsgerelateerd (variabel) zijn, zijn de navolgende:

post C - dekgrond € 17.040.600

post E - toutvenant ontgraven € 69.554.098

Post F - uitvoering/begeleiding ca - 13 jaar € 4.503.200

Post G - bijdragen aan gemeenten € 11.631.664

post I - algemene kosten € 3.928.471

€ 106.658.033

(…)

Dit resulteert dan in een via de gemengde methode berekende werkelijke waarde van (EUR 6 plus EUR 5,20 maakt) EUR 11,20 per m2 in onverpachte staat.

(…)

Resumerend

Een en ander leidt - samenvattend - tot de navolgende observaties (ten aanzien van grond in onverpachte staat):

  • -

    De bandbreedte van de in het gebied gerealiseerde transacties ligt tussen EUR 7 en 16,45 per m2, waarbij onduidelijk is in welke mate de verkoper goed geïnformeerd was en in hoeverre bepaalde transacties 'het hele verhaal' vertellen.

  • -

    In 2012 begrootte de rechtbank de waarde van direct naast het onteigende gelegen gronden op 10 per m2. De binnen het complex gerealiseerde transactie Kessels/ Kampergeul zoekt daarbij aansluiting.

  • -

    In 2018 is in twee transacties voor grond in het Grensmaas-project (deelgebied Koeweide) een prijs overeengekomen van EUR 13,50 per m2.

  • -

    De exploitatiegegevens van het onderhavige project indiceren een waarde van (als optelsom van de comparatief begrote agrarische waarde en de residueel berekende opslag) circa EUR 11,20 per m2.

In het licht van deze observaties begroten deskundigen mede op basis van hun (in soortgelijke zaken als de onderhavige opgedane) ervaring en intuïtie de werkelijke waarde per peildatum in onverpachte staat op EUR 11,50 per m2.

Om daar de waarde in verpachte staat uit af te leiden, wordt de waarde weer verdeeld in de

agrarische waarde (EUR 6,00) en een delfstoffentoeslag (EUR 5,50). Op het deel `agrarische waarde' is enige pachtdruk van toepassing (en wel ca. 30%). Nu hier aan de orde is een begroting van grond in verpachte staat indiceert dat volgens deskundigen een waarde van (EUR 6,00 x 0,7 + EUR 5,50 =) EUR 9,70 per m2.’

6.2.

Uit het advies blijkt dat de deskundigen de waarde van het perceel hebben vastgesteld aan de hand van vier observaties. De vierde observatie betreft de ‘gemengde benadering’ op basis van een residuele berekening. De andere observaties betreffen de toepassing van de comparatieve methode, waarbij eerdere grondtransacties in aanmerking zijn genomen.

6.3.

Bij de residuele berekening zijn de deskundigen volgens hun advies voor het vaststellen van de opbrengsten uitgegaan van de verkoop van gewassen grind. Zij hebben daarbij vermeld dat ook deels vuil grind kan worden verkocht, tegen lagere verwerkingskosten. Hieruit blijkt reeds dat de deskundigen ervan uitgaan dat aan de verkoop van gewassen grind hogere verwerkingskosten zijn verbonden dan aan de verkoop van vuil grind.

6.4.

Voor het vaststellen van de kosten hebben de deskundigen het exploitatieoverzicht van Sweco tot uitgangspunt genomen. In de exploitatierekening van Sweco van 24 oktober 2017 is wat betreft het grind uitgegaan van de opbrengst van de verkoop van vuil grind

(brief van de Gemeente van 22 juni 2018, bijlage 3). De verwerkingskosten van het grind zijn in de exploitatierekening van Sweco niet afzonderlijk gespecificeerd. In een ‘Toelichting verkoopprijzen Teunesen zand en grind in kader van het project Maaspark Well’ van 22 juni 2018 heeft Kampergeul de winning en verkoop van vuil grind nader toegelicht (bijlage 4d bij de genoemde brief). In deze toelichting is vermeld dat de gemiddelde prijs voor vuil grind

€ 4,71 per ton is en dat de verwerkingkosten € 1,75 (per ton) bedragen (p. 1 en 4).

6.5.

In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling door de rechtbank is onder meer vermeld dat de deskundigen hebben verklaard:

‘De gemeente stelt dat wij schone grind verkopen, maar vuil grind produceren. De was- en

sorteringskosten zijn inderdaad niet teruggevonden, maar dat komt door de berekening van

Sweco. De klassering stond niet vermeld. Kampergeul had een andere keuze kunnen maken

in de wijze van winning.’

