Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:1589

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-05-2022
Datum publicatie
24-05-2022
Zaaknummer
200.306.885_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 19 mei 2022

Zaaknummer : 200.306.885/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/373547 / FA RK 21-3616

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G. Demir,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats].

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader), advocaat: voorheen mr. K.C.A. Ariëns, thans zonder advocaat;

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling);

- [pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 december 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 februari 2022, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking (naar het hof begrijpt: gedeeltelijk) te vernietigen en te bepalen dat de moeder belast blijft met het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige].

2.2.

Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 25 maart 2022, heeft de raad verzocht het hoger beroep van de moeder als ongegrond en onbewezen af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Demir;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2];

- de pleegouders.

De raad is niet op de mondelinge behandeling verschenen. De raad heeft bij brief van 14 april 2022 verzocht om de mondelinge behandeling uit te stellen, omdat er door ziekte geen zittingsvertegenwoordiger van de raad beschikbaar is.

Gelet op het belang van een voortvarende rechtspleging heeft het hof beslist dat de mondelinge behandeling op 15 april 2022 doorgaat.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is [minderjarige] geboren.

Tot aan de datum van de bestreden beschikking oefenden de moeder en de vader gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] heeft drie jongere zusjes, genaamd [zus 1], [zus 2] en [zus 3].

3.2.

Bij beschikking van 24 maart 2017 zijn [minderjarige] en haar zusjes voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden. Bij beschikking van 6 april 2017 zijn de [minderjarige] en haar zusjes onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van één jaar. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 maart 2022.

3.3.

Sinds 10 maart 2020 zijn [minderjarige] en haar zusjes met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.

[minderjarige] verblijft sinds juni 2020 met haar zusje [zus 1] in een perspectief biedend pleeggezin.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder en de vader over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogdes over haar benoemd.

3.5.

De moeder kan zich met deze beschikking op het punt van de beëindiging van haar gezag niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Standpunten

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aan.

Er is niet voldaan aan de wettelijke gronden om het gezag van de moeder te beëindigen. Het verzoek van de raad is voorbarig. Het staat namelijk niet vast dat de aanvaardbare termijn is verstreken. [minderjarige] is pas sinds 10 maart 2020 uithuisgeplaatst en zij is nog niet zo heel lang geleden aan haar therapie begonnen. De moeder heeft nog een weg te gaan, maar zij werkt met hulpverlening intensief aan zichzelf en de kans op terugplaatsing van [minderjarige] is reëel. De moeder wordt begeleid door Stichting [stichting]. Zij heeft twee maal per week een gesprek. De moeder wordt ook behandeld voor haar trauma. Daarnaast werkt de moeder aan haar financiële huishouding.

Verder maakt een gezagsbeëindiging inbreuk op het door artikel 8 EVRM beschermde recht op gezinsleven van de moeder. Uit rechtspraak van het EHRM blijkt dat als maatstaf voor een gezagsbeëindiging geldt dat voortzetting van het gezag van een ouder schadelijk is voor de minderjarige. Aan deze maatstaf wordt in deze zaak niet voldaan.

Op dit moment is de moeder niet in staat om voor [minderjarige] te zorgen. Zij is het ermee eens dat [minderjarige] in een pleeggezin woont. De moeder heeft [minderjarige] altijd duidelijkheid over haar opvoedingsperspectief gegeven.

De moeder is betrokken bij [minderjarige] en zij wil in staat worden gesteld om gezagsbeslissingen over haar te nemen. Beëindiging van het gezag van de moeder is niet noodzakelijk. [minderjarige] krijgt niets mee van de kwestie van het gezag. De moeder heeft altijd meegewerkt met de hulpverlening en met het pleeggezin. Plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin is daarom ook mogelijk in een vrijwillig kader. De stelling van de GI dat [minderjarige] een terugval krijgt in haar ontwikkeling als de moeder haar gezag behoudt, is niet onderbouwd.

De moeder heeft wel meegewerkt aan het opmaken van het traumaverwerkingsverhaal van [minderjarige], maar zij is er emotioneel niet toe in staat om bij de bespreking van dit verhaal met [minderjarige], aan te sluiten.

