Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:1598

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-05-2022
Datum publicatie
03-06-2022
Zaaknummer
200.307.615_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beëindiging van de ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 19 mei 2022

Zaaknummer : 200.307.615/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/391844 / JE RK 21-2362

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. G.A.P. Avontuur,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,

hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat voorheen: mr. A.G. van Tilburg-Keesmaat, thans geen advocaat.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 december 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 maart 2022, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - met ingang van 30 november 2021 te bepalen dat het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling over de kinderen voor de duur van een jaar wordt afgewezen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ontvangen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 april 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Avontuur;

  • -

    de moeder;

  • -

    [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI.

2.3.1.

De raad heeft bij brief van 24 maart 2022 bericht niet tijdens de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft via het ‘formulier bij Kindgesprek’ aan het hof bericht van deze gelegenheid geen gebruik te willen maken.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 17 maart 2022.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

3.2.

De kinderen staan sinds 30 november 2020 onder toezicht van de GI.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met ingang van 30 december 2021 tot
30 november 2022.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert - samengevat - het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd voor de duur van 1 jaar.

Los van de vraag of er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen dient een verlenging van de ondertoezichtstelling geen enkel doel meer. De bedreiging bestaat met name uit het geringe contact tussen de vader en de kinderen. De moeder heeft begin 2020 eigenmachtig de zorgregeling gewijzigd. Ouders hadden afgesproken dat er co-ouderschap zou zijn toen de moeder een verzoek indiende voor een beperkte contactregeling. De vader zag zich genoodzaakt een kort geding tot nakoming van de afgesproken regeling te starten, in welke procedure de moeder op straffe van dwangsommen werd veroordeeld tot nakoming.

De Raad voor de Kinderbescherming is naar aanleiding van deze procedure een onderzoek gestart. De Raad was van mening (rapport 28 oktober 2020) dat de co-ouderschapsregeling moest worden voortgezet. Er is vervolgens een ondertoezichtstelling uitgesproken.

Gedurende elf maanden heeft de GI geen uitvoering gegeven aan de ondertoezichtstelling en geen regie gevoerd. Er is nooit een plan van aanpak gemaakt. Pas toen een verlenging aan de orde was bleken er twee nieuwe gezinsvoogden te zijn aangetreden. Intussen had de moeder de contactregeling tussen de vader en de kinderen gemarginaliseerd, wat overigens niet leidde tot een verbetering in de situatie van de kinderen.

De vader heeft geen enkel vertrouwen meer in de GI of de hulpverlening. Hij wordt door de instanties onvoldoende en in een te laat stadium bij de hulpverlening voor de kinderen betrokken, namelijk pas nadat de hulpverlening, zoals Dvrse , van start is gegaan. Het ontbreekt de hulpverleners bovendien aan moed om krachtig bij te sturen en het tijdsverloop werkt steeds verder in het nadeel van vader maar ook van de kinderen. De vader heeft zich hierbij neergelegd en hij wil dat de kinderen zich niet langer klem gezet voelen. De kinderen zijn bij hem altijd welkom maar de vader wil geen strijd meer aangaan; niet met de moeder en niet met de GI.

Sinds de vader zich verder heeft teruggetrokken heeft hij weer meer contact met [minderjarige 1] ; de vader is daar blij mee. Dat is voor hem een bevestiging dat de ondertoezichtstelling niet het beoogde doel bewerkstelligt.

De vader heeft geen enkele verwachting dat de communicatieproblemen tussen de ouders binnen het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling opgelost gaan worden.

3.6.

De moeder voert - samengevat - het volgende aan.

De ondertoezichtstelling is wel degelijk zinvol. Er is continu hulp voor de kinderen ingezet, zoals Dvrse voor [minderjarige 1] , PMT en De Gezinsmanager .

Er zijn grote stappen gezet. Zo gaat [minderjarige 1] weer volledig naar school en gaan beide kinderen met plezier naar hun vader. De kinderen zitten goed in hun vel.

De moeder is destijds gestopt met het SCHIP-traject, omdat het steeds over het verleden ging, terwijl de moeder zich wilde richten op de toekomst. Dit bracht bij de moeder een hoop teweeg en zij ging zich hierdoor steeds slechter voelen. Haar psycholoog zag ook dat de hulpverlening bij de moeder meer schade aanbracht dan dat het goed deed. Daarom heeft zij het Schip-traject beëindigd.