Het geding na verwijzing

6.6.

Uit het arrest van de Hoge Raad volgt in de eerste plaats dat in de residuele berekening niet bij de opbrengsten kan worden uitgegaan van gewassen grind als bij de kosten wordt uitgegaan van vuil grind. Verder volgt uit dit arrest dat het hof moet vaststellen of de deskundigen in hun advies inderdaad bij de berekening van de kosten zijn uitgegaan van gewassen grind en bij de berekening van de kosten van vuil grind, en indien dit het geval is, of en in hoeverre dit gevolgen heeft voor de waarde van het onteigende.

Gewassen of vuil grind

6.7.

Het hof stelt vast dat uit het advies (p. 25) blijkt dat de deskundigen in de residuele berekening inderdaad zijn uitgegaan van de opbrengst van gewassen grind. Gewassen grind is, zoals niet ter discussie staat, vuil grind dat is gewonnen, gewassen en gesorteerd.

6.8.

Voor de kosten zijn de deskundigen uitgegaan van de exploitatierekening van Sweco, zoals blijkt uit het advies en de daarin vermelde bedragen. Het ligt voor de hand dat Sweco in de exploitatierekening de kosten van het verwerken van vuil grind heeft opgenomen en niet die van het wassen en sorteren daarvan, omdat Sweco in de exploitatierekening ook de opbrengst van vuil grind heeft vermeld en uit de stukken is op te maken dat dit aansloot bij de verwachte, werkelijke situatie. Sweco heeft de kosten van het verwerken van het grind echter niet afzonderlijk gespecificeerd, zodat dit niet buiten elke twijfel is aan te nemen. Dit punt moet dus nader worden onderzocht.

6.9.

Indien in de exploitatierekening van Sweco de kosten van het winnen en verkopen van vuil grind zijn opgenomen, zonder het wassen en sorteren van dit grind, moet de vraag worden beantwoord of in de residuele berekening bij het begroten van opbrengsten en kosten moet worden uitgegaan van gewassen grind of vuil grind. Het hof ziet geen aanleiding om deze vraag voor advies aan deskundigen voor te leggen, om de volgende redenen.

6.10.

De Gemeente heeft in de memorie na verwijzing over het onderhavige project onder meer aangevoerd:

‘15. Bij een ontgrondingsproject als dit, te weten een industriezandwinning, wordt eerst de deklaag afgegraven. Daarna kan de feitelijke ontgronding beginnen. Die gaat als volgt.

Een zandzuiger haalt op variërende dieptes het te winnen zandpakket als onbewerkt bodemmateriaal, het zogenaamde 'toutvenant', naar boven. De zandzuiger pompt het toutvenant met veel water naar de drijvende zandklasseerinstallatie. In deze installatie wordt het toutvenant vervolgens geklasseerd door het te zeven. Fracties vermarktbaar materiaal kleiner dan 5,6 millimeter in doorsnee worden als industriezand gekwalificeerd, daarboven is sprake van grind.

Vanzelfsprekend is het niet alleen puur zand en grind dat door de zuiger wordt aangezogen. Al wat zich in de te winnen bodemlaag bevindt wordt opgezogen. Dat betekent dat bijvoorbeeld ook houtresten, klei en grote stenen worden opgezogen. Dergelijke bestanddelen kunnen uiteraard niet worden vermarkt/verkocht en worden afgevoerd.

16. De schifting tussen materiaal dat groter dan wel kleiner is dan 5,6 millimeter is onvoldoende om een te verkopen product te produceren. Zowel voor zand als voor grind geldt dat klassering nodig is om een gereed eindproduct te kunnen verkopen. Fijn zand heeft heel andere toepassingen dan grof zand.

17. Het klasseren van zand vindt plaats in een 'zandklasseerinstallatie', die de fracties kleiner dan 5,6 millimeter verder uitsplitst in verschillende fracties.

Voor het wassen en klasseren van grind is een grindklasseerinstallatie nodig, die gespecialiseerd is in het klasseren van grotere fracties (vanaf 5,6 millimeter of zelfs 32 mm).