Omdat [minderjarige] het graag wil, staat de moeder toe dat [minderjarige] de vader ontmoet. De moeder heeft er echter weinig vertrouwen in dat dit contact veilig zal zijn voor [minderjarige].

3.7.

De raad voert in het verweerschrift - samengevat - het volgende aan.

[minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd door wat zij in de thuissituatie aan huiselijk geweld heeft meegemaakt. Sinds [minderjarige] uit huis is geplaatst laat zij groei zien. De aanvaardbare termijn is verstreken. De raad ziet op dit moment geen mogelijkheden bij de moeder om zelf de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De moeder is niet stabiel genoeg en onduidelijk is of en zo ja wanneer de moeder wel in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. [minderjarige] kan niet langer in onzekerheid verkeren over haar opvoedperspectief.

De moeder werkt niet volledig mee met de hulpverlening. Zo is zij wisselend aanwezig bij zorgoverleggen en evaluatiegesprekken.

3.8.

De GI brengt tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende naar voren.

De GI bepleit bekrachtiging van de bestreden beschikking. [minderjarige] is in de thuissituatie bij de vader en de moeder blootgesteld aan huiselijk geweld en zij is hierdoor ernstig beschadigd. [minderjarige] krijgt speltherapie.

Er is veel overleg nodig met de instanties die bij [minderjarige] betrokken zijn. De moeder is hiertoe niet in staat.

Het is voor de GI moeilijk om met de moeder in contact te komen. De GI ziet bij de moeder wel een grote inzet om het goed te doen voor de kinderen.

[minderjarige] wil graag contact met de vader. Dit is ook in het belang van het welslagen van haar therapie. De GI is doende om een veilig contact tussen [minderjarige] en de vader onder begeleiding van een professional te organiseren. De GI heeft geprobeerd om hierover met de moeder contact te hebben, maar dit is niet gelukt.

3.9.

De pleegouders hebben tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende verklaard.

Het gaat goed met [minderjarige]. Zij is in september/oktober 2020 gestart met speltherapie bij [instantie 1]. Deze therapie is bijna afgerond. De traumabehandeling moet nog worden opgepakt.

[minderjarige] is zeer spanningsgevoelig en zij uit die spanning fysiek. Zij zit op het speciaal onderwijs. [minderjarige] moest eerst landen in het pleeggezin. [minderjarige] valt soms nog in oude valkuilen, maar dit wordt wel minder.

De pleegouders hebben [minderjarige] na de uitspraak van de rechtbank verteld dat zij bij hen blijft wonen. [minderjarige] verschool zich toen achter de bank. Een dag later was de situatie weer normaal.

Het contact tussen de pleegouders en de moeder is goed. De moeder is wisselend aanwezig bij overleggen over [minderjarige].

De bezoekregeling tussen de moeder en [minderjarige] is eenmaal in de drie weken onder begeleiding van [instantie 2]. De bezoeken gaan niet altijd door, omdat de moeder soms afbelt. [minderjarige] reageert goed op de bezoekcontacten met de moeder. Zij vindt het leuk om contact met de moeder te hebben. [minderjarige] vindt het vervelend als de moeder een bezoekcontact afzegt, maar [minderjarige] wordt daar wel iets makkelijker in.

[minderjarige] is niet op de hoogte van deze hoger beroepsprocedure. [minderjarige] heeft er moeite mee dat het gezag van de moeder over haar is beëindigd. Eigenlijk wil zij het liefst dat het hele gezin weer bij elkaar komt.

[minderjarige] wil de vader graag zien. In overleg met de gezinsvoogd zijn de pleegouders bezig om een contact tussen de vader en [minderjarige] te laten plaatsvinden. De moeder heeft zorgen over dat contact, maar de pleegouders hebben aan de moeder uitgelegd dat het voor [minderjarige] belangrijk is dat zij de vader ontmoet. De moeder was daarna akkoord met het contact tussen de vader en [minderjarige].

Oordeel van het hof

3.10.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.10.2.

Vaststaat dat de moeder het gezag over [minderjarige] niet misbruikt.