Vanaf het moment dat de ouders uit elkaar zijn gegaan hebben zij hulp ingeschakeld voor de kinderen. Zo is het CJG ook bij de kinderen betrokken geweest en is bijvoorbeeld ook Sport en Spel ingezet.

Het is niet gelukt om de co-ouderschapregeling na te komen, omdat de kinderen veel verzet vertoonden. Ze bleven op hun kamer, sloten zich op op het toilet en ze moesten veel huilen. De moeder heeft er toen voor gekozen om de kinderen alleen op de zondag te laten gaan. Aanvankelijk verbleef [minderjarige 2] ook op maandag en dinsdag bij de vader, totdat ze meer nachtmerries kreeg. De moeder heeft nooit achter een co-ouderschapsregeling gestaan. Bovendien bleek de regeling in de praktijk niet te werken.

De vader hanteert een andere opvoedstijl. De ouders zijn niet in staat om met elkaar te communiceren, terwijl het van belang is dat er duidelijke schriftelijke afspraken worden gemaakt. [minderjarige 1] gaat nu naar de vader wanneer het hem uitkomt, maar dit is voor de moeder niet werkbaar. De ondertoezichtstelling dient derhalve te worden verlengd.

3.7.

De GI voert - kort samengevat - het volgende aan.

Het is juist dat de GI enige tijd weinig tot geen regie heeft gevoerd. De GI heeft hiervoor naar de vader (en de moeder) excuses gemaakt. Er is echter wel de nodige hulpverlening ingezet, zoals Dvrse , PMT en tot voor kort De Gezinsmanager . Het is bovendien niet juist dat de vader geen kennis heeft gemaakt met Dvrse . Voor de inzet van de noodzakelijke hulpverlening heeft de GI echter geen toestemming vooraf van een gezaghebbende ouder nodig.

Er zijn binnen de ondertoezichtstelling voor de kinderen grote stappen gezet. Dit heeft ertoe geleid dat de kinderen het momenteel goed doen. De GI wil nu inzetten op het meer weerbaar maken van de kinderen teneinde hen in staat te stellen om beter met de situatie, zoals deze is, om te kunnen gaan. De kinderen geven zelf ook aan het fijn te vinden om gesprekken met de jeugdzorgwerkers te voeren. Verder ligt er nog een taak voor de GI op het gebied van de oudercommunicatie. Dit is lastig, omdat de vader niet met de GI wenst samen te werken. Vanwege hun persoonlijke problematiek zijn de ouders niet in staat om met elkaar te communiceren. Indien het niet lukt om met de ouders gezamenlijk om de tafel te gaan is de GI voornemens een ouderschapsplan op te stellen waarmee beide ouders kunnen leven. De ouders kunnen dit tekenen of desnoods door de rechtbank laten toetsen. Hierin kunnen afspraken worden vastgelegd over de voorwaarden van het onderling contact (vorm, frequentie) of over de verdere invulling van de contactregeling, zoals ten aanzien van de vakanties. De GI acht het ook denkbaar dat een beslissing over het gezag hierin wordt meegenomen.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

  2. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.2.

Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.3.

Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de kinderen nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd.

Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is verklaard blijkt dat de kinderen al bij aanvang van de ondertoezichtstelling tussen de ouders klem zaten en dat zij veel last hadden van spanningen. Het lukte de ouders niet om voldoende rust en duidelijkheid voor de kinderen te creëren. De kinderen oogden somber en depressief en zij hadden veel last van vermoeidheid. Dit heeft er bij [minderjarige 1] toe geleid dat hij op een gegeven moment volledig thuis kwam te zitten en niet meer naar school, sport of scouting ging.

Daar kwam bij dat de moeder al kort na de door partijen overeengekomen ouderschapsregeling geen uitvoering gaf aan de co-ouderschapsregeling. Bovendien gaf de GI vanwege capaciteitsproblemen geen althans onvoldoende uitvoering aan de ondertoezichtstelling. In deze omstandigheden gingen de kinderen vervolgens steeds minder naar de vader en werd het contact tussen [minderjarige 1] en de vader op een gegeven moment zelfs helemaal beëindigd.

De vader heeft zich uiteindelijk genoodzaakt gevoeld een stap terug te doen en in zoverre zijn eigen belangen aan de kant te zetten om de noodzakelijke rust voor de kinderen te creëren. De inzet van hulpverlening, zoals speltherapie, PMT en Dvrse heeft er inmiddels wel toe geleid dat het met de kinderen wat beter gaat. [minderjarige 1] gaat weer volledig naar school en ook [minderjarige 2] zit beter in haar vel. Echter, daarmee is de ontwikkelingsdreiging niet gekeerd.

