Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:1508

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2022
Datum publicatie
20-05-2022
Zaaknummer
200.307.153_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af omdat het doel van ondertoezichtstelling is behaald en er op dit moment geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Dat die zich mogelijk de komende twee jaar zou kunnen ontwikkelen als gevolg van de echtscheidingsproblematiek tussen de ouders is voor het hof onvoldoende om aan te nemen dat er nu nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2022-0129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 12 mei 2022

Zaaknummer: 200.307.153/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/392302 / JE RK 21-2439

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. L.H.E.M. Berendse-de Gruijl,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

Deze zaak gaat over:
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 januari 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 februari 2022, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 maart 2022, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 maart 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl (waarnemend voor mr. L.H.E.M. Berendse-de Gruijl),

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ,

- de moeder.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de tijdens de mondelinge behandeling door de moeder overgelegde stukken, te weten haar zittingsaantekeningen.

3 De beoordeling

3.1.

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

3.2.

[minderjarige] woont bij de moeder.

3.3.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 januari 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Briedis Jeugdbeschermers met ingang van 27 januari 2021 tot 27 januari 2022.

3.4.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 augustus 2021, welke is hersteld bij beschikking van 11 november 2021, is Briedis Jeugdbeschermers vervangen door de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland te Middelburg en is deze gecertificeerde instelling belast met de verdere uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] .

3.5.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 november 2021 is Stichting Jeugdbescherming west Zeeland vervangen door de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west [plaats] en is deze gecertificeerde instelling belast met de verdere uitvoering van de ondertoezichtstelling.

3.6.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 27 januari 2023.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

Het hof overweegt het volgende.

3.5.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.5.1.

Op grond van artikel 1:260 van het BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.5.3.

Het hof is van oordeel dat niet aan de grond van art. 1:255 lid 1 BW is voldaan en overweegt daartoe het volgende. De ondertoezichtstelling is uitgesproken om het contact tussen [minderjarige] en de vader te herstellen. De afgelopen periode is de omgang opgestart en [minderjarige] en de vader hebben nu goed en regelmatig contact van een weekend in de drie weken. Het oorspronkelijke doel van de ondertoezichtstelling is, zoals ook is opgenomen in het plan van aanpak, daarmee behaald. Hoewel de GI in haar verweerschrift heeft aangegeven dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat deze ontwikkelingsbedreiging gelegen is in de echtscheidingsproblematiek tussen de ouders, heeft de GI tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat er op dit moment geen signalen zijn dat [minderjarige] klem zit en dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. [minderjarige] doet het goed op school en geniet van de omgang met de vader. Hij wil meer bij vader zijn, aldus de GI, en ook de moeder onderstreept dat goed contact met de vader in het belang van [minderjarige] is. Wel is er volgens de GI sprake van een dreigend loyaliteitsconflict bij [minderjarige] dat zich de komende twee jaar zou kunnen gaan ontwikkelen als de ouders hun communicatie niet gaan verbeteren en elkaar blijven diskwalificeren. Deze mogelijke toekomstige zorg is voor het hof echter onvoldoende om aan te nemen dat er nu nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Daarmee is niet aan het wettelijke criterium voor de verlenging van een ondertoezichtstelling voldaan.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het inleidende verzoek van de GI alsnog dient te worden afgewezen. Het hof gaat er daarbij wel vanuit dat er, zoals door de GI tijdens de mondelinge behandeling is aangegeven, de komende periode ruimte is om de contactregeling tussen [minderjarige] en de vader uit te breiden. Het hof vertrouwt er op dat beide ouders zich hiervoor zullen inspannen in het belang van [minderjarige] .

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 januari 2022;

en opnieuw recht doende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, A.M. Bossink en M.I. Peereboom-van Drunick en is op 12 mei 2022 uitgesproken in het openbaar door mr. P.P.M. van Reijsen in tegenwoordigheid van mr. R. Jelicic, griffier.