Wel is het hof met de raad van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor onder a vermelde maatstaf en dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder over haar wordt beëindigd. Ook is naar het oordeel van het hof voldaan aan de vereisten die artikel 8 EVRM stelt aan een gezagsbeëindiging. [minderjarige] wordt namelijk in haar ontwikkeling geschaad indien de moeder haar gezag behoudt.

3.10.3.

Het hof neemt hierbij het volgende in overweging.

[minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd als gevolg van wat zij heeft meegemaakt in de thuissituatie bij de ouders. Die thuissituatie was zeer onveilig voor [minderjarige]. Zij heeft te maken gehad met ernstig huiselijk geweld en [minderjarige] heeft hierdoor een trauma opgelopen, waarvoor behandeling nodig is. Ook is er bij [minderjarige] sprake van een hechtingsstoornis. [minderjarige] is zeer spanningsgevoelig en zit op het speciaal onderwijs. Ondanks de forse problematiek waarmee [minderjarige] te kampen heeft, ontwikkelt zij zich op dit moment positief. [minderjarige] woont bijna twee jaar bij de huidige pleegouders. In het begin liet zij bij de pleegouders agressief en onveilig gedrag zien, maar zowel thuis als op school doet zij het nu goed. [minderjarige] wordt behandeld bij [instantie 1]. De speltherapie is bijna afgerond. De traumabehandeling moet nog worden opgepakt. Verder wil [minderjarige] de vader een keer ontmoeten. De GI is in overleg met de pleegouders bezig om een veilig contact tussen [minderjarige] en de vader te organiseren.

Anders dan de moeder heeft aangevoerd is het hof van oordeel dat het opvoedperspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. Door haar problematiek vraagt [minderjarige] bovengemiddeld veel van een opvoeder. De moeder is weliswaar bezig met een hulpverleningstraject voor zichzelf, maar zij geeft ook zelf aan dat zij op dit moment de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet kan dragen. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, toen haar daarover een vraag werd gesteld, niet kunnen aangeven wanneer zij verwacht wel zelf voor [minderjarige] te kunnen zorgen en wat zij daarvoor nog moet leren. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is verder gebleken dat [minderjarige] bezig is met de vraag waar zij verder gaat opgroeien en dat zij last heeft van de onzekerheid daarover. Het is daarom voor [minderjarige] van belang dat zij duidelijkheid krijgt over haar opvoedperspectief, omdat onduidelijkheid hierover haar verdere ontwikkeling in de weg staat. [minderjarige] heeft behoefte aan rust en stabiliteit. Mede gelet hierop en gezien ook de kwetsbaarheid van [minderjarige] is het hof van oordeel dat de periode van onzekerheid die voor [minderjarige] te overbruggen is zonder verder ernstige schade op te lopen in haar ontwikkeling, inmiddels is verstreken.

Het valt te prijzen dat de moeder haar toestemming heeft gegeven wanneer die in het belang van [minderjarige] vereist was zoals voor de therapie van [minderjarige], maar dat wil niet zeggen dat er steeds sprake is (geweest) van een probleemloze samenwerking tussen de moeder en de GI. De moeder is voor de GI soms lastig te bereiken en zij reageert ook niet altijd constructief op vragen van de GI. Dit kan betekenen dat noodzakelijke beslissingen over [minderjarige] niet op tijd en op de juiste wijze genomen kunnen worden. Daarnaast werkt de moeder ook niet volledig mee met de hulpverlening. Zo is zij wisselend aanwezig bij zorgbesprekingen en evaluatiegesprekken. In haar stelling dat de noodzaak van gezagsbeëindiging ontbreekt, omdat zij volledig meewerkt aan de hulpverlening, kan de moeder dus niet worden gevolgd.

Alles overziende is het hof van oordeel dat het belang van [minderjarige] bij duidelijkheid, continuïteit en stabiliteit zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij behoud van haar gezag.

3.11.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven van de moeder niet slagen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 december 2021;

verzoekt de griffier van dit hof krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het Centraal Gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, A.J.F. Manders en

K.A. Boshouwers en is op 19 mei 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.