3.8.4.

Er zijn nog steeds ernstige zorgen. Het is voor de kinderen nog steeds niet mogelijk om met beide ouders onbelast contact te hebben en met beide ouders een volwaardige, goede relatie op te bouwen. De moeder lijkt, gelet op de gedragingen in het verleden, ook tijdens de ondertoezichtstelling en gelet op hetgeen is verklaard tijdens de mondelinge behandeling, niet in staat of bereid om het contact tussen de kinderen en de vader daadwerkelijk te ondersteunen. Daarnaast zijn de ouders niet in staat tot een minimale vorm van samenwerking en communicatie om zodoende een situatie te creëren waarbij de kinderen niet worden belast met de problemen die zich op ouderniveau voordoen.

Het hof heeft er geen vertrouwen in dat de verlenging van de ondertoezichtstelling hierin verandering zal brengen. Immers, bij beide ouders bestaat onvoldoende bereidheid om binnen het gedwongen kader aan hun communicatieproblemen te werken. Dit heeft ertoe geleid dat het traject bij De Gezinsmanager voortijdig is beëindigd. De moeder heeft geen bereidheid om met de vader in één ruimte te zijn en hem in de ogen te kijken. Bij de vader ontbreekt het vertrouwen en daardoor ook de bereidheid om de samenwerking met de GI aan te gaan, aangezien de GI de oorzaak van de ontwikkelingsbedreiging grotendeels bij de vader lijkt te leggen.

Daarbij wordt verder in overweging genomen dat de GI gedurende de ondertoezichtstelling onvoldoende invulling heeft gegeven aan de maatregel en thans onvoldoende concreet heeft onderbouwd hoe zij deze impasse denkt te doorbreken. Het is in het geheel niet duidelijk geworden welke concrete plannen en doelen er zijn om de ontwikkelingsbedreiging die bij de kinderen nog aanwezig is, weg te nemen. De min of meer algemeen geformuleerde opmerking dat men er op zal gaan inzetten is daartoe, gegeven de concrete omstandigheden van dit geval, onvoldoende. Voor zover er hulpverlening voor de kinderen is ingezet, is bovendien gebleken dat hierop onvoldoende regie is gevoerd. Dit alles klemt te meer, nu het tijdsverloop ertoe heeft geleid dat de rol van de vader gedurende de ondertoezichtstelling nog verder is gemarginaliseerd en de ondertoezichtstelling in zoverre contraproductief heeft gewerkt. De GI lijkt onvoldoende oog te hebben voor de positie van de vader. Zelfs indien moet worden vastgesteld dat de GI, anders dan de vader ervaart, de vader wel voldoende ziet en bij de in te zetten hulpverlening betrekt, dan ligt het op de weg van de GI, gegeven de omstandigheden waarin de GI langdurig geen invulling heeft gegeven aan haar rol en verantwoordelijkheid, actief te werken aan het herstel van vertrouwen bij de vader. Het had op de weg van de GI gelegen om in dit kader passende en concrete maatregelen te nemen.

Voor zover de GI heeft aangevoerd nog een ouderschapsplan te willen opstellen, kan het hof de GI hierin niet volgen. Er zijn op dit moment immers geen concrete geschillen meer over de contacten. Bovendien is het, zeker voor het onder de regie van de GI opstellen van een dergelijk plan, noodzakelijk dat beide ouders een gelijkwaardige uitgangspositie kunnen innemen. Het hof heeft op grond van het voorgaande en het verhandelde ter mondelinge behandeling onvoldoende vertrouwen gekregen dat de GI dit op dit moment zal weten te realiseren.

3.9.

Dit alles maakt dat het hof van oordeel is dat, alhoewel een ontwikkelingsdreiging nog steeds aanwezig is, een voortzetting en verlenging van de ondertoezichtstelling niet langer zinvol is. Het hof geeft beide ouders uitdrukkelijk in overweging deze overwegingen goed tot zich te nemen. Het is in het belang van de kinderen dat beide ouders, derhalve ook de moeder, zich daadwerkelijk openstellen voor een goed contact met de andere ouder. Zij dienen zich hiertoe met hulpverlening in het vrijwillig kader te blijven inzetten en dienen zich te realiseren dat, indien zij hiertoe niet overgaan, alsnog een dwingend kader noodzakelijk zal blijken.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het inleidende verzoek van de GI alsnog dient te worden afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 december 2021,

en opnieuw recht doende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en M.A. Ossentjuk en is op 19 mei 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

[x]