18. In de praktijk wordt binnen een rivierproject (dus een project met een drijvende installatie) in Nederland vrijwel altijd óf alleen zand geklasseerd óf alleen grind. Dat houdt verband met de bodemsamenstelling langs de grote rivieren, waar de zand- en grindwinningsprojecten gelegen zijn. Waar vooral zand in de bodem zit is het, vanwege de tijdsdruk en gebrek aan ruimte, niet efficiënt om het grind te klasseren. Het is dan efficiënter om te werken met een (grote) zandklasseerinstallatie, en het vrijkomende vuile grind (> 5,6 mm) direct af te zeven en af te voeren. Daarbij moet bedacht worden dat het hier gaat om een zogenaamd 'nat' project met een drijvende klasseerinstallatie en weinig depotruimte. Dat is anders bij een zogenaamde 'droge' winning, waarbij zowel een zand- als een grindklasseerinstallatie kunnen worden ingezet.

In Nederland geldt dat grind vooral langs het zuidelijke deel van de Maas wordt aangetroffen. Ten noorden van ongeveer Roermond zit er vooral zand in de grond (vandaar de wijdverbreide naam 'Zandmaas').

19. Om bovenstaande redenen (één drijvende installatie, tijdsdruk, geen fysieke ruimte voor tweede installatie, geen fysieke ruimte voor een vuil grinddepot, maar ook niet economisch interessant vanwege geringe hoeveelheid grind) wordt in dit project (alleen) een zandklasseerinstallatie gebruikt. Bergen ligt immers ver ten noorden van Roermond. De verhouding zand/ grind is ongeveer 80/20.’

6.11.

Een redelijk handelende verkoper en koper zullen – in de woorden van de deskundigen (advies, p. 23) – rekenen met zo realistisch mogelijke inschattingen. Uit hetgeen de Gemeente heeft aangevoerd, volgt dat bij deze ontgronding het verkopen van gewassen en gesorteerd grind feitelijk onmogelijk of ondoenlijk is, althans in elk geval ongebruikelijk. Indien dit juist is, lijkt te mogen worden aangenomen dat een redelijk handelende verkoper en koper bij een veronderstelde verkoop in het vrije commerciële verkeer bij het bepalen van de verkoopprijs zouden zijn uitgegaan van de verkoop van vuil grind, en rekening zouden hebben gehouden met de opbrengsten en kosten daarvan. In dat geval ligt het in de rede om in de residuele berekening van de opbrengsten van de verkoop van vuil grind en de kosten van het winnen en verkopen van vuil grind uit te gaan. Ook op dit onderdeel is nader advies van deskundigen nodig.

Aanpassen residuele berekening

6.12.

Wat de opbrengsten van de verkoop en de kosten van het winnen van vuil grind zijn, behoort nader te worden onderzocht. De Gemeente stelt aan de hand van informatie van Kampergeul dat de opbrengst € 4,71 per ton is en de kosten € 1,75 per ton zijn. Uit deze informatie valt op te maken dat dit de werkelijke situatie betreft. Daarmee is nog niet gezegd dat de werkelijke situatie bij de residuele berekening zonder meer volledig in aanmerking mag worden genomen. Advies door deskundigen is op dit punt nodig.

6.13.

In het geval uit het advies van deskundigen toch mocht blijken dat van de opbrengst van gewassen en gesorteerd grind moet worden uitgegaan, behoren de kosten daarvan te worden onderzocht en in aanmerking te worden genomen.

6.14.

De conclusie is dat de residuele berekening moet worden aangepast als Sweco in haar exploitatierekening is – en de deskundigen dus in hun advies zijn – uitgegaan van de kosten van het winnen en verkopen van vuil grind, en niet van gewassen en gesorteerd grind. Dit raakt de vierde observatie van de deskundigen.

Gevolgen voor de waarde van het onteigende

6.15.

Deze vierde observatie is onderdeel van de observaties die de deskundigen met elkaar hebben verzoend om de waarde van het onteigende te bepalen. Het is niet aannemelijk dat een aanpassing van de vierde observatie geen gevolgen heeft voor de uitkomst van de verzoening. De deskundigen hebben in hun advies immers vermeld (p. 12) dat zij zich vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid niet louter verlaten op de comparatieve methode – en dus op de andere observaties – maar tevens acht slaan op de uitkomst van de gemengde benadering, te weten de agrarische basiswaarde en een opslag (die mede een basis vindt in een residuele berekening). Bovendien heeft, zoals de Gemeente in herinnering heeft geroepen, een eerdere, relatief bescheiden aanpassing van de residuele berekening en het resultaat daarvan geleid tot het neerwaarts bijstellen van de uitkomst van de verzoening.

6.16.

Welke gevolgen een aanpassing van het resultaat van de residuele berekening heeft voor de verzoening, hangt af van het gewicht dat toekomt aan de vierde observatie in het licht van de overige observaties. Daarover zullen deskundigen advies moeten uitbrengen.

In elk geval is het niet zonder meer zo dat, zoals de Gemeente lijkt te veronderstellen, door een aanpassing van de residuele berekening de andere observaties een ander gewicht krijgen. Zelfs als nu zou blijken dat in 2012 de waarde van de nabij gelegen gronden is vastgesteld op basis van (deels) onjuiste aannames (de tweede observatie), blijft het een gegeven dat toen die waarde is vastgesteld en dat in latere jaren een redelijk handelende verkoper en koper daarmee mogelijk rekening zullen houden.

Advies deskundigen

6.17.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het hof het advies van deskundigen nodig heeft. De Gemeente bepleit het benoemen van andere deskundigen, [gedaagden] wensen dat de deskundigen om aanvullend advies wordt gevraagd.

6.18.

Het ligt voor de hand dat de deskundigen wordt gevraagd om aanvullend advies.

Zij hebben de residuele berekening gemaakt en het resultaat in de vierde observatie verwerkt, en deze vierde observatie vervolgens verzoend met de andere observaties. Aangenomen mag worden dat zij als geen ander kunnen aangeven en toelichten hoe de residuele berekening moet worden aangepast en welk gewicht de vierde observatie toekomt, in het licht van verzoening met de andere observaties.

6.19.

Het hof begrijpt dat de Gemeente ervoor beducht is dat de deskundigen bewust of onbewust de neiging zullen hebben om zoveel mogelijk vast te houden aan hun eerdere advies. Het gaat echter om een aanpassing op een beperkt onderdeel van dat advies, dat verband houdt met de in aanmerking te nemen opbrengsten en kosten van één bodembestanddeel. De speelruimte die de deskundigen daarbij hebben, is begrensd door hetgeen het hof in dit arrest heeft overwogen, terwijl de deskundigen bovendien zijn gehouden om in een aanvullend advies hun nadere keuzes te verantwoorden en inzicht te geven in hun gedachtegang. In hetgeen de deskundigen volgens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling door de rechtbank hebben verklaard, leest het hof ook niet de wil om tegen beter weten in vast te houden aan een eenmaal gegeven advies, maar een uitleg over hoe tot dat advies is gekomen. Mede in aanmerking genomen de professionaliteit en deskundigheid die bij deze deskundigen mag worden verondersteld, ziet het hof onder deze omstandigheden geen aanleiding voor het benoemen van andere deskundigen.

6.20.

Het aanvullende advies van de deskundigen betreft de volgende onderwerpen en vragen:

I. EXPLOITATIEREKENING SWECO

1. Is in de exploitatierekening van Sweco, die in het advies is gebruikt om de winningsgerelateerde kosten te bepalen (p. 28), uitgegaan van de kosten van het winnen en verkopen van vuil grind, dus zonder wassen en sorteren?

Indien dit het geval is, behoort de residuele berekening te worden aangepast. In dat verband verzoekt het hof de volgende vragen te beantwoorden:

II. VUIL GRIND OF GEWASSEN EN GESORTEERD GRIND

2. Is het juist dat bij deze ontgronding het verkopen van gewassen en gesorteerd grind feitelijk onmogelijk of ondoenlijk is, althans in elk geval ongebruikelijk?

3. Indien dit juist is, volgt daaruit dat een redelijk handelende koper en verkoper bij een veronderstelde verkoop in het vrije commerciële verkeer bij het bepalen van de verkoopprijs zouden zijn uitgegaan van de verkoop van vuil grind, en rekening zouden hebben gehouden met de opbrengsten en kosten daarvan?

4. Indien dit niet juist is, waarvan zouden een redelijk handelende koper en verkoper bij een veronderstelde verkoop in het vrije commerciële verkeer bij het bepalen van de verkoopprijs dan zijn uitgegaan? Kunt u dit toelichten?

III. OPBRENGSTEN EN KOSTEN

5. Wat zijn de opbrengsten van de verkoop van vuil grind, in plaats van de opbrengsten van de verkoop van gewassen en gesorteerd grind?

6. Wat zijn de kosten van het winnen en verkopen van vuil grind?

7. Wat zijn de kosten van het wassen en sorteren van vuil grind, in het geval van de verkoop van gewassen en gesorteerd grind moet worden uitgegaan?

IV. RESIDUELE BEREKENING EN OBSERVATIES

8. Wat is de uitkomst van de residuele berekening indien met de opbrengsten en kosten van ofwel vuil grind ofwel gewassen en gesorteerd grind rekening wordt gehouden?

9. Als de residueel berekende opslag wijzigt, en daarmee de vierde observatie, geeft dit aanleiding tot nadere beschouwingen over het gewicht of de betekenis van de andere observaties?

10. Wat is de uitkomst van de verzoening van de vier observaties, bij het wijzigen van de vierde observatie door het wijzigen van de residueel berekende opslag?

11. Wat is de totale schadeloosstelling bij het wijzigen van de uitkomst van de verzoening van de vier observaties?

6.21.

De deskundigen zijn reeds benoemd om in deze zaak de schade te begroten. Het hof hoeft hen daarom niet opnieuw te benoemen.

Oer

6.22.

Voor het eerst bij de mondelinge behandeling na verwijzing door de Hoge Raad, zonder voorafgaande aankondiging aan het hof of [gedaagden] , en zonder documentatie, heeft de Gemeente aangevoerd dat in de bodem van het onteigende (ijzer)oer is aangetroffen. Volgens de Gemeente leidt dit tot ruim € 1.500.000,- aan extra kosten, die niet zijn voorzien in de exploitatierekening. De Gemeente stelt dat het gaat om een situatie die vergelijkbaar is met bodemverontreiniging, welke op de peildatum aanwezig was, maar na de peildatum is ontdekt, zodat moet worden onderzocht of en in hoeverre een redelijk handelend verkoper en koper dit in de verkoopprijs zouden hebben verdisconteerd.

6.23.

Het is bij de mondelinge behandeling gebleken dat de aanwezigheid van oer al in 2019 is geconstateerd. Er is geen afdoende verklaring ervoor gegeven dat de Gemeente dit vervolgens voor het eerst bij de mondelinge behandeling na verwijzing door de Hoge Raad aan de orde stelt, zonder in elk geval [gedaagden] vooraf daarover te hebben geïnformeerd en zonder enige documentatie over te leggen. Een dergelijke handelwijze acht het hof niet in overeenstemming met de eisen van de goede procesorde. Bovendien is het geschil na verwijzing beperkt tot de kwestie van het grind. Gesteld noch gebleken is dat de aanwezigheid van oer daarop van invloed is. Onder deze omstandigheden laat het hof de stellingen van de Gemeente over de aanwezigheid van oer buiten beschouwing.

Vervolg van de procedure

6.24.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan. De zaak wordt verwezen naar de rol, in afwachting van het aanvullende advies van de deskundigen.

7 De uitspraak

Het hof:

7.1.

draagt de deskundigen prof. mr. J.A.M.A. Sluysmans, mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en drs. P.C. van Arnhem op om in aanvulling op hun definitieve advies van 5 juli 2018 de onder 6.20 geformuleerde vragen te beantwoorden;

7.2.

bepaalt dat de deskundigen het aanvullende advies in concept toezenden aan partijen en partijen de gelegenheid geven daarop binnen vier weken te reageren, en dat de deskundigen in het definitieve aanvullende advies de reacties van partijen gemotiveerd behoren te bespreken;

7.3.

bepaalt dat uit het definitieve aanvullende advies van de deskundigen moet blijken of aan het voorschrift van 7.2 is voldaan, onder vermelding van de reacties van partijen op het concept van het aanvullende advies;

7.4.

bepaalt dat de deskundigen uiterlijk vier maanden na heden het definitieve aanvullende advies ter griffie van het hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) zullen inleveren, onder verzending van een afschrift aan de advocaten van partijen;

7.5.

benoemt mr. W.J.J. Los tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundigen zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof) kunnen wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

5.7.

verwijst de zaak naar de rol van 27 september 2022 in afwachting van het advies van de deskundigen;

7.6.

verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenrapport naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenadvies aan de zijde van de Gemeente;

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, L.S. Frakes en J.K.B. van Daalen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 mei 2022.

griffier rolraadsheer